Nederlandse Vereniging voor Radiodiagnostiek

Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1988;132:559-60
Download PDF

39e algemene ledenvergadering gehouden op 26 september 1987 te Utrecht

H.van Overhagen en H.M.Zonderland (Rotterdam), Radiodiagnostische aspecten van niet-puerperale mastitis

Niet-puerperale mastitis (NPM) is, in tegenstelling tot mastitis puerperalis, een vrij onbekend ziektebeeld. Het komt echter niet zelden voor, Peters et al. schatten de verhouding van de incidentie van NPM tot die van het mammacarcinoom op 1:10.1 Meestal betreft het jonge vrouwen in de reproductieve periode, die klagen over een pijnlijke, palpabele zwelling in de mamma. Ontstekingsverschijnselen ontbreken nogal eens, zodat in eerste instantie aan een maligniteit wordt gedacht. Wij beschrijven 6 patiënten met NPM. Drie maal was het enige symptoom een pijnlijke zwelling in de mamma, de overige drie patiënten hadden ook klinische ontstekingsverschijnselen zoals koorts en roodheid van de overliggende huid.

Mammografisch kan er een diffuus toegenomen verdichting van het mammaparenchym zijn of, in geval van een abces, een ‘low or high density radiopaque lesion’.2 Echografisch wordt een slecht of scherp begrensde echoarme afwijking gezien met relatief goede geluidstransmissie. Septa zijn veelal aanwezig. Indien punctie en cytologisch onderzoek de diagnose ondersteunen, kan patiënte gericht worden behandeld, hetgeen onnodige excisie-biopsieën voorkomt. Follow-up, zowel klinisch als radiodiagnostisch, waarbij er een teruggaan of verdwijnen van de afwijkingen moet worden waargenomen, bevestigt de diagnose.

P.Bijlsma (Den Helder), Rekanalisatie en percutane transluminale angioplastiek van totale arteriële occlusies

Percutane transluminale angioplastiek (PTA) is heden ten dage een niet meer weg te denken radiologische interventietechniek bij de behandeling van arteriële stenosen. In 1979 werd de eerste, succesvolle, rekanalisatie van een volledig afgesloten iliacaal segment beschreven.1 Thans worden meer iliacale afwijkingen door radiologen behandeld dan door vaatchirurgen.2 PTA-behandeling van totale occlusies is zeker nog geen gemeengoed. Hoewel in toenemende mate kleine iliacale occlusies (2-3 cm) door middel van rekanalisatie en PTA worden behandeld met een succespercentage van 90-94, wordt deze techniek nog (te) weinig toegepast indien de occlusie langer is dan 6-7 cm of indien deze gelegen is in het femoropopliteale traject. In het Gemini Ziekenhuis werden tussen maart 1985 en juli 1986 123 PTA-operaties verricht bij 102 patiënten. Bij 26 van hen werd rekanalisatie, direct gevolgd door PTA, uitgevoerd. Het betrof 14 iliacale en 12 femoropopliteale occlusies, variërend van 2-25 cm. Iliacale afwijkingen werden retrograad via dezelfde zijde benaderd; femoropopliteale afwijkingen antegraad via dezelfde zijde. Bij het vervaardigen van het iliacale angiogram is het, zeker bij een occlusie, van groot belang zowel voor-achterwaartse als uitgedraaide opnamen te vervaardigen. Speciale rekanalisatievoerdraden zoals de 1,5 mm J-wire (Rosen wire) of de voerdraden met open tip, zijn onzes inziens van groot belang. Meestal worden deze gebruikt te zamen met een 5F straight flush-catheter. Na rekanalisatie voeren wij direct een PTA uit, waarbij gebruik wordt gemaakt van overdilatatie, d.w.z. in het iliacale traject een ballondiameter gelijk aan de diameter van het vaatsegment, proximaal van de occlusie, plus 1 mm en in het femoropopliteale traject een ballondiameter, gelijk aan de diameter van het te dilateren vaatsegment. Bij occlusies, groter dan 4 cm, gebruiken wij een 10 cm ballon, ten einde een vloeiend verloop in het vaattraject te verkrijgen. In een follow-up-periode van ruim twee jaar bedroeg de iliacale patency 91, de femoropopliteale 89.

