Peru, een land verziekt door geweld
Open

Overig
08-07-1993
H. Veeken

GAARKEUKEN

‘Kunt u hier een dag van eten?’, vraagt de vrouw terwijl zij mij een tweetal muntjes onder de neus duwt. Zij roert in een bonensoep die in een immense pan staat te pruttelen. Ietwat verbouwereerd sta ik met een paar muntjes ter waarde van zo'n twee dubbeltjes in mijn hand. Om mij heen verdringen zich meer vrouwen, zij knikken om te bevestigen dat dit inderdaad het geld is waar zij een dag van leven. Twee dubbeltjes, hoe kun je daarvan leven in een stad waar het prijspeil volgens de berekening van de Verenigde Naties 20 hoger ligt dan in New York? Ongelovig draai ik mij om naar mijn gids Maria, een energieke vrouw van het ministerie van Gezondheid. ‘Ja heus, met deze inleg maken de vrouwen samen een maaltijd. Deze gezamenlijke aanpak is hun enige manier om te overleven’, legt zij uit. ‘Kan Artsen zonder Grenzen geen oven aanleggen zodat de vrouwen hun eigen brood kunnen bakken en op die manier geld uitsparen?’, vraagt Maria aan mij. ‘En water, dokter, schoon water, u weet toch ook wel dat gezondheid begint met goed eten en properheid.’

Daar sta ik, in het bouwvallige schuurtje dat dienst doet als gaarkeuken, midden in Canto Grande, een van de sloppenwijken van Lima. Maria's enthousiasme doet me goed; om mij heen zie ik vragende blikken: krijgen wij die oven? Ik bekijk de muntjes nog eens, 20 cent, meer kan ik er niet van maken. Het wordt mij nu wel duidelijk waarom de bloemenverkoper die bij het stoplicht stond een heel blok achter onze auto aan bleef rennen in een poging zijn bos te verkopen: een kwartje winst zou wel eens zijn enige maaltijd kunnen worden van die dag.

GEWELD

Ik realiseer me dat ik niets kan beloven. Waar haal ik het geld vandaan? Wie is er geïnteresseerd in Peru? De aandacht van de wereld is op Somalië en op ex-Joegoslavië gericht, daar is oorlog. Maar ook in Peru is oorlog, zij het niet zo openlijk. Het land wordt verscheurd door geweld van een aantal strijdende partijen. De geweldsspiraal is begin jaren tachtig in gang gezet door de guerrillagroepering het Lichtend Pad; later voegde zich daar de guerrillagroep Movimiento Radical Tupac Amaru (MRTA) bij. Beide bewegingen zijn ontstaan op het platteland; door sabotage en aanslagen pogen ze het dagelijkse leven te ontwrichten, met als uiteindelijke doel het omverwerpen van de regering. Logica achter hun acties is er vaak niet: dorpen worden zonder reden aangevallen, de huizen platgebrand en onschuldige boeren gefusilleerd. Het leger en de politie voeren op hun beurt, in een poging de guerrillabeweging te bestrijden, een schrikbewind uit waarbij duizenden onschuldige boeren, beschuldigd van steun aan het Lichtend Pad of de MRTA, gedood zijn. Zoals een commandant van het leger het uitdrukte: ‘Om een lid van het Lichtend Pad te vangen, moet je nu eenmaal 60 boeren doden.’ De laatste jaren heeft de regering dorpen bewapend om de bevolking aldus zichzelf, als een soort burgerwacht, tegen de aanvallen van de terroristen te laten beschermen. Deze groepen boeren trekken steeds vaker zelf tegen het Lichtend Pad ten strijde. Ook komt het regelmatig voor dat zij het recht in eigen hand nemen, tegen naburige dorpen ten strijde trekken en aldus de geweldsspiraal doen toenemen. Ten slotte is Peru 's werelds grootste leverancier van cocaïne. De daarmee samenhangende criminaliteit eist veel slachtoffers. Hele valleien zijn in handen van de cocaïne-baronnen, die er soms – in samenwerking met de politie en het leger, uiteraard in ruil voor dollars – hun eigen staatsvorm op na houden.

