Onderzoek naar de samenhang tussen bloeddruk en mineralenvoorziening bij Nederlandse ouderen

Onderzoek
Z. Hofman
M.R.H. Löwik
J. Odink
F.J. Kok
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1989;133:1791-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

In een landelijk onderzoek bij 530 ogenschijnlijk gezonde ouderen van 65-79 jaar werden de prevalentie van hypertensie en de verschillen in inneming en uitscheiding van een aantal voedingsstoffen tussen ouderen met hypertensie en ouderen met normale bloeddruk bestudeerd. Bij 58 van de mannen en 68 van de vrouwen werd hypertensie waargenomen; van hen werd 40 niet medicamenteus behandeld. In de groep ouderen die geen bloeddrukverlagende medicijnen gebruikte en (of) een dieet volgde, was bij mannen met hypertensie de verhouding tussen natrium en kalium hoger maar die tussen kalium en creatinine in de 24-uursurine lager dan bij mannen met normale bloeddruk. Vrouwen met hypertensie hadden een hogere calciumexcretie dan vrouwen zonder hypertensie. De Quetelet-index, de inneming van vet, energie, alcohol, kalium en calcium, en de excretie van natrium en magnesium bleken niet te verschillen. Tussen ouderen met normale en met hoge bloeddruk werden geen verschillen geconstateerd in inneming van mineralen maar wel in excretie van mineralen met de urine: bij ouderen met hypertensie bestaat er een grotere samenhang tussen deze excretie en de creatinineklaring. Dit zou kunnen wijzen op de mogelijkheid van verlaagde beschikbaarheid en (of) afwijkende stofwisseling van mineralen (met name kalium bij mannen met hypertensie en calcium bij vrouwen met verhoogde bloeddruk).

Inleiding

Bij ouderen is evenals bij personen op middelbare leeftijd verhoogde bloeddruk een belangrijke risicofactor van hart- en vaatziekten.1 Ofschoon op oudere leeftijd de voorspellende betekenis van hoge bloeddruk enigszins afneemt, zijn ziekte- en sterfterisico toegenomen.23 Veelal is bij ouderen de aandacht gericht op een verhoogde diastolische bloeddruk, maar ook een verhoogde systolische bloeddruk hangt samen met toegenomen gezondheidsrisico's.3

Hypertensie blijkt bij Nederlandse ouderen veel voor te komen.4 Verschillende onderzoekingen bij volwassenen van middelbare leeftijd geven aan dat de bloeddruk mede afhankelijk is van de voeding, vooral van de mineralenvoorziening.5-7 Een negatief verband is waargenomen tussen de mineralen kalium en magnesium en de bloeddruk. Tussen groepen patiënten werd een positief verband gevonden tussen de inneming en uitscheiding van natrium en de bloeddruk, maar binnen deze groepen meestal niet. Ook zijn er aanwijzingen voor een mogelijk gunstige betekenis van calcium.

Bij ouderen is weinig bekend over de samenhang tussen bloeddruk en mineralenvoorziening. Aangezien een goede voeding een aanvulling op of een vervanging van medicamenteuze therapie zou kunnen zijn, is bij Nederlandse ouderen meer inzicht in de omvang en de aard van hypertensie, en in de mogelijke betekenis van voedingsvariabelen wenselijk.

