Versteende tumor
Open

Nieuws
23-09-2003
F. Kievits en M.T. Adriaanse

Tussen 20 en 30 jaar moet de man geweest zijn, toen hij stierf. In zijn laatste levensmaanden werd de Homo steinheimensis doorlopend gekweld door hoofdpijn en leed hij onder epileptische aanvallen en was hij waarschijnlijk gedeeltelijk verlamd. Dit alles laat zich aflezen uit een 6 mm diepe afdruk aan de binnenkant van zijn schedel, blijkbaar achtergelaten door een tumor van 365.000 jaar geleden, zegt Alfred Czarnetzki in de Süddeutsche Zeitung (19 augustus 2003). Hij is een van de Tübinger paleopathologen die de schedel uit Steinheim/Murr onderzochten. Over hun bevindingen deden de onderzoekers in een ingezonden brief in The Lancet (2003;362:408) verslag. Diagnose: intracraniaal meningeoom (hersenvliestumor).

‘Het is de oudste fossiele tumor die tot nu toe gevonden is. De locatie, de grootte van de deuk en de gladde afdruk, alles wijst richting meningeoom’, zegt Czarnetzki in het dagblad. Meningeomen zijn ‘goedaardige’ woekeringen van het hersenvlies. Maar als ze te groot worden, dan drukken ze in de nauwe schedelholte hersengedeelten ineen. Dat dit waarschijnlijk ook bij de Homo steinheimensis heeft plaatsgevonden, leidt Czarnetzki af uit het berekende tumorvolume van 29 ml. Dit komt overeen met de gemiddelde meningeoomgrootte van circa 30 ml die in onze tijd gevonden wordt. Maar door de levensomstandigheden in het Pleistoceen moet de tumor gezien het kleine hersenvolume in die tijd (1100-1200 ml ten opzichte van 1300-1800 ml nu) een flinke druk op het omringende hersenweefsel hebben uitgeoefend met als gevolg de symptomen waaraan de Homo steinheimensis geleden kan hebben.

Meningeomen hebben een jaarlijks leeftijdgecorrigeerde incidentie van 2-9 per 100.000 mensen. In het Midden-Pleistoceen zal de populatie van verzamelaars en jagers niet groter geweest zijn dan 10.000 individuen. Zulke lage aantallen tonen aan hoe zeldzaam de vondst van een fossiel meningeoom is, aldus Czarnetzki.