Onduidelijke rol van de gemeentelijk lijkschouwer en de behandelend arts bij natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden in Nederland
Open

Recht
16-09-2001
C. Das en G. van der Wal

De rol van de behandelend arts en de gemeentelijk lijkschouwer bij een al of niet natuurlijk sterfgeval is aan een aantal wettelijke regels gebonden. De onderdelen van de lijkschouw, de voorwaarden voor het afgeven van een overlijdensverklaring, het begrip ‘behandelend arts’ en de positie en de taak van de gemeentelijk lijkschouwer blijken echter niet eenduidig te zijn omschreven in de Nederlandse wet, hetgeen geregeld tot misverstanden leidt.

Zie ook het artikel op bl. 1806.

Als iemand overlijdt, moet het lijk geschouwd worden en moet er vastgesteld worden wat de doodsoorzaak is. Als lijkschouwer kan de behandelend arts of een gemeentelijk lijkschouwer optreden. Vervolgens wordt een overlijdensverklaring afgegeven en de overledene wordt enkele dagen later begraven of gecremeerd. In sommige gevallen wordt de lijkschouwer, de politie of de officier van justitie ingeschakeld en soms wordt er een klinische of een gerechtelijke sectie verricht.

Wat in een bepaald overlijdensgeval verplicht is of wat juist niet is toegestaan, is voor veel artsen - ook voor hen die regelmatig met sterfgevallen te maken hebben - niet duidelijk. Als in de wet gesproken wordt over ‘een verklaring van overlijden’, wordt het formulier bedoeld waarop de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer verklaart overtuigd te zijn van een natuurlijke dood (de zogenaamde A-verklaring). De behandelend arts mag de A-verklaring slechts afgeven als aan een aantal voorwaarden voldaan is.

In een ander artikel beschreven wij het wettelijk systeem van overlijdensverklaringen.1 In het onderhavige gaan wij op basis van gegevens verkregen door bestudering van wetsteksten,2 3 kamerstukken,4 de toelichting bij de wet,5-8 jurisprudentie en wetenschappelijke literatuur9 10 in op de voorwaarden waaronder een lijkschouw verricht mag worden en op de positie van de gemeentelijk lijkschouwer en van de behandelend arts.

lijkschouw

Artikel 3 van de Wet op de Lijkbezorging (WLB) bepaalt: ‘Lijkschouwing geschiedt door de behandelend arts of door een gemeentelijk lijkschouwer.’ Het is niet in de wet vastgelegd dát een lijk geschouwd moet worden. Op de nabestaanden rust geen wettelijke verplichting een arts in te schakelen voor het verrichten van de lijkschouw, noch de wettelijke verplichting de begrafenis te regelen (en te betalen). Wettelijk is niet vastgelegd welke van de genoemde artsen de eerstaangewezen persoon is om de schouw te verrichten en evenmin is bepaald op welk moment de schouw moet plaatsvinden. Wel is vastgelegd dat een lijk niet begraven mag worden zonder dat er een overlijdensverklaring is afgegeven. De arts die een overlijdensverklaring tekent, verklaart het lijk persoonlijk geschouwd te hebben. Indirect is een lijkschouw dus wel noodzakelijk, althans als de nabestaanden het lijk willen laten begraven.

De term ‘lijkschouw(ing)’ suggereert dat kijken naar het lijk voldoende is om een schouw te verrichten. De wet geeft niet aan uit welke onderdelen een lijkschouw dient te bestaan. In de tabel is weergegeven uit welke onderdelen een lijkschouw volgens de Geneeskundige Hoofdinspectie (GHI)11 en de forensisch-geneeskundige beroepsgroep12 13 dient te bestaan. Een arts aan wie gevraagd wordt een verklaring van (natuurlijk) overlijden (het A-formulier) af te geven, mag dat alleen doen als aan de in de tabel genoemde voorwaarden is voldaan. Als niet aan alle zes voorwaarden is voldaan mag de betreffende arts geen overlijdensverklaring afgeven. De behandelend arts mag alleen als hij of zij overtuigd is van een natuurlijke dood een overlijdensverklaring afgeven (hij moet dan ook op grond van artikel 12a van de WLB de B-verklaring voor de doodsoorzakenstatistiek invullen). In alle andere gevallen moet hij de gemeentelijk lijkschouwer inschakelen. Bij ‘overtuiging’ gaat het niet om een onberedeneerd intuïtief gevoel, maar om een beredeneerde conclusie op basis van kennis, onderzoek, feiten en omstandigheden.