PatiËnten en methoden

Patiënten

Het Instituut CIVO-Toxicologie en Voeding TNO heeft in 1984‘85 een landelijk onderzoek naar de voeding en de voedingstoestand van zelfstandig wonende ouderen uitgevoerd.8 Opzet en methoden van het onderzoek werden goedgekeurd door de externe Medisch-Ethische Commissie van ons instituut. Bij de onderzoeksopzet werd uitgegaan van 540 respondenten. Met behulp van bevolkingsregisters van 18 gemeenten werd een aselecte, naar gemeenten en personen getrapte steekproef getrokken. In elke regio (noord, oost, zuid en west) werden 2 gemeenten getrokken met 20.000 of minder inwoners en 2 gemeenten met een inwonersaantal tussen 20.000 en 400.000; tevens werden 2 van de 3 grote steden (met meer dan 400.000 inwoners) geselecteerd. Per gemeente werden 15 mannen en 15 vrouwen in het onderzoek betrokken, evenredig verdeeld over 3 leeftijdscategorieën (65-69, 70-74 en 75-79 jaar). Als van een persoon niet voldoende gegevens werden verkregen, werd een ander (volgorde aselect getrokken) met dezelfde kenmerken (zelfde stratum) benaderd. Selectiecriteria waren: 65-79 jaar, ogenschijnlijk gezond, zelfstandig wonend en van blank ras. Alle respondenten moesten zelfstandig kunnen deelnemen aan alle onderdelen van het onderzoeksprotocol.

Op grond van het selectiecriterium ogenschijnlijk gezond kon 6 van de oorspronkelijke steekproef uitgesloten worden (belangrijkste reden was – recente – opname in ziekenhuis: 31). Van de 1118 benaderde, ogenschijnlijk gezonde personen namen er 590 deel aan het onderzoek naar de voedselconsumptie. De non-respons bedroeg 47, waarvan 83 wegens weigering van deelname aan het onderzoek afzag. Bij 530 ouderen (266 mannen en 264 vrouwen) werd de bloeddruk tweemaal gemeten. Deze ouderen werd eveneens naar de gebruikelijke voeding gevraagd; 520 ouderen verzamelden één 24-uursurine.

Gegevensverzameling

Het onderzoek bestond uit 2 gedeelten. Tijdens een huisbezoek verzamelde één van de 15 speciaal getrainde diëtisten met behulp van een aan de huidige Nederlandse situatie aangepaste kruisvraagmethode gegevens over de gebruikelijke voeding.9 Tevens werd nagegaan of de respondent een dieet volgde.

– In de periode tussen het huisbezoek van de diëtist en dat van de arts werd een 24-uursurine verzameld. Het huisbezoek van de arts hield in een vraaggesprek en het opnemen van een klinische anamnese. Bij dit bezoek werd onder andere gevraagd naar het geneesmiddelengebruik en werd de naam van het geneesmiddel van de verpakking overgenomen.

– De diastolische (Korotkoff-fase IV of V) en de systolische bloeddruk (Korotkoff-fase I) werden tweemaal gemeten met een geijkte kwikmanometer (Miniatuur 300) met een manchet van 12 x 23 cm, nadat de respondent ten minste 5 minuten rustig had gezeten. De Korotkoff-fase IV (zachter worden van de tonen) werd gebruikt als de Korotkoff-fase V (het verdwijnen van de tonen) niet waarneembaar was. Wanneer het verschil tussen de eerste en tweede verrichte meting meer dan 10 was, werd een nieuwe meting gedaan, eveneens tweemaal.

– Ook werd er een venapunctie verricht voor hematologisch en biochemisch onderzoek.

– Enkele lichaamsmaten, waaronder lengte en gewicht, werden gemeten.

Gegevens over de onderzoeksopzet, de onderzochte patiënten en de algemene resultaten zijn elders gepubliceerd.10

Laboratoriumonderzoek

In de met zoutzuur aangezuurde 24-uursurine werden het natrium- en kaliumgehalte bepaald met behulp van atomaire-absorptie-spectrofotometrie.11 De calcium- en magnesiumconcentraties werden colorimetrisch gemeten.1213 De vaststelling van het creatininegehalte in urine en serum was gebaseerd op de colorimetrische bepaling van het reactieprodukt van creatinine en picrinezuur.14 De uitscheiding per 24 uur werd verkregen door het volume van de urine te vermenigvuldigen met de concentratie in de urine van het betreffende materiaal.

