Artikel
Inleiding
Elk jaar wordt in Nederland bij bijna 1000 mensen een primaire hersentumor vastgesteld, waarvan het glioom de meest voorkomende is.1 De mate van kwaadaardigheid van een glioom wordt, op grond van histologische criteria, uitgedrukt in gradaties.2 Naarmate een glioom een hogere maligniteitsgraad heeft (‘hooggradiger’ is), is de…
(Geen onderwerp)
Utrecht, juni 1994,
Collega Twijnstra et al. beschrijven de ziektegeschiedenissen van 4 patiënten met een laaggradig glioom (1994;1131-4). Naar onze mening kan op grond van hun gegevens geen uitspraak worden gedaan over het nut van enigerlei therapie. De auteurs maken summier melding van mogelijke bijwerkingen van slechts één therapiemodaliteit, te weten de radiotherapie.
Taphoorn et al. rapporteerden gegevens betreffende de kwaliteit van leven van patiënten (leeftijd van 17 tot 65 jaar) die participeerden een trial van de European Organization for Research and Therapy of Cancer.1 De congnitieve, affectieve en psychosociale toestand van patiënten met en zonder radiotherapie waren identiek. Men concludeert dan ook dat dit type klachten bij deze patiënten veroorzaakt wordt door de primaire tumor. De andere genoemde bijwerkingen van radiotherapie zijn (klinisch) niet relevant bij de behandeling van laaggradige gliomen. Neuro-endocriene stoornissen treden praktisch alleen op bij kinderen indien zij worden bestraald op de hypofyse en (of) de hypothalamus.2 Deze stoornissen kunnen veelal adequaat worden behandeld met substitutietherapie. De kans op bestralingsnecrose is, bij het gehanteerde bestralingsschema in de genoemde EORTC-trial (54 Gy, 30 x 1,8 Gy in 6 weken), kleiner dan 1%.3
De kans op het ontstaan van secundaire tumoren na radiotherapie is in het algemeen zeer klein. In een groep van ruim 1400 patiënten, bestraald wegens non-Hodgkin-lymfoom bleek de kans op het ontstaan van leukemie 0,002% te zijn. Na behandeling met chemotherapie (met of zonder bestraling) was die kans ongeveer 5 x zo groot.4 In een ander onderzoek met 2800 patiënten die behandeld werden voor de ziekte van Hodgkin, werd secundaire leukemie manifest 5-9 jaar na bestraling. De incidentiepiek voor secundaire solide tumoren bleek over het algemeen later te liggen dan voor leukemie.56 Soortgelijke gegevens zijn niet bekend na bestraling van gliomen. Aangenomen mag worden dat de kans op het ontstaan van secundaire tumoren in die situatie zeker niet hoger is. Mede gezien de beperkte levensverwachting (10-jaarsoverleving ongeveer 20%) van patiënten met laaggradige gliomen is het wel of niet ontstaan van secundaire tumoren na radiotherapie, naar onze mening, klinisch geen relevant probleem.
Overigens zijn wij met de auteurs van mening dat alleen na een prospectief gerandomiseerd onderzoek meer duidelijkheid kan worden verkregen over het nut van postoperatieve bestraling bij deze categorie patiënten.
Taphoorn MJB, Heimans JJ, Klein Schiphorst A, Snoek FJ, Lindeboom J, Karim ABMF. The impact of radiotherapy on quality of life in lowgrade glioma patients. Eur J Cancer 1993;29a (Suppl)6:S190.
Avizonis VN, Fuller PB, Thomson JW, Walker MJ, Nilsson DE, Menlove RL. Late effects following central nervous system radiation in a pediatric population. Neuropediatrics 1992;23:228-34.
Burman C, Kutcher GJ, Emami B, Goitein M. Fitting or normal tissue tolerance data to an analytic function. Int J Radiat Oncol Biol Phys 1991;21:123-35.
Salvagno L, Simonato L, Sorara M, Bianco A, Chiaron-Sileni V, Aversa SM, et al. Secondary leukemia following treatment for Hodgkin's disease. Tumori 1993;79:103-7.
Swerdlov AJ, Douglas AJ, Vaughan Hudson G, Bennett MH, Mac-Lennan KA. Risk of second primary cancers after Hodgkin's disease by type of treatment: analysis of 2846 patients in the British National Lymphoma investigation. Br Med J 1992;304:1137-43.
Zeise L, Wilson R, Crouch EAC. Dose-response relationship for carcinogens: a review. Environ Health Persp 1987;73:259-308.
(Geen onderwerp)
Maastricht, juli 1994,
Wij danken collega Struikmans et al. voor hun commentaar.
Ten onrechte menen zij dat wij op grond van de 4 door ons beschreven patiënten uitspraken doen over het nut van de behandeling van het laaggradig glioom. Het was onze bedoeling om met deze 4 ziektegeschiedenissen de discussie te illustreren die al geruime tijd gevoerd wordt over het al dan niet behandelen. Bewust zijn wij een (onvermijdelijk retrospectieve) analyse van meerdere patiënten uit de weg gegaan, omdat juist daarmee de suggestie gewekt zou kunnen worden dat één behandelingsstrategie de voorkeur verdient boven een andere.
Wij hebben niet alleen mogelijke bijwerkingen van de radiotherapie beschreven, zoals Struikmans et al. opmerken, maar ook gewezen op het eventueel optreden van neurologische uitvalsverschijnselen wanneer de neurochirurg tracht zoveel mogelijk tumorweefsel te verwijderen: een (laaggradig) glioom is immers zelden goed af te grenzen van het omringende gezonde hersenweefsel.
Inderdaad hebben wij geen negatieve effecten van radiotherapie op cognitieve en andere kwaliteit-van-leven-parameters gevonden bij een groep volwassen patiënten met een laaggradig glioom.1 Of echter neuro-endocriene stoornissen niet relevant zijn bij de behandeling van het laaggradig glioom met radiotherapie is de vraag: Constine et al. hebben onlangs aangetoond dat bij kinderen èn volwassenen na schedelbestraling hormonale afwijkingen vaker voorkomen dan tot nu toe werd gedacht.2 Hoewel het risico van bestralingsnecrose en secundaire tumorvorming klein is, dienen de positieve effecten van radiotherapie in de behandeling van het laaggradig glioom nog te worden bewezen. Alleen een prospectief gerandomiseerd onderzoek kan hierin duidelijkheid verschaffen, hetgeen ook door Struikmans et al. wordt onderschreven.
Taphoorn MJB, Klein Schiphorst A, Snoek FJ, Lindeboom J, Wolbers JG, Karim ABMF, et al. Cognitive functions and quality of life in patients with lowgrade gliomas: the impact of radiotherapy. Ann Neurol 1994;36:48-54.
Constine LS, Woolf PD, Cann D, Mick G, McCormick K, Raubertas RF, et al. Hypothalamic-pituitary dysfunction after radiation for brain tumors. N Engl J Med 1993;328:87-94.