B.R.de Witte en W.van der Slikke (HelmondDeurne), Perilunaire luxaties en luxaties van het os lunatum

Luxaties in het polsgewricht bestaan voor de overgrote meerderheid uit luxaties van het os lunatum en perilunaire luxaties, waarbij er al dan niet sprake kan zijn van begeleidende fracturen of luxaties van andere carpalia. Deze letsels worden vaak miskend. In de periode 1963-1985 werden bij 31 patiënten 32 luxaties geconstateerd, 24 mannen en 7 vrouwen, de gemiddelde leeftijd bedroeg 33,4 jaar (17-69 jaar). Negen maal was er sprake van een volaire lunatumluxatie, 23 maal van een perilunaire luxatie waarvan 21 dorsaal en 2 volair. Slechts 15 van de patiënten had uitsluitend een polsluxatie, in 85 was er tevens sprake van fracturen in het polsgebied, meestal van het os naviculare. Ruim de helft van de patiënten had naast het polsletsel bovendien fracturen elders en (of) orgaanletsels. In 30 werd de luxatie voor kortere of langere tijd miskend (21 radiologisch en 9 klinisch) met een gemiddelde duur van 60 dagen (1-207 dagen). Als belangrijkste oorzaken hiervoor kwamen in deze patiëntengroep naar voren: (1) de hoge frequentie van begeleidende fracturen in het polsgebied, waardoor de aandacht werd afgeleid; (2) het vóórkomen van meer acute en soms levenbedreigende letsels elders; (3) interpretatieproblemen van de röntgenfoto's met name de zijdelingse polsopname betreffende.

L.M.Kingma, J.P.Klein, D.R.Miranda en C.F.Stoutenbeek (Den Haag), Holtevorming in de longen tijdens beademing

Normaal gezond longweefsel kent geen röntgenologisch herkenbare holten. Acute drukveranderingen, maar ook circulatieveranderingen kunnen holtevorming als begeleidend verschijnsel laten zien. Holtevorming in de longen tijdens beademing kan worden gezien op basis van:

– een direct letsel, m.a.w. laceratie van longweefsel, gepaard gaand met oedeem- dan wel hematoomvorming;

– vervalholten of necrose bij oedeem, contusie, hematoom of circulatiestoornissen;

– een barotrauma bij mechanische ventilatie (bijv. positive end-expiratory pressure, PEEP); vele verschijningsvormen zijn dan mogelijk: extra-alveolaire lucht, interstitieel emfyseem, lokale pneumatokèle, zgn. luchtcysten, terwijl tevens een pneumothorax, pneumomediastinum of pneumopericard kan ontstaan.

Het spreekt voor zichzelf dat de kans op het ontstaan van holten in de longen toeneemt bij een combinatie van deze factoren. Met name indien er gebruik wordt gemaakt van PEEP-beademing. Daarbij is het evenwicht tussen ventilatie en perfusie van groot belang. Een nauwkeurige controle van het longbeeld door middel van thoraxfoto's is noodzakelijk tijdens PEEP, juist ook in het geval van adult respiratory distress syndrome (ARDS), multiple organ failure (MOF) of posttraumatisch dan wel door sepsis. In vele gevallen kan de gewone thoraxfoto tijdens beademing onvoldoende bewijs voor holtevorming leveren. Aangezien de waarneming van de holten ten aanzien van het klinische beleid een belangrijke rol kan spelen (snelheid van daling van de overdruk, antibiotica-beleid etc.), dient soms het gebruik van tomografie overwogen te worden. Zowel conventionele tomografie als computertomografie kan toegepast worden. De basis dient echter te bestaan uit standaardthoraxfoto's van perfecte kwaliteit, ten einde de tomografie zoveel mogelijk te vermijden. De verschillende soorten holten in de longen kunnen vrijwel restloos genezen, dat geldt met name ook voor de holten die in relatie staan met infectieuze processen of necrose. Algemene beleidsadviezen voor de therapie zijn niet te geven, gezien de grote variatie in klinische beelden.

J.Schipper, R.Braakman, G.Blauw, J.W.Kardoun en K.J.van Dongen (Leiden), Lumbale discusprolaps: diagnose met computertomografie of caudografie?