Gegevensverwerking

De voedingsenquêtes werden op gestandaardiseerde wijze uitgewerkt en gecodeerd volgens het UCV-systeem,15 waarbij gebruik werd gemaakt van het ‘Maten en gewichten codeboek’.16 Vervolgens werd met gebruikmaking van standaardprogrammatuur en het Nederlandse Voedingsstoffen Bestand (NEVO) van 1984 de individuele inneming van energie en nutriënten voor een gemiddelde weekdag berekend.15 De gebruikte geneesmiddelen werden met behulp van het Geneeskundig Jaarboek 1984 ingedeeld naar al of niet bloeddrukverlagend effect of bijwerkingen.17 In de groep ouderen die geen bloeddrukverlagende geneesmiddelen gebruikte, werd de prevalentie van normotensie (systolische bloeddruk 18

Verschillen in inneming en uitscheiding van voedingsstoffen tussen personen met normale bloeddruk en personen met hypertensie werden met lineaire regressie bestudeerd, waarbij werd gecorrigeerd voor leeftijd. De bestudeerde voedingsstoffen waren hierbij de afhankelijke variabelen, leeftijd en bloeddrukcategorie de onafhankelijke variabelen. Deze onderzoekingen werden apart voor mannen en vrouwen uitgevoerd in de groep waarin geen bloeddrukverlagende medicijnen en diëten werden gebruikt. Om inzicht te geven in het waargenomen gemiddelde niveau en de variatie werden in de tabellen de ongecorrigeerde gemiddelden en standaarddeviaties weergegeven.

Resultaten

In tabel 1 is de gemiddelde systolische en diastolische bloeddruk van 530 onderzochte ouderen weergegeven, gesplitst naar geslacht en geneesmiddelengebruik. Circa twee derde van de ouderen (62) gebruikte één of meer geneesmiddelen (mannen 57, vrouwen 66). Ongeveer 35 van de mannen en 41 van de vrouwen gebruikten één of meer geneesmiddelen met een bloeddrukverlagende werking.

Van ouderen die geen bloeddrukverlagende geneesmiddelen gebruikten, behoorden 38 van de mannen en 51 van de vrouwen tot de categorie ‘hypertensief’. Geïsoleerde systolische hypertensie kwam bij 20 van de ouderen voor (mannen 19, vrouwen 20). Als ouderen die bloeddrukverlagende geneesmiddelen gebruikten, ook als hypertensief worden beschouwd, waren de prevalenties 58 voor de mannen en 68 voor vrouwen.

Binnen de totale onderzochte groep volgde 29 van de ouderen een dieet; van hen beperkte de helft (54) het natriumgebruik. Van de ouderen die geen bloeddrukverlagende medicijnen gebruikten, volgden 15 van de mannen en 16 van de vrouwen een dieet waarvan 13 respectievelijk 38 een natrium-beperkt dieet.

Tabel 2 geeft voor normotensieve en hypertensieve mannen en vrouwen die geen bloeddrukverlagende geneesmiddelen gebruikten en (of) een dieet hielden, de inneming van voedingsstoffen en de excretie van mineralen met de 24-uursurine weer. De voor leeftijd gecorrigeerde verhouding tussen natrium en kalium en tussen kalium en creatinine in de 24-uursurine is bij mannen met hypertensie statistisch significant hoger respectievelijk lager dan bij mannen met normale bloedduk. Bij vrouwen met hypertensie zijn de calciumexcretie per 24 uur en de verhouding tussen calcium en creatinine hoger dan bij vrouwen met normale bloeddruk.