Tijdstip van de lijkschouw.

In de wet is niet bepaald op welk moment de lijkschouw moet plaatsvinden of binnen welke termijn. Indirect kan uit de termijnen voor lijkbezorging (artikel 16 en 17 van de WLB: ‘niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de vijfde dag na die van het overlijden’) wel afgeleid worden dat de lijkschouw ook binnen die periode moet plaatsvinden. Evenmin is vastgelegd of iemand die 's nachts overlijdt direct geschouwd moet worden of dat de schouw naderhand kan plaatsvinden. Uit artikel 76 van de WLB kan wel afgeleid worden dat zolang niet vaststaat dat er sprake is van een natuurlijke dood, het lijk niet vervoerd mag worden (zelfs niet van een ziekenhuisbed naar het mortuarium); dat artikel stelt: ‘Wanneer tekenen of aanwijzingen voor een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet vervoerd worden dan met verlof van de officier van justitie . . ..’ De wet staat niet de gewoonte in de weg om een patiënt van wie het overlijden verwacht werd, pas enige tijd later te schouwen. Bij een onverwacht overlijden of bij twijfel aan een natuurlijke dood ligt het terstond schouwen voor de hand, maar de wet vereist dit niet.

Het vaststellen van de dood.

In de WLB komt het vaststellen van de dood in het geheel niet aan de orde. De wet treedt pas in werking nadat de dood is vastgesteld. Nergens is wettelijk vastgelegd hoe en door wie de dood geconstateerd moet worden. Iedereen mag de dood constateren.6 Het idee dat alleen een arts de dood mag vaststellen vindt geen steun in de wet. Ook (ambulance)verpleegkundigen zijn in staat en bevoegd om de dood te constateren. Het constateren van de dood moet onderscheiden worden van het afgeven van een overlijdensverklaring. Deze rechtshandeling is wel exclusief voorbehouden aan artsen. In de praktijk zullen het constateren van de dood en het verrichten van de lijkschouw meestal samenvallen.

De positie en de taak van de gemeentelijk lijkschouwer.

De gemeentelijk lijkschouwer wordt op grond van artikel 4 van de WLB benoemd door het college van burgemeester en wethouders. Elke arts (die in Nederland bevoegd is) kan benoemd worden. Gewoonlijk worden artsen in dienst van de Gemeentelijke of Gewestelijke Gezondheidsdienst (GGD) benoemd, soms worden plaatselijke huisartsen benoemd. De dienstdoende gemeentelijk lijkschouwer is vaak niet in dienst van de gemeente waar hij een schouw verricht; zo kan een lijkschouwer die in dienst is van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) Amsterdam een schouw verrichten in Amstelveen. De lijkschouwer komt in actie op verzoek van een behandelend arts of van de politie of soms op rechtstreeks verzoek van de officier van justitie. Hij rapporteert op grond van artikel 10 van de WLB aan politie of justitie in geval van een niet-natuurlijke dood. Aan politiefunctionarissen deelt hij zijn bevindingen gewoonlijk mondeling en indien gewenst schriftelijk mee. Zijn officiële verslag gaat normaliter via de politie naar de officier van justitie. In sommige gevallen, zoals bij euthanasie, rapporteert hij rechtstreeks aan de officier van justitie (de bescheiden worden naar de toetsingscommissie gestuurd). Onder de oude WLB van 1955 rapporteerde de gemeentelijk lijkschouwer aan de officier van justitie over elke schouw die hij verrichtte, dus ook in de gevallen waarin er sprake was van een natuurlijke dood. Onder de huidige wet moet hij alleen een verslag opmaken voor de officier van justitie als hij niet overtuigd is van een natuurlijke dood.

De enige voorwaarden die de wet stelt aan iemand die optreedt als gemeentelijk lijkschouwer is dat deze de bevoegdheid van arts heeft en benoemd is door het college van burgemeester en wethouders. De deskundigheid van (een deel van) de gemeentelijk lijkschouwers, voor het merendeel in dienst van een GGD, berust op ervaring, zelfstudie en de theoretische cursus forensische geneeskunde van de Netherlands School of Public Health. Een praktische opleiding tot forensisch geneeskundige bestaat nog niet.

