Onaangename lichaamsgeuren. I. Hyperhidrosis
Open

Richtlijnen
13-05-1986
V.J. de Ru en R. van Spronsen

INLEIDING

Tussen lichaamsgeur en liefde wordt, zoals door de eeuwen heen gebeurde, ook nu nog verband gelegd en zelfs nu we allemaal over warm water en zeep beschikken blijft de parfumerie in stand.12 De lichaamsgeur wordt geassocieerd met sociale acceptatie en waardering, hetgeen een drempel opwerpt om met een klacht over onaangename lichaamsgeur de huisarts te bezoeken. Iedereen weet wat lichaamsgeur is, doch de toevoeging van het woord onaangenaam is onderhevig aan vele invloeden: het is cultuur- en rasgebonden, maar ook individueel bepaald en zelfs ziekte-afhankelijk, zowel psychisch als lichamelijk.3 Door een adaptatie in het neusslijmvlies wordt de onaangename geur meestal door de patiënt zelf niet meer opgemerkt;4 hij of zij zal er door een ander attent op moeten worden gemaakt, hetgeen voor de verteller geen gemakkelijke taak is. Ook zal het artsen soms moeilijk vallen een onaangename lichaamsgeur in de diagnostiek te betrekken. De kans is groot dat op het moment dat de patiënt de klacht uit, de geur al langere tijd bestaat.

Tabel 1 geeft een overzicht van aan de geur te herkennen ziektebeelden.256 Wij willen ons echter in deze artikelenserie ‘kleine kwalen in de huisartsgeneeskunde’ beperken tot de volgende drie onderwerpen:

I. Hyperhidrosis (overmatig zweten, met als synoniemen: bromhidrosis, bromosis, ‘excessive sweating’, hyperhidrosis pedis).

II. Flatulentie (winderigheid, met als synoniemen: ‘malodorous flatulence’, ‘objectionable flatulence’, ‘Blähbeschwerden’, meteorisme).

III. Fetor ex ore (onwelriekende adem, met als synoniem: halitosis).

In geen enkele internationaal geaccepteerde classificatie van ziekten, gezondheidsproblemen en redenen om de arts te raadplegen worden deze drie vormen van onaangename lichaamsgeur duidelijk in afzonderlijke rubrieken geclassificeerd. Wat niet geclassificeerd is, kan niet geteld worden en wat niet geteld is, komt in de geneeskunde zelden in hoog aanzien. De door ons over deze onderwerpen verzamelde literatuur reikt, op een enkele oudere bron na, tot vijf jaar terug.

HYPERHIDROSIS

Hoe ontstaat hyperhidrosis en hoe de onaangename geur?7-10

Zweten staat onder invloed van het sympathische zenuwstelsel; catecholaminebevattende zenuwen zijn aangetoond rondom zweetklieren. Er zijn twee soorten zweetklieren, de apocriene en de eccriene. De apocriene klieren (in de oksel en areola mammae) veroorzaken in de oksel zweetlucht. Als het zweet daar het huidoppervlak bereikt, is het reukloos, maar huidbacteriën breken het af tot aromatische korte-keten-vetzuren, welke de geur veroorzaken. De eccriene klieren worden tot zweetproduktie aangezet door warmte, inspanning of emotie. Deze prikkels zetten het sympathische zenuwstelsel aan waardoor aan de cholinergische zenuwuiteinden rondom de zweetklier acetylcholine vrijkomt.

Hyperhidrosis kan het gevolg zijn van een normaal fysiologisch proces; hierbij kan men denken aan de invloed van een warm klimaat, zware inspanning, de menstruatie en het climacterium, het eten van hete spijzen en een (bacteriële) infectie. Door al deze invloeden wordt de thermostaat van de hypothalamus anders ingesteld met verandering van de lichaamstemperatuur als gevolg. Maar ook zonder aanwijsbare reden kan op de handpalmen, op de voetzolen, in de oksels en over het gehele lichaam overmatig zweten optreden. Dit zweten wordt meestal voorafgegaan door emotie, warmte of inspanning en is soms familiaal bepaald.8 De gemiddelde aanvangsleeftijd is veertien jaar; na enige jaren kan deze idiopathische hyperhidrosis spontaan verdwijnen.

Anamnese

De klachten houden verband met zweetlucht, zweetplekken in de kleren, kosten van de te vervangen kleding en last met alledaagse handelingen, zoals het vasthouden van glazen, pennen, mes en vork. Dit laatste kan zelfs leiden tot afkeuring voor het werk, bijv. als elektromonteur. Daarnaast telt vooral de psychische belasting zwaar.1112 Anamnese en onderzoek moeten er op gericht zijn idiopathische hyperhidrosis te onderscheiden van overmatig zweten, veroorzaakt door slechte hygiëne, bepaalde medicamenten, of algemene ziekten. Nauwkeurig dient te worden gevraagd:

– of de patiënt hinder ondervindt van overmatige zweetlucht óf van het overmatig zweten;

– onder welke omstandigheden het zweten optreedt;

– de hoeveelheid geproduceerd zweet (druipt het van de huid af?);91314

– welke maatregelen de patiënt zelf al heeft genomen om dit zweten tegen te gaan;

– welke medicamenten gebruikt worden;81516

– hoeveel hinder van de klacht wordt ondervonden.