In tabel 3 zijn, afzonderlijk voor mannen en vrouwen, de correlatiecoëfficiënten weergegeven tussen leeftijd en creatinineklaring enerzijds en inneming respectievelijk excretie van mineralen anderzijds. Uit deze tabel blijkt dat de kaliumexcretie (mannen), de verhouding tussen natrium en kalium (mannen) en de calciumexcretie (vrouwen) in de 24-uursurine afhankelijk van de leeftijd waren. Er bestond zowel bij de mannen als bij de vrouwen een positief verband tussen de creatinineklaring en de excretie van de mineralen. Na splitsing naar mannen zonder en met hypertensie bleken de correlatie-coëfficiënten tussen de creatinineklaring enerzijds en de uitscheiding van kalium (r = 0,32 resp. r = 0,62) en van magnesium (r = 0,10 resp. r = 0,35), en de verhouding tussen natrium en kalium (r = -0,04 resp. r = -0,28) anderzijds hoger te zijn in geval van hypertensie dan in geval van normale tensie. Er bestond een duidelijk verschil in correlatiecoëfficiënt tussen de creatinineklaring en de calciumexcretie bij de vrouwen met normale tensie (r = 0,12) en de vrouwen met hypertensie (r = 0,58).

Beschouwing

Slechts 6 van de onderzochte patiënten voldeed niet aan het selectiecriterium ogenschijnlijk gezond. De respons in ons onderzoek bedroeg 53 In verschillend bevolkingsonderzoekingen is bij ouderen een lagere respons geconstateerd dan bij jongere volwassenen.1920 Hoewel door non-respons een vertekening van de resultaten kan zijn ontstaan, bleken de verschillen tussen respondenten en de niet-respondenten niet te liggen op het gebied van woonvorm en burgerlijke staat. Ook bleken gegevens als burgerlijke staat (per geslacht en leeftijdscategorie) van de respondenten en percentage ouderen dat een éénmalige uitkering had ontvangen, goed overeen te komen met gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.21

In verschillende Nederlandse onderzoekingen bij ouderen zijn vergelijkbare gemiddelde waarden voor de (systolische en diastolische) bloeddruk en de Quetelet-index vastgesteld.4622 Het ontbreken van verschillen tussen regio's en urbanisatiegraden voor wat betreft bloeddruk en Quetelet-index van zelfstandig wonende ouderen komt hiermee overeen.10 Ook de gemiddelde inneming van kalium en calcium en de excreties van mineralen (eventueel met uitzondering van magnesium) zijn in overeenstemming met hetgeen eerder in Nederlands onderzoek is geconstateerd.622

Bij circa 40 van de onderzochte hypertensieve ouderen vindt geen medicamenteuze behandeling van de hypertensie plaats. Mogelijk is er te weinig controle van de huisarts en (of) wordt er in de praktijk niet uitgegaan van de grenzen van 160 mmHg en 95 mmHg die door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) worden aangegeven.18 Overigens is in ons onderzoek de prevalentie van hypertensie waarschijnlijk enigszins overschat, daar de bloeddruk slechts bij één gelegenheid is gemeten.23 Bij de meerderheid van de hypertensieve ouderen die geen bloeddrukverlagende geneesmiddelen gebruikten (53 van de mannen, 69 van de vrouwen), was echter de systolische bloeddruk ? 170 mmHg en (of) de diastolische bloeddruk ? 100 mmHg.

Ouderen met en zonder hypertensie blijken niet te verschillen in de inneming van energie en onderzochte voedingsstoffen, maar wel in de calciumexcretie met de 24-uursurine (vrouwen) en in de verhoudingen tussen natrium en kalium (mannen), tussen kalium en creatinine (mannen) en tussen calcium en creatinine (vrouwen). Bij de onderzochte mannen blijkt er tussen de berekende kaliuminneming en de leeftijd geen statistisch significante negatieve samenhang te bestaan, maar tussen de kaliumexcretie met de 24-uursurine en de leeftijd wel. Het verband tussen de creatinineklaring enerzijds en de kaliumuitscheiding en de verhouding tussen natrium en kalium anderzijds blijkt bij mannen met hypertensie groter te zijn dan bij mannen met normale bloeddruk. Wellicht duidt de lagere kaliumexcretie per mmol creatinine bij mannen met hypertensie erop dat de beschikbaarheid van kalium van belang is bij deze ouderen. Deze excretie geeft globaal aan wat de beschikbaarheid per kg spiermassa is geweest, omdat de creatinine-excretie per kg spiermassa redelijk constant is.24 Mineralen hebben vooral invloed op fysiologische processen in vetvrije massa. Hierdoor sluit de excretie per mmol creatinine mogelijk beter aan bij fysiologische processen die ten grondslag liggen aan het verband tussen bloeddruk en mineralen. Tevens wordt hierdoor enigszins rekening gehouden met de mogelijkheid van een niet volledig verzamelde 24-uursurine.

