Internetbehandeling door niet-clinicus bij depressie en angst

Internetbehandeling door niet-clinicus bij depressie en angst
Open

Nieuws
13-07-2010
Martin Kabos
 

Cognitieve gedragstherapie (CGT) via internet onder leiding van een niet-clinicus is net zo effectief als die begeleid door een clinicus bij patiënten met een depressie of een gegeneraliseerde angststoornis. Dit concluderen de auteurs van twee Australische gerandomiseerde gecontroleerde trials (PLoS ONE. 2010;5:e10942 en PLoS ONE. 2010;5:e10939). Zowel de door een clinicus als de door een niet-clinicus begeleide internetbehandeling resulteerde in hoge effectmaten en klinisch relevante verbeteringen, vergelijkbaar met die bij reguliere behandeling. In de controlegroep (wachtlijst) was er geen verbetering.

De patiënten in de internetgroepen hadden toegang tot www.virtualclinic.org.au, waar zij in 10 weken 6 onlinelessen over CGT kregen. Ook was er wekelijks ondersteunend mail- of telefooncontact. De groep die begeleid werd door een clinicus had toegang tot een interactief internetforum, de andere groep niet. De niet-clinicus was een manager zonder klinische kennis of ervaring. Deze werkte volgens een protocol en onder supervisie van een clinicus, om de veiligheid van de deelnemers te garanderen. Aan het depressieonderzoek namen 141 patiënten deel en aan het angstonderzoek 150. De werving verliep uiteraard via internet. Vooraf screende men potentiële deelnemers op ernstiger aandoeningen en comorbiditeit en ging men na of zij aan de DSM-criteria voor depressie en angststoornis voldeden. De deelnemers vulden direct vóór en na de behandeling en 3 maanden erna de gestandaardiseerde vragenlijsten in.

Van de patiënten met een depressie werd 59% in beide behandelgroepen uiteindelijk beoordeeld als hersteld. Van degenen met een angststoornis was 60% in de technicusgroep hersteld en in de clinicusgroep 70%. Opvallend was dat de deelnemers met een depressie nog meer vooruitgingen na afloop van de behandeling in de groep die begeleid werd door de niet-clinicus. Voor een patiënt met een depressie vergde de begeleiding ongeveer 60 minuten; voor die met een angststoornis circa 5 kwartier. Deelnemers waren in hoge mate tevreden over de behandeling en 70-74% in de clinicusgroep en 80% in de andere groep voltooide de behandeling.

Auteurs noemden als beperkingen het geringe aantal deelnemers en de controlegroep die bestond uit een wachtlijstgroep en niet uit een groep die beperkte aandacht kreeg.

In een begeleidend onderzoek vergeleken zij 774 internetpatiënten met angst of depressie met 454 ambulante patiënten en 627 patiënten uit de algemene bevolking (PLoS ONE. 2010;5:e10885). De behandelde groepen hadden even ernstige stoornissen, die ernstiger waren dan die in de algemene bevolking, terwijl de demografische kenmerken van de internetgroep meer overeenkwamen met die van de algemene bevolking. Zij concluderen hieruit dat de voordelen van internetbehandeling voor een grotere populatie zouden kunnen gelden.

De auteurs concluderen dan ook: de vraag is niet óf we internettherapie als innovatief ggz-model moeten accepteren, maar meer hoe we dit op een zodanige manier kunnen doen dat deze ethisch, acceptabel, veilig en kosteneffectief is en aan de hoogste klinische standaarden voldoet. Belangrijk is een zorgvuldige intakeprocedure (via onlinevragenlijsten). Bij vermoeden van ernstige psychiatrische problemen moet men de patiënt verwijzen naar een ‘echte’ hulpverlener.

Hoogleraar Klinische Psychologie Pim Cuijpers doet aan de Vrije Universiteit in Amsterdam onderzoek naar begeleide zelfhulp via internet (Nederlands Trial Register: TC1355). In dit onderzoek kijkt men ook naar de kosten van verschillende varianten van internettherapie. Tijdens de E-Mental Health Summit 2009 in Amsterdam stelde hij in een interview met de Volkskrant (17 okt. 2009): ‘Er is geen verschil in effectiviteit tussen begeleide zelfhulp en face-to-face-therapie, en ook geen verschil in uitval’. (Bijdrage: Martin Kabos.)

Literatuur