Differentiële diagnose

In de differentiële diagnose van idiopathische hyperhidrosis staan:

a. bij gelokaliseerde hyperhidrosis:8915

– in het gezicht: (1) aangezichtszweten als uiting van diabetische neuropathie van het autonome zenuwstelsel; (2) soortgelijke verschijnselen kunnen door de ziekte van Parkinson ontstaan; (3) auriculotemporaal syndroom (Frey-syndroom).

– eenzijdig thoracaal: door ingroei van een bronchuscarcinoom in een intercostale zenuw;

– een halsrib die op perifere zenuwen drukt;

– pachyonychia congenita.

b. bij gegeneraliseerd overmatig zweten:89121617 thyreotoxicose, hyperpituitarisme, feochromocytoom, pyrexie, hypoglykemie, ziekte van Hodgkin, tuberculose, syndroom van Riley-Day (familiaire dysautonomie), ook medicamenteus door tricyclische antidepressiva en fluspirileen (Imap).816

c. alleen met zweetlucht gepaard gaand:6 ‘sweaty feet’-syndroom 1 en 2, ichthyosis vulgaris.

d. noch met zweetlucht, noch met overmatig zweten gepaard gaand: monosymptomatisch hypochondrisch syndroom (= autodysomofobia = olfactory reference syndroom). De patiënt denkt dat hij zichzelf ruikt en handelt hier ook naar door zich veelvuldig te wassen en te verkleden en zich te isoleren. Dit syndroom komt het meest voor bij mannen (78), alleenstaanden (75) en op een gemiddelde leeftijd van 25,4 jaar.13

Therapie

Hygiënische maatregelen moeten als eerste worden genoemd en dienen aan alle andere therapie vooraf te gaan. Vooral denken we hierbij aan het iedere dag wassen van het lichaam, verschonen van kleding, dragen van natuurlijke vezels (katoen, wol in plaats van synthetische vezels) en het dragen van leren schoenen. Een overzicht van de in de literatuur beschreven therapie vindt men in tabel 2.

De meeste patiënten zullen alle bekende deodorantia en antitranspiratiemiddelen met weinig succes geprobeerd hebben.7121523 Deodorantia bevatten evenals de vaak toegepaste formaline 3-10 en chloorhexidine 0,1-oplossingen over het algemeen als werkzaam bestanddeel een stof met bactericide werking ter onderdrukking van de groei van de bacterieflora op de huid; verder zijn hulpstoffen, die o.a. de applicatie vergemakkelijken, toegevoegd. Tevens bevatten ze meestal een reukstof die het produkt een zekere identiteit verschaft en die eventuele geuren camoufleert.23 Antitranspiratiemiddelen hebben tot doel de transpiratie te onderdrukken. Dit geschiedt meestal met aluminium- en aluminiumzirkoonverbindingen, vaak gecombineerd met een antimicrobieel werkzame stof.23 Als medicatie zullen de patiënten ook anticholinergica en tranquillizers beproefd hebben.7-9121315 De vaak pijnlijke cryotherapie loopt dikwijls uit op een desillusie.8915

De in de literatuur het meest als succesvol beschreven vormen van behandeling worden hierna in het kort besproken.

Antitranspiratiemiddelen.

Lokale applicatie van antizweetstrooipoeder FNA en antizweetvloeistof FNA; indien dit niet helpt, aluminiumchloridehexahydraat.81215192022 De oplossing van 20 aluminiumchloride-hexahydraat in 99 methylalcohol dient men 's nachts in de oksel of op de overmatig zwetende extremiteit aan te brengen. 's Morgens wast men de oplossing weer af en men brengt dan hydrocortisoncrème 1 FNA aan tegen eventuele huidirritatie. Dagelijks appliceren tot er verbetering optreedt, daarna is éénmaal per week aanbrengen van de oplossing voldoende. Om het effect te versterken kan plastic occlusie gebruikt worden. De werking van deze oplossing berust op beschadiging van de uitmonding van de zweetgangen.815192022

Iontoforese.

Deze methode berust ook op het afsluiten van de zweetgangen, ditmaal echter door stroom (20 milliampère) door de huid te leiden.7-9151821 De stroom zal, de weg van de minste weerstand kiezend, door de zweetgangen gaan. Hierdoor worden deze beschadigd, wat abnormale keratinisatie tot gevolg heeft, met hyperkeratotische pluggen in de uitmondingen van de zweetklieren. Als geleidingsmedium wordt óf kraanwater óf een anticholinergische oplossing gebruikt; deze laatste werkt beter maar geeft wel kans op bijwerkingen (droge mond, mydriasis, mictiestoornis). Deze methode is zeer geschikt voor toepassing op de handen of voeten, maar in de oksel is het resultaat ervan wisselend.

