Overlijdensverklaringen in Nederland: ontoereikende procedures bij niet-natuurlijke dood, lijkvinding en overledenen met onbekende identiteit
Open

Recht
16-09-2001
C. Das en G. van der Wal

De Wet op de Lijkbezorging bevat een aantal bepalingen die handelen over het afgeven van overlijdensverklaringen. Verscheidene onderwerpen, zoals het begrip ‘niet-natuurlijke dood’, de lijkvinding en overledenen met een onbekende identiteit, zijn in deze wet (en andere wetten) gebrekkig geregeld.

Zie ook het artikel op bl. 1810.

Er bestaan verscheidene wettelijke bepalingen waarin de lijkschouw en het afgeven van overlijdensverklaringen geregeld zijn. De Wet op de Lijkbezorging (WLB), die - zoals de naam al aangeeft - voornamelijk bepalingen bevat die handelen over begraven en cremeren en over de inrichting van begraafplaatsen, bevat tevens een aantal regels over de lijkschouw en over overlijdensverklaringen. Ook in het Wetboek van Strafrecht en in het Burgerlijk Wetboek staat een aantal bepalingen over deze materie.

In dit artikel beschrijven wij met het oog op de medische praktijk hoe het Nederlandse systeem van overlijdensverklaringen is opgebouwd, hoe het tot stand is gekomen, welke wettelijke regelingen er bestaan, wat de rol van de lijkschouwer is, welke termen en begrippen gebruikt worden en wat hun betekenis is. Voorts duiden wij aan wat rond overlijdensverklaringen en lijkschouw niet of niet duidelijk wettelijk is geregeld. Uit wetsteksten,1 2 de bijbehorende memories van toelichting,3 Kamerstukken,4 de toelichting bij de wet,5-8 literatuur,9 jurisprudentie en wetenschappelijke artikelen werden de navolgende gegevens verkregen.10-16

de wet op de lijkbezorging

Geschiedenis.

De Wet op de Lijkbezorging stamt uit 1955. Deze wet is de opvolger van de Begrafeniswet uit 1869 (Wet tot Vaststelling van Bepalingen betrekkelijk het Begraven van Lijken, de Begraafplaatsen en de Begrafenisregten).17 In de wet van 1869 werd voor het eerst in Nederland het begraven van lijken en wat daarmee samenhangt landelijk geregeld. Daarvóór bestonden, naast diverse Koninklijke Besluiten en ministeriële regelingen, allerlei plaatselijke regelingen, gewoonten en gebruiken, die gedeeltelijk schriftelijk waren vastgelegd. In 1991 werd een aantal wijzigingen in de WLB doorgevoerd, waarbij het systeem van overlijdensverklaringen zoals dat in 1955 was ingevoerd grotendeels in stand bleef.

Alle overledenen schouwen.

Pas bij de wet van 1955 werd ingevoerd dat alle overledenen geschouwd moesten worden, omdat de wetgever het onwenselijk achtte dat een overledene begraven kon worden zonder dat er een lijkschouw had plaatsgevonden. Voordien was een lijkschouw slechts verplicht als een overlijdensverklaring van de behandelend arts ontbrak. Het afgeven van deze overlijdensverklaring was geregeld in de Wet regelende de Uitoefening van de Geneeskunst van 1865. In die wet was niet vastgelegd dat de overlijdensverklaring pas na het verrichten van een lijkschouw afgegeven mocht worden. Indien een overlijdensverklaring van de behandelend arts ontbrak, diende de gemeentelijk lijkschouwer een lijkschouw te verrichten. De gemeentelijk lijkschouwer was een van de plaatselijke artsen die door het college van burgemeester en wethouders als zodanig was aangesteld. Een bijzondere expertise op het gebied van de lijkschouw werd niet vereist (hetgeen overigens ook nu nog het geval is). De wet bepaalde wel dat ‘wanneer er tekenen of aanduidingen van een geweldige gewelddadige; ref. dood aanwezig zijn of andere omstandigheden die doen vermoeden’ een gerechtelijke schouw diende plaats te vinden, hetgeen impliceerde dat politie en justitie bij de zaak betrokken werden.