In het algemeen neemt de calciumabsorptie af met de leeftijd.25 In ons onderzoek is bij vrouwen de calciuminneming niet leeftijdafhankelijk, maar bestaat er tussen de calciumexcretie en de leeftijd een negatief verband. Waarschijnlijk heeft niet de inneming maar de beschikbaarheid van calcium invloed op de bloeddruk. Het in ons onderzoek aangetoonde positieve verband tusssen de calciumexcretie en de bloeddruk bij oudere vrouwen dat ook in andere onderzoekingen werd vastgesteld,26-28 is hiermee in overeenstemming. Bovendien bleek er bij vrouwen (vooral in geval van hypertensie) een positief verband te bestaan tussen de calciumexcretie en de creatinineklaring.

De mineralenvoorziening is dus in combinatie met verouderingsprocessen mogelijk van belang bij de regulatie van de bloeddruk op oudere leeftijd. Hoewel verhoogde bloeddruk doorgaans een negatieve invloed heeft op de nierfunctie, blijken de patiënten in de verschillende bloeddrukcategorieën niet statistisch significant te verschillen in creatinineklaring. Aangezien dit onderzoek transversaal van opzet was, bestaat er altijd enige twijfel over wat oorzaak en wat gevolg is. De verschillen in excretie van mineralen tussen ouderen met en ouderen zonder hypertensie kunnen oorzakelijk verband houden met de bloeddruk (bijvoorbeeld lagere beschikbaarheid), maar ook het gevolg zijn van hypertensie. Te meer daar wel statistisch significante verschillen in excretie van mineralen maar niet in inneming zijn waargenomen. De inneming is bovendien minder nauwkeurig vastgesteld, omdat voor de berekening gebruik is gemaakt van enquêtegegevens.

Interventie-onderzoek waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van een voor ouderen specifieke fysiologie, zal moeten uitwijzen of voedingsvariabelen (met name kalium en de verhouding tussen natrium en kalium bij mannen, en calcium bij vrouwen) een alternatief voor of aanvulling op het medicamenteus behandelen van hypertensie op oudere leeftijd kunnen betekenen.

Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van het voedingspeilingssysteem met financiële steun van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Literatuur
  1. Kannel WB. Nutrition and the occurrence and prevention ofcardiovascular disease in the elderly. Nutr Rev 1988; 46: 68-78.

  2. Amery A, Fagard R, Lijnen P, Staessen J. Effects of agingon cardiovascular functions. Ingelheim: Boehringer, 1983.

  3. Garland C, Barrett-Connor E, Suarez L, Criqui MH. Isolatedsystolic hypertension and mortality after age 60 years. A prospectivepopulation-based study. Am J Epidemiol 1983; 118: 365-76.

  4. Hofman A, Tanja TA, Valkenburg HA. Een epidemiologischonderzoek onder bejaarden (EPOZ). I. Algemene karakteristieken van bejaardenin de open bevolking. Nederlands Tijdschrift Gerontologie 1979; 4:187-94.

  5. Maxwell MH, Waks UA. Cations and hypertension: sodium,potassium, calcium and magnesium. Med Clin North Am 1987; 71:859-75.

  6. Kromhout D, Bosschieter EB, Lezenne Coulander C de.Potassium, calcium, alcohol intake and blood pressure: the Zutphen study. AmJ Clin Nutr 1985; 41: 1299-304.