Sympathectomie en chirurgie.

Hoewel de meningen over de werkzaamheid van sympathectomie nogal verdeeld zijn,7-91115 beschrijven Bogokowsky et al. 42 patiënten van wie 41 na supraclaviculaire extrapleurale sympathectomie erg tevreden waren over het resultaat.11 Drie andere chirurgische methoden zijn: (1) de operatie volgens Skoog (subcutane verwij dering van zweetklieren na het omklappen van de huidlappen),715 (2) excisie van huid en zweetklieren,7815 (3) subcutane curettage van de zweetklieren.7 Een combinatie van deze drie methoden is ook mogelijk. Ondanks complicaties worden van deze chirurgische methoden goede resultaten gezien.7-912

Psycho-evt. gedragstherapie.

Lerer et al. hebben in een casuïstische mededeling de goede resultaten van psychotherapie beschreven.14 Ter behandeling van de illusionaire bromosis zijn monoamino-oxydaseremmers en neuroleptica (haloperidol) aanbevolen.13 Gedragstherapie kan de sociale aanpassing van patiënten verbeteren.13

CONCLUSIE

Hyperhidrosis is een vaak voorkomende klacht, die echter slechts zelden tegenover de huisarts als zodanig wordt geuit. Het is een ongemak dat eerst goed onderscheiden moet worden van op andere wijze te behandelen kwalen. Vervolgens dienen de omstandigheden waaronder de hyperhidrosis zich voordoet, de persoonlijke hygiëne, evenals het antideodorant-antitranspiratiemiddelgebruik van de patiënt te worden nagegaan. Plaatselijk kan men solutio antihyperhidroticum FNA toepassen, of 20 aluminiumchloride-hexahydraatoplossing in 99 methylalcohol. Wanneer dit niet helpt, kan men de patiënt verwijzen naar een centrum voor iontoforese, operatieve behandeling of psycho(gedrags)therapie.

Literatuur

  1. Dahl R, Switch bitch. Bungay (Suffolk): Chancer Press,Penguin Books, 1982.

  2. Dunning AJ. Chanel no 5, NRC-Handelsblad.

  3. Vickers ZM, Nielson SS, Theologides A. Odor aversion incancer patients. Minn Med 1981; 64: 277-9.

  4. Marcu A. Let's talk about bad breath. NY J Dent 1979;49: 231-3.

  5. Lockman DS. Olfactory diagnosis. Cutis 1981; 27:645-7.

  6. Eastham RD. A pocket guide to differential diagnosis.Bristol: John Wright and Sons, 1980.

  7. Peters WJ. Treatment of axillary hyperhidrosis. Cutis1982; 29: 366-8.

  8. Grice K. Special symposium of dermatological therapy. ClinExp Dermatol 1982; 7: 183-8.

  9. Grice K. Hyperhidrosis and its treatment by iontophoresis.Physiotherapy 1980; 66: 43-4.

  10. Ganong WF. Review of medical physiology. 8e ed. LosAltos, California: Lange Medical publications, 1977.

  11. Bogokowsky H, Slutzki S, Bacalu L, Abramsohn R, Negri M.Surgical treatment of primary hyperhidrosis. Arch Surg 1983; 118:1865-7.

  12. Ellis H, Scurr JH. Axillary hyperhidrosis, topicaltreatment with aluminium chloride hexahydrate. Postgrad Med J 1979; 55:868-9.

  13. Bishop Jr ER. Monosymptomatic hypochondriacal syndromesin dermatology. J Am Acad Dermatol 1983; 9: 152-8.

  14. Lerer B, Jacobowitz J. Treatment of essentialhyperhidrosis by psychotherapy. Psychosomatics 1981; 22: 536-8.

  15. Christensen JD. Behandling af svedgener. Ugeskr Laeger1983; 145: 2536-8.

  16. Kalis D, Oever GH ten, Erdmann JF. Fluspirilene in thetreatment of psychosomatic complaints in hypochondrical patients. ActaPsychiatr Belg 1980; 80: 321-8.

  17. Harrison's Principles of Internal Medicine. 9e ed.Tokyo: McGraw-Hill Kogakusha, 1980.

  18. Peterson JL, Read SJ, Rodman OG. A new device in thetreatment of iontophoresis. Cutis 1982; 29: 82-3, 87-9.

  19. Yarrow H. Treatment of axillary hyperhidrosis (letter).Br Med J 1980; 281: 683.

  20. Tucker WF. Treatment of axillary hyperhidrosis (letter).Br Med J 1980; 281: 520.

  21. Levit F. Treatment of hyperhidrosis by tap wateriontophoresis. Cutis 1980; 26: 192-4.

  22. Bedford B, McKinnon EV. Treatment of hyperhidrosis(letter). Br Med J 1979; ii: 1225.

  23. Rundervoort GJ, Liem DH, Rooselaar J, Assink-GeverinckJMB. Cosmetica rapport no 26. Deodorant en antitranspiratiemiddelen.Keuringsdienst van waren voor het gebied Enschede. April1982.