25.000 SLACHTOFFERS

‘Hoe lang bent u hier in Canto Grande?’, vraag ik aan een vrouw van een jaar of vijftig. Zij kijkt mij niet-begrijpend aan: de vrouw spreekt, net als de meeste Indianen, geen Spaans. Een omstander vertaalt mijn vraag in het Quechua. ‘Vorig jaar is zij gevlucht uit Huanta, señor, voor het oorlogsgeweld. Haar man is gedood bij een overval door de terrucos (terroristen) en zij kon niet langer in ons dorp blijven’, antwoordt zij mij. Geweld is doodsoorzaak nummer 4, zal de minister van Volksgezondheid mij later op de dag persoonlijk uitleggen. De niets ontziende oorlog die de guerrillabeweging Lichtend Pad voert om de regering omver te werpen heeft al 25.000 slachtoffers onder de burgerbevolking geëist. Angst heeft een half miljoen mensen van het platteland verdreven. Zo belanden boeren uit de bergen in Lima, een stad die nu 7 miljoen inwoners telt. Zij vinden een plek in een van de sloppenwijken en pogen te overleven. Geen water, geen licht, geen sanitair, geen werk en twee dubbeltjes voor de maaltijd. Zo leeft meer dan de helft van de bevolking in Peru, straatarm en bang voor het geweld. Het is navrant dat juist in Lima de laatste 2 jaar het geweld is toegenomen ten gevolge van infiltratie van het Lichtend Pad in de stad. Aanslag op aanslag wordt gepleegd, weliswaar in de rijkere wijken zoals Miraflores en San Isidro, maar de aanhangers van het Lichtend Pad worden door de regering gezocht in de sloppenwijken. Het leven in deze wijken is er dan ook niet veiliger op geworden. Ook hier is chantage, verklikken en sabotage aan de orde van de dag. Sommige boeren hebben besloten terug te keren naar hun oude dorp; zo blijven zij op de vlucht voor het geweld.

BLOTEVOETENDOKTERS

Wij bezoeken een gezondheidspost van de sloppenwijk. Tot mijn verbazing zit er een arts. Een kamer verder geeft een verpleegkundige uitleg over geboortenbeperking aan enige ‘promotores de salud’. Dit zijn vrouwen uit de wijk die onderricht zijn in de basisprincipes van hygiëne en preventie, een soort blotevoetendokters. ‘Ja’, legt Maria uit, ‘het project is door de mensen zelf opgezet, de regering helpt door de dokter en de verpleegster te betalen om hier 's middags te werken. Kunnen jullie dit project niet overnemen?’, vraagt zij hoopvol. Maria houdt het tempo erin, wij hebben immers nog een afspraak met de minister. In duizelingwekkende vaart brengt de chauffeur ons naar het ministerie, kilometers sloppenwijk razen wij voorbij. De minister zelf geeft voor ons een 2 uur durend college over de gezondheidssituatie in Peru. Nu razen de getallen aan ons voorbij. Het blijft de vraag welke waarde je eraan kunt hechten: 4000 gezondheidsposten lijkt veel, maar hoeveel werken ervan? Er is echter geen tijd voor kritische vragen. Malaria, gele koorts, leishmaniasis en het vertrouwde plaatje van ziekten in ontwikkelingslanden, zoals diarree en luchtweginfecties, passeren de revue. Alleen geweld springt eruit als doodsoorzaak. De minister weet van geen ophouden en om 8 uur 's avonds staan wij duizelend buiten. In het ministerie wordt nog volop gewerkt, een unicum voor een ontwikkelingsland. Peru straalt hoop uit, men heeft vertrouwen in de regering. De door president Fujimori zelf gepleegde coup d‘état is goed gevallen; maar vooral de gevangenneming van Guzman, de leider van Lichtend Pad, heeft het volk hoop gegeven op een toekomst.