De behandelend arts.

In de WLB is geen definitie of omschrijving van het begrip ‘behandelend arts’ gegeven. In de toelichting bij de wet en in het GHI-informatiebulletin voor artsen wordt een omschrijving gegeven (‘de arts die de overledene tijdens het leven als laatste op enigerlei wijze onder zijn medische zorg heeft gehad’) die meer vragen oproept dan beantwoordt. Deze omschrijving impliceert dat slechts één arts als behandelend arts beschouwd kan worden, namelijk degene die de patiënt als laatste onder zijn of haar hoede had. Aan de behandelend arts worden (behalve de impliciete voorwaarden ‘behandelaar’ en ‘arts’) geen nadere eisen gesteld. De behandelend arts heeft gewoonlijk geen specifieke deskundigheid op het gebied van het onderzoek van een lijk, van postmortale verschijnselen en van de wettelijke procedures die van toepassing zijn, om de eenvoudige reden dat hij of zij hierin noch tijdens de basisopleiding, noch tijdens de vervolgopleiding geschoold is.14 Enkele Nederlandse universiteiten besteden overigens sinds kort wel aandacht aan de forensische geneeskunde en de lijkschouw in het basiscurriculum en in de huisartsenopleiding.

beschouwing

Het constateren van de dood.

Het constateren van de dood en het verrichten van de lijkschouw vallen meestal samen. In sommige gevallen is het onderscheid wel van belang. De gewoonte van ambulanceverpleegkundigen om eerst met een overledene (bijvoorbeeld na een mislukte reanimatie of na een verkeersongeval) langs een eerstehulppost te rijden teneinde daar door een arts de dood te laten constateren en vervolgens de overledene naar een mortuarium te brengen, waar de lijkschouw door de lijkschouwer plaatsvindt, is volgens de wet een nodeloze exercitie, aangezien de ambulanceverpleegkundige ook zelf de dood kan en mag constateren. Nadat de ambulanceverpleegkundige de dood heeft vastgesteld mag de overledene direct naar een mortuarium vervoerd worden, alwaar de lijkschouw kan plaatsvinden. De praktijk van sommige rechercheurs om bij een geval van moord of doodslag eerst een arts de dood te laten constateren alvorens zij een sporenonderzoek beginnen, berust evenmin op een wettelijke bepaling. Als men twijfelt of het slachtoffer overleden is, dient men een ambulance te bellen en niet de gemeentelijk lijkschouwer.

Lijkschouw.

Eerder gaven wij de voorwaarden aan waaraan voldaan moet zijn voordat men rechtmatig een overlijdensverklaring kan afgeven - want daartoe dient de lijkschouw. Als de identiteit van de overledene onbekend is, zal de politie gewoonlijk ingeschakeld worden, ook al verplicht de WLB daar niet toe. Ook als de datum of de plaats van overlijden niet vastgesteld kan worden, dient de politie ingeschakeld te worden (Burgerlijk Wetboek 1, artikel 19f, lid 2). Het is niet duidelijk of een overlijdensverklaring geldig is als de arts die de verklaring ondertekend heeft geen behandelend arts van de overledene is of als hij of zij het lijk niet onderzocht heeft. Het (opzettelijk) afgeven van een valse overlijdensverklaring, dus een verklaring van natuurlijk overlijden afgeven terwijl men weet dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood, is strafbaar gesteld (Wetboek van Strafrecht, artikel 228).

Positie van de gemeentelijk lijkschouwer.