In dit onderzoek worden van 195 patiënten met symptomen van een lumbale discusprolaps de resultaten van caudografie en computertomografie (CT) vergeleken met de bevindingen bij operatie. De sensitiviteit van caudografie voor deze diagnose is hoger dan van CT (resp. 82 en 73), terwijl de specificiteit lager is (resp. 67 en 77). De voorspellende waarde van een positief onderzoek is voor de caudografie vrijwel gelijk aan die van CT (resp. 93 en 94) in deze populatie met een hoge prevalentie (85). Wanneer in deze populatie CT het onderzoek van eerste keuze was geweest, zou het aantal caudografieën gedaald zijn met 23 bij een hoge diagnostische betrouwbaarheid.

W.R.Obermann en H.H.de Boer (Leiden), Artro'plani'grafie van de elleboog

Indicaties voor dit onderzoek zijn doorgaans slotklachten, bewegingsbeperking, instabiliteitsgevoel, onbegrepen pijnklachten en vermoeden van ‘intra-articulaire’ afwijkingen op blanco röntgenfoto's. Aangetoond kunnen worden benige of kraakbenige richels of corpora libera, kraakbeenafwijkingen, kapselafwijkingen én de intra- of extra-articulaire lokalisatie van een verbening. De techniek bestaat uit het van lateraal inbrengen van 1 ml joxaglinezuur (Hexabrix) 320, 0,2 ml epinefrine 1:1000 en 8-12 ml lucht en aansluitend aan overzichtsfoto's, lateraal planigraferen van de elleboog met een snedeinterval van 3 mm. Een multidirectionele vervaging is wel een vereiste. De beste stand is hierbij circa 110 graden extensie van de elleboog. Bij een bewegingsbeperking moet dit onderzoek dan aangevuld worden met een lateraal planigram in blokkerende stand. Bij osteonecrosis van het capitulum is aanvullende planigrafie in 34 richting (in externe rotatie) bij maximale extensie geïndiceerd. Bij een groep van 45 patiënten van wie 18 een duidelijk trauma in de anamnese hadden, werd een revisie verricht van het artroplanigrafische onderzoek. Bij 14 patiënten werden kraakbenige of benige corpora libera gevonden, bij 7 patiënten osteonecrose van het capitulum (figuur), bij 2 patiënten een bewegingsbeperking door haken of richels, benig dan wel kraakbenig en bij 3 patiënten bewegingsbeperking door een in dislocatiestand geconsolideerde fractuur. Bij 12 patiënten werd een kraakbeenbeschadiging gevonden en bij 6 patiënten een kapselvernauwing of verkleving. Bij 3 patiënten bleek het kapsel te ruim en bij 5 patiënten werd aangetoond dat verbeningen buiten het gewricht lagen. Bij 4 patiënten waren de klachten na het artrogram verminderd of verdwenen. Bij 2 patiënten werd er onder artrografische controle een adhesiolyse verricht. Hierbij trad een duidelijke verbetering op van de beweeglijkheid. Bij 43 patiënten was de uitslag van de artroplanigrafie beslissend in de keuze tussen operatieve en niet-operatieve behandeling. Er werden 13 patiënten geopereerd waarbij bij allen een goede correlatie bestond tussen de bevindingen van de artrotomie en die van de artrografie.

Literatuur
  1. Peters F, Geisthövel F, Schulze-Tollert J, PfleidererA, Breckwoldt M. Die non-puerperale Mastitis. Ätiologie, Klinik undTherapie. Dtsch Med Wochenschr 1985; 110: 97-104.

  2. Tabar L, Dean PB. Teaching atlas of mammography.Stuttgart: Thieme, 1983.

  3. Tegtmeyer CJ. Percutaneous transluminal dilatation of acomplete block in the right iliac artery. AJR 1979; 133: 532.

  4. Andel GJ van. Percutane transluminale angioplastiekvolgens Dotter in Nederland. NedTijdschr Geneeskd 1987; 131: 1741-3.

Auteursinformatie

Nederlandse Vereniging voor Radiodiagnostiek, pa Postbus 8171, 3503 RD Utrecht.

Dr.J.S.Laméris, secretaris.

Gerelateerde artikelen

Reacties