  7. Kok FJ, Vandenboucke JP, Heide-Wessel C van der, Heide RMvan der. Dietary sodium, calcium and potassium and blood pressure. Am JEpidemiol 1986; 123: 1043-8.

  8. Löwik MRH, Hermus RJJ. The Dutch nutritionsurveillance system. Food Policy 1988; 13: 359-65.

  9. Burke BS. The dietary history as a tool in research. J AmDiet Assoc 1947; 23: 1041-6.

  10. Löwik MRH, Westenbrink S, MeulmeesterJF, et al.Onderzoek naar de voeding en voedingstoestand van zelfstandig wonende mensenvan 65 tot 80 jaar. Voeding 1987; 48: 177-91.

  11. Paschen K, Fuchs C. A new micro-method for sodium,potassium, calcium and magnesium determination in a single serum dilution byatomic-absorption spectrophotometry. Clin Chim Acta 1971; 35:401-8.

  12. Schwarzenbach G. The complex ions and their analyticalapplication. Analyst 1955; 80: 713.

  13. Mann CK, You JH. Spectrophotometric determination ofmagnesium with sodium 1-azo-2-hydroxy-3(2,4dimethylcarboxanilido)-naphtalene-1-(2-hydroxybenzene-5-sulfonate). Anal Chem1956; 28: 202-5.

  14. Siedel J, Mollerin H, Ziegenhorn J. Sensitive colarreagent for the enzymatic determination of creatinine. Clin Chem 1984; 30:968.

  15. Hautvast JGAJ. Ontwikkeling van een systeem om gegevensvan voedingsenquêtes met behulp van een computer te verwerken. Voeding1975; 36: 356-60.

  16. Westenbrink S. Maten, gewichten en codenummers 1984.Rapport nr V84.342040040. Zeist: CIVO Instituten TNO, 1984.

  17. Nefarma. Repertorium farmaceutische specialités1984. Haarlem: De Toorts, 1983.

  18. WHO. Arterial hypertension. WHO Tech Rep Ser 1978; nr.628.

  19. Forthofer RN. Investigation of nonresponse bias in NHANESII. Am J Epidemiol 1983; 117: 507-15.

  20. Haveman HB. Deelname aan bevolkingsonderzoek inNederland. Tijdschrift Sociale Gezondheidszorg 1985; 63: 649-53.

  21. Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch Jaarboek1984. 's-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1984.

  22. Binsbergen JJ van. Zoutcomsumptie en bloeddruk in eenhuisartsenpraktijk. Maastricht, 1986. Proefschrift.

  23. Gifford RW. Myths about hypertension in the elderly. MedClin North Am 1987; 71: 1003-11.

  24. Heymsfield SB, Arteaga C, McManus C, Smith J, Moffitt S.Measurement of muscle mass in humans: validity of the 24-hour urinarycreatinine method. Am J Clin Nutr 1983; 37: 478-94.

  25. Allen LH. Calcium bioavailability and absorption: areview. Am J Clin Nutr 1982; 35: 782-808.

  26. Staessen J, Bulpitt C, Fagard R, Joossens JV, Lijnen P,Amery A. Four urinary cations and blood pressure, a population study in twoBelgian towns. Am J Epidemiol 1983; 6: 676-87. 77

  27. Kesteloot H, Geboers J.Calcium and blood pressure. Lancet1982; i: 813-5.

  28. Strazzullo P, Nunziata V, Cirillo M, et al. Abnormalitiesof calcium metabolism in essential hypertension. Clin Sci 1983; 65:137-41.

Auteursinformatie

Instituut CIVO-Toxicologie en Voeding TNO, afd. Voeding, Postbus 360, 3700 AJ Zeist.

Ir.Z.Hofman, voedingskundige; drs.ir.M.R.H.Löwik, voedingskundige en bedrijfskundige; dr.J.Odink, biochemicus; dr.ir.F.J.Kok, voedingskundige-epidemioloog.

Contact drs.ir.M.R.H.Löwik

Gerelateerde artikelen

Reacties