Het is onduidelijk of de gemeentelijk lijkschouwer een ambtenaar in dienst van de gemeente of in dienst van politie en justitie is. De WLB geeft geen antwoord op deze vraag. De meeste, maar lang niet alle, gemeentelijk lijkschouwers zijn in dienst van een gemeentelijke of regionale GGD en daarmee gemeenteambtenaar. Tijdens de discussie voorafgaand aan de invoering van de meldingsprocedure bij euthanasie in 1993 kwam de onduidelijke positie van de gemeentelijk lijkschouwer duidelijk naar voren. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) verzette zich tegen de rol van de gemeentelijk lijkschouwer in die meldingsprocedure, omdat de gemeentelijk lijkschouwer als ‘orgaan van de gemeente’ niet zou kunnen optreden als ambtenaar in dienst van justitie (brief van de VNG aan de vaste Kamercommissie van Justitie van 24 februari 1992). De VNG stelde: ‘. . . op grond van de WLB doet hij geen aangifte van een strafbaar feit. Als hij in de praktijk informatie geeft aan justitie dan vloeit dat niet voort uit zijn wettelijke rol van gemeentelijk lijkschouwer, maar omdat het OM Openbaar Ministerie hem informeel om informatie vraagt. Hij is niet verplicht om deze informatie te geven, noch als gemeentelijk lijkschouwer, noch als arts.’ Dit merkwaardige standpunt vindt geen steun in de WLB, waarvan artikel 10 toch duidelijk bepaalt dat de gemeentelijk lijkschouwer verslag moet uitbrengen aan de officier van justitie; het citaat geeft wel aan dat de positie van de gemeentelijk lijkschouwer zelfs voor de gemeenten zelf onduidelijk is. Overigens wordt in de memorie van toelichting bij de WLB van 1955 al gesteld dat de ‘gemeentelijk lijkschouwer verplicht is tot volledige openhartigheid tegenover justitie’. De bezwaren van de VNG waren kennelijk niet overtuigend, want de gemeentelijk lijkschouwer heeft in de meldingsprocedure wel de taak gekregen die justitie hem had toebedacht.

Tegenover het standpunt van de VNG staat het standpunt van het Haagse Gerechtshof, dat blijkens een uitspraak in een euthanasiezaak15 van mening is dat het van groot belang is dat gevallen van niet-natuurlijke dood onderzocht en gecontroleerd worden door ‘overheidsautoriteiten als de gemeentelijk lijkschouwer’ (en de officier van justitie). De term ‘overheidsautoriteit’ houdt overigens geen antwoord in op de vraag of de gemeentelijk lijkschouwer werkzaam is in dienst van justitie. Van een arbeidsrechtelijk dienstverband tussen gemeentelijk lijkschouwer en justitie is in ieder geval geen sprake.

Een wettelijke regeling van positie, taken en bevoegdheden van de gemeentelijk lijkschouwer zal antwoord moeten geven op de vraag of hij beschouwd moet worden als opsporingsambtenaar, als (gemeentelijk) ambtenaar met opsporingstaken of als een arts met een meldingsplicht, maar zonder opsporingstaken. De meest praktische oplossing is om een aantal onafhankelijke artsen die aan bepaalde opleidingseisen voldoen tot gerechtelijk lijkschouwer te laten benoemen door justitie of politie, aangezien vooral zij gebruikmaken van de diensten van de lijkschouwer. De gerechtelijk lijkschouwer heeft dan een positie die vergelijkbaar is met die van een gerechtelijk deskundige, een onafhankelijke deskundige aangesteld door de rechtbank. Een deskundige geeft een verklaring af van ‘hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen’, zoals de wet het formuleert (Wetboek van Strafvordering, artikel 343). Deze deskundige is geen opsporingsambtenaar.

Behandelend arts.

Onduidelijk is wie zich als behandelend arts mogen beschouwen. De hiervoor vermelde omschrijving van de GHI en de tekst van de wet (WLB, artikel 3: ‘Lijkschouwing geschiedt door de behandelend arts . . .’) suggereren dat slechts één geneeskundige zich als behandelend arts mag beschouwen en wel degene die de overledene als laatste onder zijn zorg heeft gehad. Strikt genomen zou dit betekenen dat als een bejaarde patiënt na een bezoek aan zijn specialist zijn huisarts niet meer geraadpleegd heeft en enkele dagen later dood in bed gevonden wordt, de huisarts zich niet als behandelend arts mag beschouwen. Hij heeft immers niet als laatste de patiënt onder zijn zorg gehad. Illustratief voor de verwarring is een rechterlijke uitspraak16 aangaande een arts die op zekere dag een patiënte 2 injecties toediende en enkele uren later de lijkschouw verrichtte (en die voldeed aan de omschrijving van de Inspectie dat hij als laatste de overledene op enigerlei wijze onder zijn zorg had gehad); hij werd veroordeeld omdat hij zich volgens de rechter ten onrechte als behandelend arts had beschouwd en daarmee ten onrechte een overlijdensverklaring had afgegeven. ‘De verklaring van overlijden moet worden afgegeven door de arts die krachtens zijn optreden en behandeling in staat is zo goed mogelijk te beoordelen of de doodsoorzaak een natuurlijke is geweest’, verklaarde de rechter (mede op basis van een verklaring van de geneeskundig inspecteur); de rechter beschouwde niet de injecterende arts, maar de arts bij wie de patiënte als ziekenfondslid was ingeschreven als de behandelend arts.