Overlijdensverklaring.

De behandelend arts mag volgens de wet van 1955 pas een overlijdensverklaring afgeven nadat hij persoonlijk een lijkschouw heeft verricht. Als de behandelend arts niet overtuigd is van een natuurlijke dood mag hij geen overlijdensverklaring afgeven. In de WLB van 1955 was niet vastgelegd dat de arts die geen overlijdensverklaring wenste af te geven de lijkschouwer moest waarschuwen. In het wetsontwerp van de nieuwe WLB van 1991 ontbrak deze bepaling eveneens. De minister verwachtte dat de behandelend arts uit zichzelf wel de gemeentelijk lijkschouwer zou waarschuwen, maar de Kamer wenste deze verplichting expliciet in de wet vast te leggen (het huidige lid 2 van artikel 7 van de WLB) om te voorkomen dat de behandelend arts bij (een vermoeden van) een niet-natuurlijke dood zou vertrekken zonder iemand te waarschuwen, daarmee anderen de kans biedend sporen uit te wissen. Bij deze discussie speelde op de achtergrond het beroepsgeheim. Men concludeerde dat het niet afgeven van een overlijdensverklaring en het inschakelen van de gemeentelijk lijkschouwer, wat betreft de inbreuk op de vertrouwensrelatie tussen arts en nabestaanden, van vergelijkbare orde was als een melding van een dubieus of niet-natuurlijk overlijden. Via een amendement kwam de verplichting om het niet afgeven van een overlijdensverklaring te melden aan de gemeentelijk lijkschouwer alsnog in de wet.

De huidige WLB, die dateert van 1991 (en die daarna nog op enkele punten is gewijzigd), bevat 96 artikelen, verdeeld over 8 hoofdstukken, handelend over onder andere begraven, cremeren en de inrichting van begraafplaatsen en crematoria. Slechts een beperkt aantal artikelen handelt over de lijkschouw en de rol van de arts.

Bij het opstellen van de regeling is men uitgegaan van een ‘normaal’ overlijdensgeval. Dat houdt in dat de identiteit van de overledene bekend is, dat het overlijden min of meer verwacht werd en dat bekend is waaraan de betrokkene is overleden. Er is sprake van een natuurlijke dood en het staat vast waar het overlijden heeft plaatsgevonden en wanneer de dood intrad. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat de behandelend arts de schouw verricht en de overlijdensverklaring afgeeft. Een dergelijk normaal sterfgeval is afdoende wettelijk geregeld.

Definities van ‘lijk’ en ‘doodgeborene’.

Ten aanzien van de lijkschouw en het systeem van overlijdensverklaringen zijn de volgende bepalingen in de WLB voor artsen relevant. Artikel 2, lid 1 van de WLB geeft de enige twee definities in deze wet: een lijk is het stoffelijk overschot van een overledene of van een doodgeborene, en een doodgeborene is een vrucht die na een zwangerschap van tenminste 24 weken ter wereld is gekomen en geen enkel teken van leven heeft vertoond. Een na een zwangerschap van minder dan 24 weken ter wereld gekomen kind is volgens de definitie van de wet geen lijk en het hoeft dan ook niet geschouwd en begraven te worden. Onder welke voorwaarden iemand als overleden beschouwd mag worden vermeldt de wet overigens niet. Artikel 3 bepaalt: ‘Lijkschouwing geschiedt door de behandelend arts of door een gemeentelijk lijkschouwer’. Het bepaald lidwoord ‘de’ suggereert dat slechts één arts zich als behandelend arts mag beschouwen. In de wet wordt niet nader omschreven wat onder ‘de behandelend arts’ moet worden verstaan. In artikel 4 wordt bepaald dat burgemeester en wethouders ‘gelegenheid verschaffen tot het doen schouwen van lijken’ en dat zij één of meer lijkschouwers aanstellen. Er wordt geen verplichting opgelegd lijkschouwers in dienst te nemen. Veel gemeenten beperken zich tot het benoemen van één of meer gemeentelijk lijkschouwers (die niet in dienst zijn van de gemeente).

