Medicatie voor incontinentie: bescheiden effect

Medicatie voor incontinentie: bescheiden effect
Open

Nieuws
01-05-2012
Esther van Osselen

De effecten van anticholinerge medicatie bij urine-incontinentie zijn beperkt. Meer dan 5 vrouwen moeten worden behandeld om bij 1 patiënt herstel van continentie te bewerkstelligen. Artsen moeten patiënten waarschuwen voor bijwerkingen.

Dat zijn de klinische aanbevelingen van Tatyana Shamliyan et al. van University of Minnesota (VS) naar aanleiding van hun uitgebreide meta-analyse van 94 trials met anticholinergica voor urine-incontinentie (Ann Intern Med. 2012; epub 9 april). Voor 5 middelen konden zij data uit de verschillende trials poolen en absolute risico’s berekenen. In aflopende volgorde bereikten 130 per 1000 vrouwen continentie met fesoterodine (95%-BI: 58-202), 114 met oxybutynine (95%-BI: 64-163) en 114 met trospium (95%-BI: 83-144), 107 met solifenacine (95%-BI: 58-156) en 85 vrouwen met tolterodine (95%-BI: 40-129). Omdat de betrouwbaarheidsintervallen overlappen zijn de verschillen in effectiviteit in de praktijk waarschijnlijk verwaarloosbaar. Deels geldt dit ook voor de bijwerkingen, waarbij opvalt dat ruim 6% van de vrouwen met oxybutynine stopte vanwege vervelende bijwerkingen. Voor fesoterodine, trospium en solifenacine ligt dit percentage respectievelijk rond de 3, 2 en 1%. Ook deze verschillen zijn niet significant.

De auteurs wijzen erop dat naast de veel voorkomende hinderlijke neveneffecten (droge mond, verminderd cognitief functioneren) bij polyfarmacie en comorbiditeit ook gevaarlijke bijwerkingen kunnen optreden. In ‘post-marketing surveillance’ kwam onder meer een verhoogd risico op hallucinaties naar voren, en bij gelijktijdig gebruik met antihistaminica of leverenzymremmers ook ventriculaire ritmestoornissen (relatieve risico (RR): 5,5) en acute dood (RR: 21,5). De NHG-standaard ‘Incontinentie voor urine’ adviseert reeds om na het instellen elke 3 maanden de balans tussen effect en bijwerkingen te evalueren.

(Bijdrage: Esther van Osselen.)