Ook de bevoegdheid van de waarnemend huisarts blijft een voortdurend punt van discussie. Sommigen17 zijn van mening dat de dienstdoende arts die de dood heeft geconstateerd bij een patiënt die hij nooit in leven heeft gezien, geen overlijdensverklaring mag afgeven, omdat hij de patiënt niet in leven onder zijn zorg heeft gehad, ook al weet hij wanneer en waaraan de betrokkene is overleden. Anderen18 zijn van mening dat een waarnemend huisarts zich als behandelend arts mag beschouwen en een overlijdensverklaring mag afgeven, aangenomen dat hij overtuigd is van een natuurlijke dood. De laatste mening heeft de overhand, althans de meeste huisartsen handelen als zodanig. De stelling dat de dienstdoende huisarts alle patiënten van de waarneemgroep ‘op enigerlei wijze onder zijn medische zorg’ heeft, is goed verdedigbaar. Daarmee mag hij zich beschouwen als behandelend arts. In een grote stad zou het eerste standpunt overigens betekenen dat de gemeentelijk lijkschouwer op sommige dagen 20 tot 30 lijkschouwingen zou moeten verrichten, waarbij het probleem dat de waarnemer de patiënt niet kent slechts verschoven wordt naar de lijkschouwer. Reëler en praktischer is de benadering om slechts dan de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen als de waarnemend arts in redelijkheid geen natuurlijke doodsoorzaak kan vaststellen.

Twijfel over de doodsoorzaak.

Volgens het GHI-informatiebulletin11 moeten alle gevallen waarin twijfel bestaat aan een natuurlijke dood als een niet-natuurlijke dood worden beschouwd. Taalkundig en juridisch is deze stelling verwarrend. Niet (zeker) weten wat de doodsoorzaak is, is wat anders dan de diagnose ‘niet-natuurlijke dood’ stellen. Toch worden deze twee zaken door de GHI gelijkgesteld. Het zou duidelijker en praktischer zijn als regel te hanteren dat in alle gevallen waarin niet vaststaat dat de doodsoorzaak natuurlijk is, de behandelend arts afziet van het afgeven van een overlijdensverklaring en dat hij de gemeentelijk lijkschouwer inschakelt, zoals ook vastgelegd is in artikel 7 van de WLB.

Een bijzondere categorie wordt gevormd door gevallen van plotseling en onverwacht overlijden. Hierbij staat de precieze doodsoorzaak zelden vast, terwijl in veel gevallen na onderzoek van het lijk en van de omstandigheden wel duidelijk is dat er sprake is van een natuurlijke dood. Als een natuurlijke dood vaststaat, mag de behandelend arts een A-verklaring afgeven; bij twijfel moet hij de gemeentelijk lijkschouwer inschakelen. In sommige Europese landen biedt de overlijdensverklaring de mogelijkheid aan te geven dat de doodsoorzaak onbekend of onzeker is. Ook in Nederland zou dat overwogen kunnen worden.

Overlijden na medisch handelen.

De niet in de wet vastgelegde, maar wel in het GHI-informatiebulletin11 opgenomen bepaling dat het ‘overlijden als gevolg van een medische ingreep, die op goede gronden en volgens de regelen der kunst werd uitgevoerd’ als een natuurlijke dood mag worden opgevat, levert veelvuldig discussie op.19 De vraag of euthanasie onder deze omschrijving valt, heeft in de afgelopen jaren tachtig uitvoerige discussie opgeleverd, die uiteindelijk door de Hoge Raad werd beslecht met het oordeel dat euthanasie een niet-natuurlijke dood is.20-22

In individuele gevallen is het meestal de vraag of de ingreep inderdaad volgens de regelen der kunst werd uitgevoerd of dat er een al dan niet verwijtbare fout werd gemaakt. Het is in eerste instantie de behandelend arts zelf die deze afweging moet maken. Hij bepaalt dus in principe zelf of hij een A-verklaring afgeeft en daarmee de zaak niet aan onderzoek door de gemeentelijk lijkschouwer en justitie blootstelt, of dat hij de gemeentelijk lijkschouwer inschakelt met het risico van een gerechtelijk onderzoek.