Artikel 6 bepaalt dat de gemeentelijk lijkschouwer geen personen mag schouwen die hij de laatste twee jaar (in een andere hoedanigheid) heeft behandeld. Zowel de gemeentelijk lijkschouwer als de behandelend arts mag geen bloed- en aanverwanten of de eigen partner schouwen. In dergelijke gevallen moet een gemeentelijk lijkschouwer gezocht worden die wel bevoegd is de schouw te verrichten.

Kernartikel voor schouwen en overlijdensverklaring bij natuurlijke doodsoorzaak.

Het kernartikel van de WLB is artikel 7; dat luidt als volgt: lid 1: ‘Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij overtuigd is, dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak’; lid 2: ‘Indien de behandelende arts meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, deelt hij dit onverwijld mede aan de gemeentelijk lijkschouwer of een der gemeentelijk lijkschouwers.’ Met een ‘verklaring van overlijden’ wordt kennelijk een verklaring van een natuurlijke dood bedoeld. In artikel 9 is vastgelegd dat de vorm en de inhoud van de overlijdensverklaring door de overheid worden vastgesteld. Een eigenhandig opgestelde verklaring is dus niet geldig.

niet-natuurlijke dood

Artikel 10 van de WLB handelt over de procedure bij een (mogelijk) niet-natuurlijke dood. Het bepaalt dat de gemeentelijk lijkschouwer ‘onverwijld verslag uitbrengt aan de officier van justitie’ indien hij niet overtuigd is van een natuurlijke dood of, zoals de wet het formuleert, als ‘de gemeentelijk lijkschouwer meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan’. Bovendien moet hij of zij de burgerlijke stand waarschuwen. De term ‘niet-natuurlijke dood’ wordt in dit artikel niet gebruikt. Evenmin wordt een omschrijving of een definitie gegeven. Wel bevat artikel 10 nog drie volzinnen waarin geregeld wordt welke procedure de ministers van Justitie en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur moeten volgen om het zogenaamde artikel-10-formulier (het verslag van een niet-natuurlijke dood) vast te stellen en in gebruik te nemen. De term ‘niet-natuurlijke dood’ komt in de WLB maar één keer voor en wel in het eerste lid van artikel 76: ‘ Wanneer er tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd, dan met verlof van de officier van justitie . . ..’ Lid 2 van artikel 76 bepaalt dat sectie of orgaandonatie in zo'n geval niet is toegestaan en dat deze handelingen moeten worden gestaakt als zich tijdens de sectie aanwijzingen voor een niet-natuurlijke dood voordoen. Ook in dit artikel wordt de term ‘niet-natuurlijke dood’ niet nader omschreven.

Begraven.

Artikel 12 bepaalt dat een lijk niet begraven of gecremeerd mag worden zonder een A-verklaring (afgegeven door de behandelend arts of een gemeentelijk lijkschouwer) of een verklaring-van-geen-bezwaar van de officier van justitie. Artikel 12a, lid 1 bepaalt dat de arts die de A-verklaring heeft afgegeven ook het B-formulier moet invullen met ‘opgave van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek’. Begraving of crematie geschiedt in beginsel ‘niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de vijfde dag na die van het overlijden’ (artikel 16). Zon- en feestdagen tellen mee. Iemand die op woensdagochtend overlijdt, kan dus op zijn vroegst op de vrijdag en op zijn laatst op maandag begraven worden. In de praktijk is eerder of later begraven niet uitzonderlijk en dit is eenvoudig te regelen.

In artikel 21 wordt vastgesteld dat ‘indien niemand voorziet in de lijkschouwing en de lijkbezorging’ de burgemeester hiervoor zorg draagt.

Sectie.

Artikel 72 bepaalt wie (en in welke volgorde) toestemming voor een klinische (niet-gerechtelijke) sectie kunnen geven. Als gerechtelijke autoriteiten het lijk in beslag nemen of ‘als het belang van de volksgezondheid dit vereist’ (bijvoorbeeld als de Inspectie een onderzoek instelt wanneer iemand aan een onbekende infectieziekte is overleden), vindt (vooralsnog) geen klinische sectie plaats (artikel 73). De officier van justitie kan een gerechtelijke sectie gelasten. De arts die de klinische sectie verricht, moet het vaststellen van het intreden van de dood aan een andere arts overlaten (artikel 75); dat houdt in dat niet de patholoog, maar de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer de overlijdensverklaring moet invullen.