PLATTELAND

Over de gezondheidssituatie in de door geweld geteisterde gebieden waar door de regering de noodtoestand is afgekondigd, kan niemand ons iets zinnigs zeggen. ‘Nee’, zegt Pepe, een Peruaanse arts, ‘de animo om daar te werken is niet groot. Veel posten zijn niet bemand. Logisch toch, als een van je voorgangers is doodgeschoten, de volgende bedreigd is en onlangs een van je vrienden verdwenen is. Ga er zelf maar kijken, maar kijk wel uit.‘ Wij besluiten naar Huanta te gaan, de plaats waar de vrouwen vandaan kwamen die in de sloppenwijk een gaarkeuken organiseerden. Een halfuurtje vliegen en wij staan in Ayacucho op 2600 meter hoogte, de bakermat van het geweld, de plaats waar Guzman aan de universiteit doceerde en in 1980 het Lichtend Pad oprichtte. ’Twee weken geleden is er een aanval geweest op het radiostation en een gezondheidspost‘, vertelt de directeur van het ziekenhuis. Hij neemt ruim de tijd om aan ons de problematiek uit te leggen. Ook in Ayacucho zijn er sloppenwijken met boeren die naar deze stad gevlucht zijn voor het geweld. ’De trek naar de stad is hier al zo'n 10 jaar aan de gang. Veel boeren vluchtten begin jaren tachtig naar de stad vanwege de represailles van het leger. Later bracht de toenemende terreur van Lichtend Pad de mensen ertoe de veiligheid van de steden op te zoeken‘, legt de directeur uit. Het aantal inwoners van de stad is aldus van 30.000 naar 200.000 gestegen. De gezondheidsvoorzieningen zijn uiteraard niet noemenswaardig uitgebreid. ’Willen jullie een kliniekje zien?‘, vraagt de directeur. Even later zitten wij comfortabel weggezonken op de achterbank van een oude Chevrolet. Kundig manoeuvrerend brengt de chauffeur ons door de smalle straatjes naar de gezondheidspost die een week geleden aangevallen is. De voorkant van het gebouw is weggeblazen, de spullen zijn geroofd. De ijskast, die achter tralies staat, is het enige van waarde dat nog over is.

TWEE LATRINES VOOR DUIZEND MENSEN

De volgende dag zijn wij vroeg op weg naar Huanta, een plaatsje op 60 km afstand. De weg is veilig, hij wordt gecontroleerd door de lokale boeren. Achter op de open bak liften vrouwen mee; zij zien ons aan voor geestelijken en blijven ons steevast ‘pater’ noemen. Via een geheime ontmoeting met een ondergedoken leraar en een ‘allesverhelderend’ bezoek aan de legerplaats (‘het hele gebied is onder onze controle, reist u maar waar u wilt’, aldus de commandant) komen wij in het klooster van Huanta terecht. Een verpleegkundige heeft er een polikliniek voor de armen. De wachtkamer zit vol Indiaanse vrouwen; zij dragen typische hoedjes en hun kinderen zijn in bontgekleurde doeken op hun rug gebonden, wat erop duidt dat zij uit de bergen komen. Ook zij zijn gevlucht uit de dorpjes in de bergen voor het geweld. De verpleegkundige stelt ons voor aan Pablo, de burgemeester van een naburig dorpje. Hij staat erop ons de problemen van zijn dorp te laten zien. Ik mompel nog iets van: ‘Ik kan me er zo wel een voorstelling van maken’, maar het feit dat de verpleegkundige zonder bezwaar meegaat doet ons besluiten om, tegen ieders advies in, toch het gevaarlijke platteland op te gaan. Onderweg naar Pablo's dorp passeren wij een groep vrouwen die langs de weg zitten te spinnen. Een van hen zwaait en blaast op een fluitje; een groet? Pablo legt ons uit dat het een signaal is om de overige dorpelingen te waarschuwen. Strategisch boven op een helling ligt een kampement: simpele kleihuisjes, in een groep bij elkaar geplaatst en omgeven door wachttorens. ‘'s Nachts komen wij hier met alle bewoners samen, wij tellen of wij allemaal binnen zijn en houden bij toerbeurt de wacht. Zo zijn wij veilig voor het geweld van de terroristen’, legt de burgemeester mij uit. ‘Overdag gaat iedereen terug naar zijn eigen huis in het dal; dit doen wij al 3 jaar zo.’ De blotevoetendokter van het dorp is enthousiast over onze komst. Trots laat hij ons de zakjes met rehydratiezout en wat verbandmateriaal zien. Het is lang geleden dat er een dokter geweest is in het dorp; hij vraagt of wij niet kunnen blijven. ‘Het is heus veilig’, deelt hij mee, ‘wij zijn in geen 3 jaar overvallen.’ Het kampement heeft geen water, wel een tweetal latrines voor 1000 inwoners. De dichtstbijzijnde plaats waar een verpleegkundige verblijft, ligt op 4 uren lopen afstand. De medische verzorging schiet schromelijk tekort. Het dorp is verder leeg, de mensen werken op het veld.