conclusie

In de Wet op de Lijkbezorging is een aantal essentiële begrippen, zoals lijkschouw, behandelend arts en niet-natuurlijke dood, niet nader omschreven. De omschrijvingen van deze begrippen die in een GHI-informatiebulletin worden gegeven,11 laten nog veel vragen open, waardoor in de praktijk veelvuldig onduidelijk is welke procedure gevolgd moet worden. Duidelijke en op de praktijk gerichte omschrijvingen kunnen dit probleem beperken.

Literatuur

  1. Das C, Wal G van der. Overlijdensverklaringen inNederland: ontoereikende procedures bij niet-natuurlijke dood, lijkvinding enoverledenen met onbekende identiteit.Ned Tijdschr Geneeskd2001;145:1806-10.

  2. Wet op de Lijkbezorging. Lelystad: Koninklijke Vermande;2000.

  3. Wet van 7 juli 1955 houdende bepalingen met betrekking totde verbranding, de balseming en de schouwing van lijken. Staatsblad 1955; nr390.

  4. Voorlopig verslag van de vaste commissies voorbinnenlandse zaken en de hoge colleges van staat, voor justitie en voorwelzijn en volksgezondheid inzake Nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging(Wet op de lijkbezorging), Eerste Kamer, vergaderjaar 1982-1983, 11 256, nr84a. Den Haag: Staatsdrukkerij; 1983.

  5. Putten WGHM van der. Handboek Wet op de Lijkbezorging.Lelystad: Koninklijke Vermande; 1993.

  6. Putten WGHM van der. Wet op de Lijkbezorging. EditieSchuurman & Jordens nr 29. Zwolle: Tjeenk Willink; 1992.

  7. Putten WGHM van der. Thematisch Handboek Lijkbezorging.Lelystad: Koninklijke Vermande; 2000.

  8. Woude J van der. De nieuwe wet op de lijkbezorging in kortbestek. Den Haag: Stivu; 1991.

  9. Hulst JPL, Josselin de Jong R de, Mieremet CWG, Schoo HJM,Steenhuis TS. Eenige opmerkingen betreffende de reorganisatie van hetgerechtelijk-geneeskundig onderzoek in Nederland. Ned Tijdschr Geneesk1915;51:829-38.

  10. Westendorp RGJ. Dwalingen in de methodologie. VI.Doodsoorzaken in perspectief. NedTijdschr Geneeskd 1998;142:1950-3.

  11. Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid.Informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de Lijkbezorging.Rijswijk: Centrale Directie Voorlichting, Documentatie en Bibliotheek van hetministerie van VWS; 1991.

  12. Vakgroep Forensische Geneeskunde. Protocol lijkschouw.Utrecht: GGD Nederland; 2000.

  13. Metz FJJM. Het vaststellen van de dood: de lijkschouw.Assen: Van Gorcum; 1996.

  14. Reijnders UJL, Das C, Soethout MBM, Wal G van der. Artsenherkennen niet-natuurlijke dood onvoldoende. Medisch Contact 1999;54:1704-7.

  15. Hof 's-Gravenhage (strafkamer), 2 april 1987.Nederlandse Jurisprudentie 1987; nr 756 uitspraak bevestigd door deHoge Raad.

  16. Kantonrechtbank Maastricht, 3 oktober 1958. NederlandseJurisprudentie 1960;nr 16.

  17. Cremers HTP. De wet op de lijkbezorging voor artsen naderverklaard. Medisch Contact 1997;52:1318-21.

  18. Das C. Het constateren van de al of niet natuurlijkedood. Bijblijven 1998;14:27-32.

  19. Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, Aanhangsel,2990010870, nr 1353 en 1322 over het afgeven van verklaringen vanoverlijden, na een medische fout.

  20. Enschedé ChJ. De doodsbriefjes.Ned Tijdschr Geneeskd1986;130:1411-2.

  21. Hoge Raad, 15 december 1987. Nederlandse Jurisprudentie1988;nr 811.

  22. Feber HRG. Euthanasie en verklaring van overlijden, HogeRaad spreekt laatste woord. Medisch Contact1988;43:41-5.