Strafbepalingen.

Artikel 81 stelt overtreding strafbaar van hetgeen in onder andere de artikelen 3, 6, 7 en 10 is bepaald. Hieronder valt onder meer het ten onrechte een A-verklaring afgeven of het niet waarschuwen van de gemeentelijk lijkschouwer bij het vermoeden van een niet-natuurlijke dood. Het afgeven van een valse overlijdensverklaring door een arts is ook in artikel 228 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld.

beschouwing

Als een sterfgeval afwijkt van het normale patroon, blijkt de WLB in sommige gevallen onduidelijk te zijn of geen uitkomst te bieden. Een aantal zaken is noch in de WLB, noch in andere wetten afdoende geregeld, zoals het constateren van de dood, de lijkvinding en de procedure bij een overledene met een onbekende identiteit. Enkele essentiële begrippen zijn niet nader omschreven, zodat er telkens weer discussie ontstaat over de vraag wat onder een lijkschouw, een behandelend arts of een niet-natuurlijke dood moet worden verstaan. Hierna bespreken wij de punten die in de praktijk discussie opleveren, mede omdat deze niet goed geregeld zijn in de wet, in de uitvoeringsregelingen of in de toelichting bij de wet. Voorts wordt een aantal oplossingen aangedragen.

Definitie van een niet-natuurlijke dood.

De WLB geeft geen omschrijving van dit essentiële begrip. In de memorie van toelichting bij de WLB werd indertijd door de minister opgemerkt dat het begrip ‘niet met voldoende scherpte’ omschreven kon worden en dat men er daarom van had afgezien een definitie in de wet op te nemen. In de brochure van de Geneeskundige Hoofdinspectie wordt een niet-natuurlijke dood omschreven als ‘ieder overlijden dat het gevolg is van uitwendig geweld, alsmede overlijden waarbij sprake is van opzet of schuld’.18 Deze omschrijving is voor velen onduidelijk en in ieder geval niet sluitend. Strikt genomen is overlijden door het per ongeluk innemen van een overdosis pillen of overlijden door verslikking volgens deze definitie geen niet-natuurlijke dood. Van uitwendig geweld kan men niet spreken, van opzet en schuld evenmin. Het is een minder gelukkige keuze om uitwendig geweld als centraal begrip te gebruiken, aangezien bij veel vormen van een niet-natuurlijke dood in het geheel geen sprake is van uitwendig geweld. ‘Een van buiten komende oorzaak’ in plaats van ‘uitwendig geweld’ zou duidelijker zijn (bijvoorbeeld een aan het voedsel toegevoegd vergif). De omschrijving die in een eerdere brochure van de Inspectie werd gegeven was duidelijker: ‘. . . ieder overlijden door schuld of opzet van derden, zelfdoding ook als deze het gevolg is van een zielsziekte, het sterven ten gevolge van ongeval of geweld, zowel chemisch als fysisch, ook wanneer dit niet door menselijk toedoen is veroorzaakt.’19

Doodsoorzaak; het probleem van de causaliteitsketen.

Daarnaast geldt het uitgangspunt dat niet de laatste ziekte of complicatie die tot de dood leidde, maar de gebeurtenis die de gezondheid aanvankelijk verstoorde als de onderliggende doodsoorzaak moet worden opgevat. Het gaat er dus om de keten van oorzaak en gevolg na te gaan tot de primaire oorzaak is gevonden. Als iemand bijvoorbeeld na een sportongeval met een gebroken been in een ziekenhuis wordt opgenomen, vervolgens een trombosebeen krijgt en enige tijd later aan een ruiterembolie overlijdt, dient dit sterfgeval als een niet-natuurlijke dood te worden beschouwd, want zonder het ongeval was betrokkene (hoogstwaarschijnlijk) niet (op deze manier) overleden. Veelal bepalen interpretatie en de keuze voor een bepaalde causaliteitstheorie20 of een bepaalde gebeurtenis als oorzaak van het overlijden kan worden aangemerkt.21 In de rechtspraak zijn talloze gevallen bekend waarin over deze vraag gestreden werd,22-24 waarbij ook hogere en lagere rechters het niet met elkaar eens waren. Deze omstandigheden hebben tot gevolg dat er zeer frequent discussie ontstaat over de vraag of een bepaald geval al of niet als een natuurlijke dood moet worden beschouwd. Een sluitende definitie is moeilijk te formuleren. Het overlijden als direct of indirect gevolg van een ongeval, geweld, een van buiten komende oorzaak of zelfdoding, of door schuld of opzet van een ander wordt als niet-natuurlijk beschouwd. Praktischer is het om een opsomming te geven van categorieën van sterfgevallen die als niet-natuurlijk beschouwd worden (tabel 1).