NEUTRALITEIT ARTSEN ZONDER GRENZEN NIET ERKEND

Wij rijden terug, achter op de pick-up, in de felle zon met een frisse bries. Onderweg maken wij de balans op. Het terrein lijkt te gevaarlijk om er als buitenlander direct in te kunnen werken. Hulp aan de bevolking, ja ook medische hulp, word door de guerrillastrijders als contrarevolutionair beschouwd, zeker als deze hulp gegeven wordt via de officiële regeringskanalen. Het is bekend dat het Lichtend Pad dan ‘maatregelen’ neemt. De regering daarentegen beschouwt het verlenen van hulp aan de bevolking die woont in de door guerrillastrijders beheerste gebieden als subversief en tolereert dit evenmin. Neutraliteit wordt door beide partijen niet erkend en dit maakt het werken voor Artsen zonder Grenzen moeilijk. De volgende dag gaan wij terug naar het ziekenhuis om de situatie nog eens met de directeur te bespreken. Wij komen hem op de gang tegen en hij stelt ons voor eerst het ziekenhuis te bekijken. In de hal van het ziekenhuis schieten enige honden voorbij, ze lijken de weg te weten. Er zijn heel wat slachtoffers van het geweld opgenomen. Er ligt een jongetje van 5 jaar met een schotwond door zijn voet. ‘Hoe kan dat, zo jong?’, vraag ik aan de arts die met ons meeloopt. De moeder van het jongetje zit naast het bed en blijkt Spaans te spreken. Zij legt mij huilend uit dat hun dorp 4 weken terug overvallen is door het Lichtend Pad en dat haar man daarbij vermoord is, net als 40 andere dorpelingen. Zij kon nog met haar zoontje ontsnappen omdat zij in het veld waren ten tijde van de overval. De andere patiënten op de zaal zijn verwond bij bomontploffingen op de markt in de stad. Een oma van 75 jaar zal haar rechter been moeten missen, de granaatwond blijkt zo ernstig geïnfecteerd te zijn dat die niet meer kan genezen.

De artsen in het ziekenhuis zijn verheugd over onze komst, maar ook zij waarschuwen dat het voor ons westerlingen te gevaarlijk is om op het platteland te gaan werken. Toch is hulp aan de kleinere ziekenhuizen in de regio broodnodig. ‘Kunnen jullie niet voor transport, medicijnen en medisch materiaal zorgen, zodat wijzelf hulp naar het platteland kunnen brengen?’, vraagt een van de artsen ons. Het lijkt een goed begin om vanuit de stad de lokale mensen te steunen zonder zelf veel op het platteland te komen. Uitbreiding van de activiteiten kan later volgen als de situatie verbetert. 's Avonds bespreken wij dit plan met enige paters. Zichtbaar teleurgesteld dat wij niet meteen met een team volop aan de slag gaan, zegt padre Fransico: ‘Ik begrijp het, het is al fantastisch dat jullie de situatie gezien hebben en je solidariteit met de bevolking tonen, dat is voor het moment genoeg. De Peruaanse boeren voelen zich door de wereld vergeten.’

Dit artikel is een vertaling van een essay dat gepubliceerd is in British Medical Journal (1993; 306: 1263-4) onder de titel 'Letter from Peru. A country torn apart by violence'.