Incidentie van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob verdubbeld.
Open

Nieuws
26-08-1993
J.B. Meijer van Putten

Incidentie van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob verdubbeld. - In de afgelopen 2 jaar is in Groot-Brittannië het aantal gevallen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob met 50 toegenomen: van 32 in 1990 via 37 in 1991 naar 48 in 1992. Het is overigens niet zeker of er hier sprake is van een werkelijke toename, want het is goed mogelijk dat het hier alleen gaat om een schijnbare stijging die het gevolg is van een verbeterde diagnostiek. De ziekte van Creutzfeldt-Jakob is immers de laatste jaren veel meer onder de aandacht gekomen als gevolg van de epidemie van ‘mad cow disease’ onder de koeien in Groot-Brittannië (Times, 29 juli).

In 1986 deden zich de eerste gevallen voor van een geheel onbekende spongiforme degeneratieve hersenaandoening onder de Britse koeien. Dieren met deze ziekte vertonen van de ene op de andere dag opeens een grillig, schrikachtig gedrag. Ze schoppen bij het melken en slaan op hol als er een auto langsrijdt. Die karakterverandering is het eerste onopvallende teken van de aandoening, die men daarom ‘mad cow disease’ noemde. De zieke koeien gaan later, na een fase van verlammingen, allemaal dood. Bij koeien die aan deze ziekte gestorven waren, bleek in de hersenen een spongiforme degeneratie aanwezig. Er was verlies van neuronen en gliosis, zonder waarneembare ontstekingsverschijnselen of immunologische reacties. Onder de elektronenmicroscoop waren abnormale fibrillaire structuren (‘scrapie associated fibrils’) zichtbaar. De officiële naam voor de ziekte werd daarom ‘boviene spongiforme encefalopathie’ (BSE).

De aandoening greep als een epidemie om zich heen. Doordat er een duidelijke parallel bestaat tussen het beeld van deze ziekte en dat van scrapie, een besmettelijke ziekte bij schapen, kwam men al snel tot de hypothese dat de koeien BSE hadden gekregen door het eten van vleesafval van aan scrapie gestorven schapen. Epidemiologische bevindingen leken dit te onderbouwen. De kadavers van schapen werden in Groot-Brittannië tot vleesmeel verwerkt bij temperaturen van rond 105°C. Dat is een te lage temperatuur om de verwekker van de scrapie te doden. Die verwekker is een nog niet geheel geïdentificeerd infectieus deeltje, een ‘slow virus’, of misschien zelfs een infectieus eiwit, een prion.

Er ontstond daarop grote onrust onder de Britse bevolking. Er was al eens geopperd dat de ziekte van Creutzfeldt-Jakob, ook een spongiforme encefalopathie, maar dan bij de mens, veroorzaakt werd door het eten van besmet schapevlees. Deze bewering was echter nooit bewezen. Nu het onderzoek bij koeien op een verband leek te wijzen tussen besmet vleesmeel in het veevoer en de mad cow disease was men natuurlijk bang dat ook de mens gevaar liep. Groot leek dat risico overigens niet, omdat het infectieuze agens vooral zit in weefsels die als slachtafval worden behandeld: hersenen, milt en lymfeweefsel. Statistisch onderzoek naar de doodsoorzaken bij mensen die regelmatig dergelijke weefsels eten (bijvoorbeeld rolpens, bloedworst of een echte Schotse delicatesse als ‘haggis’) leverde geen duidelijke aanwijzingen op. Onder dergelijke mensen leek de ziekte van Creutzfeldt-Jakob wel iets vaker voor te komen dan normaal, maar er was geen verband aan te tonen tussen het aantal keren dat een patiënt haggis of bloedworst had gegeten en de kans om deze ziekte te krijgen.

De Britse veterinaire inspectie heeft vergaande maatregelen getroffen om verdere verbreiding van de mad cow disease tegen te gaan. Het vlees van zieke koeien wordt vernietigd en de hersenen en ingewanden van alle volwassen koeien mogen niet meer voor menselijke consumptie gebruikt worden. Desondanks is de ongerustheid in Groot-Brittannië nog niet geheel verdwenen. Meel, gemaakt van besmette schapen en koeien, mag niet meer in koeievoer worden verwerkt, maar mag wel aan kippen en varkens worden gegeven. Dat zijn dieren die weliswaar nog nooit ziekteverschijnselen vertoond hebben, maar de scrapie is al naar de koe overgesprongen en er is geen reden om te denken dat andere diersoorten daarvan verschoond zullen blijven. Ook voor katte- en hondevoer gelden geen normen en toch is in ieder geval van de kat bewezen dat die gevoelig is voor deze ziekten.

Er is in Groot-Brittannië een National Creutzfeldt-Jakob Disease Surveillance Unit ingesteld, die het aantal gevallen van deze ziekte nauwkeurig volgt. Tevens onderzoekt men of de ziekte bij slachthuispersoneel en dierenartsen vaker voorkomt dan bij de rest van de bevolking. Deze unit is ook de huidige toename van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob op het spoor gekomen. De betekenis daarvan is moeilijk in te schatten. De ziekte kan bij de mens een incubatietijd hebben van wel 20 jaar. Het zal dus nog vele jaren duren voor we zeker weten of de mad cow disease en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob al dan niet iets met elkaar te maken hebben.