Lijkvinding.

De zogenaamde ‘lijkvinding’ is niet in de WLB geregeld. Men spreekt van een lijkvinding als de plaats of de datum van het overlijden niet bekend is. De term ‘lijkvinding’ berust op het begin van de tekst van het wetsartikel dat deze materie (gedeeltelijk) regelt, namelijk artikel 19f, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek 1, dat luidt: ‘Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is gevonden of aan land gebracht.’

Het is niet wettelijk geregeld welke arts de lijkschouw bij een lijkvinding moet verrichten, de huisarts of de gemeentelijk lijkschouwer. Het is onduidelijk of dat altijd de gemeentelijk lijkschouwer moet zijn of dat ook de behandelend arts - aannemende dat hij overtuigd is van een natuurlijke dood - de lijkschouw mag verrichten. De stelling in de brochure van de Geneeskundige Hoofdinspectie dat bij een lijkvinding altijd de gemeentelijk lijkschouwer moet worden gewaarschuwd, berust niet op een wettelijke bepaling. In de praktijk accepteert de burgerlijke stand een A-verklaring van een huisarts waarbij deze de datum van overlijden niet heeft ingevuld, mits deze verklaring vergezeld gaat van een proces-verbaal van de politie, waarin de datum van overlijden wordt aangegeven. Indien de huisarts na een degelijke lijkschouw overtuigd is van een natuurlijke dood en ook de politie geen verdachte zaken waarneemt, lijkt tegen deze procedure geen bezwaar te bestaan. Het is evenwel wenselijk dat deze materie in de WLB wordt geregeld en dat vastgelegd wordt wie bij een lijkvinding de lijkschouw moet verrichten.

Onbekende identiteit.

In de WLB is slechts vastgelegd dat als de identiteit van een overledene die al naar het uitvaartcentrum is overgebracht, ‘niet genoegzaam blijkt’ uit de bijgevoegde documenten, identificatie moet plaatsvinden door twee personen die de overledene gekend hebben, in aanwezigheid van de uitvaartverzorger (artikel 8, lid 3). In de wet is niet geregeld wat een arts moet doen indien hij met een hem onbekende overledene geconfronteerd wordt. Een huisarts of een eerstehulparts kan en mag geen A-verklaring afgeven, zodat de gemeentelijk lijkschouwer ingeschakeld zal worden. Welke procedure gevolgd moet worden en welk formulier gebruikt moet worden als de gemeentelijk lijkschouwer overtuigd is van een natuurlijke dood, is niet geregeld in de wet. Evenmin is vastgesteld of al dan niet een voorlopige overlijdensverklaring zonder personalia mag worden afgegeven. Een apart formulier voor overledenen met een onbekende of onzekere identiteit en voor lijkvindingen, in te vullen door de gemeentelijk lijkschouwer, zou uitkomst kunnen bieden.

In tabel 2 zijn de knelpunten en mogelijke oplossingen in het kort weergegeven.

conclusie

De procedures bij overlijden, bij het verrichten van de lijkschouw en bij het afgeven van een overlijdensverklaring zijn niet systematisch en sluitend wettelijk geregeld. Sommige onderdelen, zoals de procedure bij een onbekende identiteit of bij een lijkvinding, zijn in de Wet op de Lijkbezorging zelfs in het geheel niet geregeld. Voor dergelijke sterfgevallen, die afwijken van het normale patroon, bestaan ook geen aparte overlijdensverklaringen.

Het is wenselijk dat de lacunes in de wet aangevuld worden en dat er voor bijzondere gevallen, zoals twijfel aan een natuurlijke dood, onbekende identiteit en lijkvinding, aparte formulieren in gebruik worden genomen, waarop aangegeven wordt welke procedure gevolgd moet worden.

Literatuur

  1. Wet op de Lijkbezorging. Lelystad: Koninklijke Vermande;2000.

  2. Wet van 7 juli 1955 houdende bepalingen met betrekking totde verbranding, de balseming en de schouwing van lijken. Staatsblad 1955; nr390.

  3. Memorie van Toelichting inzake Bepalingen met betrekkingtot de verbranding, de balseming en de schouwing van lijken. Handelingen derStaten-Generaal, Tweede Kamer. Bijlagen 1951-1952. Kamerstuk 2410 nr 3. DenHaag: Staatsdrukkerij; 1952.

  4. Voorlopig verslag van de vaste commissie voor binnenlandsezaken en de hoge colleges van staat, voor justitie en voor welzijn envolksgezondheid inzake Nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging (Wet op delijkbezorging), Eerste Kamer. Kamerstuk 11 256, 1982-83, nr 84a. Den Haag:Staatsdrukkerij; 1983.

  5. Putten WGHM van der. Handboek Wet op de Lijkbezorging.Lelystad: Koninklijke Vermande; 1993.

  6. Putten WGHM van der. Wet op de Lijkbezorging. EditieSchuurman & Jordens nr 29. Zwolle: Tjeenk Willink; 1992.

  7. Putten WGHM van der. Thematisch Handboek Lijkbezorging.Lelystad: Koninklijke Vermande; 2000.

  8. Woude J van der. De nieuwe wet op de lijkbezorging in kortbestek. Den Haag: Stivu; 1991.

  9. Haar J van der. Lijkbezorgingsrechtproefschrift. Alphen aan den Rijn: Samsom; 1964.

  10. Bonte JTP, Friden LM, Berg JWH van den. De statistiek vandoodsoorzaken. Ned Tijdschr Geneeskd1985;129:1421-9.

  11. Hoogendoorn D. Het formulier voor de verklaring van dedoodsoorzaak. Ned Tijdschr Geneeskd1985;129:1429-32.

  12. Leenen HJJ. De overlijdensverklaring.Ned Tijdschr Geneeskd1986;130:1430-1.

  13. Wendte JF, Broer J, Bijlsma F. De kwaliteit van deaangifte van doodsoorzaken. Tijdschr Gez Wetensch 1998;76:263-6.

  14. Bijl NPYM de. Wet op de lijkbezorging. Tijdschr Gez Recht1985; 9:207-17.

  15. Rang JF. Nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging. NedJuristenblad 1977;52:1057-67.

  16. Gevers JKM. De nieuwe wetgeving inzake lijkbezorging.Ned Tijdschr Geneeskd1991;135:1925-7.

  17. Hoog JM. Wet tot vaststelling van bepalingen betrekkelijkhet begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten. Arnhem:Nijhof en zoon; 1870.

  18. Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid.Informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de Lijkbezorging.Rijswijk: Centrale Directie Voorlichting, Documentatie en Bibliotheek van hetministerie van VWS; 1991.

  19. Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid.Richtlijnen voor artsen inzake de voorschriften met betrekking tot delijkbezorging. Leidschendam: Geneeskundige Hoofdinspectie van deVolksgezondheid; 1979.

  20. Das C. Een natuurlijke dood of niet? Modus1998;7:18-20.

  21. Merx CHJ. De dood in medisch en juridisch perspectief.Ned Forensisch Tijdschr 1988;7:2-7.

  22. Hoge Raad, 13 januari 1970 Etalageruit.Nederlandse Jurisprudentie 1970;nr 144.

  23. Hoge Raad, 12 september 1978 Longembolie.Nederlandse Jurisprudentie 1979;nr 60.

  24. Hoge Raad, 21 maart 1975 Aangeredenhartpatiënt. Nederlandse Jurisprudentie 1975;nr372.