In memoriam prof.dr.W.H.Struben.
Open

Personalia
02-09-2005
M.F. de Boer, L. Feenstra, P.C. de Jong en P. Knegt

– Op 15 juni jl. overleed te Rotterdam prof.dr.W.H.Struben in de leeftijd van 95 jaar. Pim Struben werd geboren in Sorogedoog, Java, op 28 april 1910. Hij deed zijn eindexamen middelbare school in Haarlem en studeerde medicijnen aan de Gemeente Universiteit te Amsterdam, waar hij nog colleges liep bij prof.Burger. Na het artsexamen kwam hij bij professor De Kleyn in opleiding in het WG. In 1942 volgden inschrijving als kno-arts in het specialistenregister en aanstelling als chef de clinique in het WG. Toen de bezetter in 1943 bepaalde dat alleen ondertekenaars van de loyaliteitsverklaring verder mochten studeren, heeft Struben zijn ontslag ingediend omdat hij ‘niet wilde meewerken aan de opleiding van die personen’. Na de Tweede Wereldoorlog kwam hij weer in dienst van het WG en kon daarnaast, zoals alle kno-artsen in die tijd, een kleine praktijk aan huis beginnen.

Uit deze Amsterdamse jaren in het WG en de eigen praktijk aan huis komt Struben naar voren als een allround kno-arts die de assistent-geneeskundigen vriendelijk en vooral geduldig, met duidelijke adviezen, het vak onderwees. Hij werd door hen op handen gedragen. Zijn bijzondere interesse betrof, ook toen al, de hoofd-halsoncologie. Zo was hij de eerste kno-arts die in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis de hoofd-halschirurgie uitvoerde samen met de algemene chirurgen. Hij bespreekt in die jaren de indicaties voor radicale halsklierdissecties en doet voorstellen larynxcarcinomen in te delen naar de anatomische regio’s, een voorstel dat als voorloper van de eerste TNM-classificatie (1962) kan worden beschouwd. Ook stelt hij dat de behandeling van het larynxcarcinoom in een beperkt aantal gespecialiseerde klinieken moet plaatsvinden en wijst hij erop dat bij deze behandeling werken in teamverband noodzakelijk is.

In 1953 was Struben nauw betrokken bij de organisatie van het 5e wereldcongres in de otorinolaryngologie in Amsterdam. Hij maakte toen naam door de volhardendheid waarmee hij de schriftelijke bijdragen van alle sprekers vóór het ter perse gaan van de ‘proceedings’ wist te verzamelen.

In juni 1961 werd Struben benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de Keel-, Neus- en Oorheelkunde te Utrecht, in het bijzonder ten behoeve van de Stichting Klinisch Hoger Onderwijs te Rotterdam. Hij kreeg op 1 september 1961 in het Gemeenteziekenhuis Dijkzigt een eigen kno-afdeling, na een aanvankelijke korte periode waarin de patiënten verspreid door het ziekenhuis lagen. Hij werd hierbij geholpen door een gepensioneerde kno-docent, twee assistent-geneeskundigen en een Amsterdamse hoofdzuster. Instructie aan de beide assistent-geneeskundigen tijdens de dienst ging per telefoon: ‘schrijf op’ en dan volgde gedetailleerde instructie ... ‘en laat de patiënt morgen terug komen, dan kunnen we zien of je het goed hebt gedaan’. In deze beginperiode was de beddenafdeling ruim bemeten, maar verder heerste er een groot gebrek aan de noodzakelijke faciliteiten voor een academisch niveau van het vak. De operatiekamer en de polikliniek waren te klein, er waren geen ruimten voor audiometrisch onderzoek, voor vestibulair onderzoek, voor assistent-geneeskundigen en co-assistenten, voor het secretariaat of zelfs voor Struben zelf. Met grote voortvarendheid heeft hij deze beginproblemen stuk voor stuk opgelost op typisch Rotterdamse wijze, ‘geen woorden, maar daden’, met een feilloos netwerk en door bekwaam te delegeren. Voor dit laatste trok hij vanaf het begin specialisten ‘van buiten’ en ‘jonge klaren’ aan, die hij mede verantwoordelijk stelde voor bepaalde deelgebieden van het vak.

In 1965 wees de minister Rotterdam aan als locatie voor de zevende medische faculteit. De hiertoe benoemde voorbereidingscommissie moest binnen 14 maanden de bouw van de faculteit en het begin van het preklinisch onderwijs realiseren. Dit bracht begrijpelijkerwijs de positie van de klinische afdelingen in het gedrang. Niet toevallig was Struben lid van deze commissie en hij schrijft hierover ‘desondanks hebben deze ontwikkelingen de verbouw van de Keel-, Neus- en Oorafdeling niet ongunstig beïnvloed’.

In de periode 1967/’68 was Struben voorzitter van de KNMG. Hij liet zich in die periode in de kliniek ondersteunen door een voortreffelijke waarnemer. In de jaren hierna bleven regelmatig specialisten uit eigen kweek enkele tot vele jaren verbonden aan de afdeling. In 15 jaar wist Struben uit het niets, geholpen door een kleine groep pioniers, een voortreffelijk functionerende universitaire kno-afdeling op te bouwen, waar enthousiast en met veel plezier werd gewerkt. Zijn ervaring met maligniteiten van het hoofd-halsgebied leidde al snel tot een groot aantal verwijzingen van patiënten met dergelijke tumoren. Getrouw aan zijn visie dat maligniteiten van het hoofd-halsgebied multidisciplinair dienden te worden benaderd, heeft hij al in de jaren zestig in Rotterdam – Dijkzigt en Daniel den Hoed waren in die tijd nog gescheiden optredende instituten – op diplomatieke wijze een intensieve samenwerking tussen de radiotherapeuten en hoofd-halschirurgen tot stand gebracht. Hij heeft daarmee de basis gelegd voor de begin jaren zeventig gevormde Rotterdamse werkgroep ‘Hoofd-halstumoren’.

Struben was altijd om 07:30 uur in de kliniek en met zijn ‘opendeurpolitiek’ was dat vroege uur het ideale moment om hem problemen voor te leggen. Hij luisterde aandachtig, verschafte zo mogelijk direct de oplossing of verzekerde je dat het probleem zijn volle aandacht zou krijgen. Iedereen vertrok altijd met het tevreden gevoel werkelijk te zijn ‘gehoord’. Hij stond erom bekend in de kliniek als strategie te koesteren ‘management by walking around’. Menig assistent herinnert zich de situatie dat de professor klaarblijkelijk al enige tijd stond mee te kijken, vaak op een moment dat een en ander minder soepel verliep of een verkeerd instrument werd gebruikt. Streng maar mild werd je weer op het rechte pad gezet. In 1976 droeg hij de leiding van zijn kliniek over aan zijn opvolger.

In 1974 werd aan Struben het erelidmaatschap van de Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied verleend voor de verschillende functies die hij daarin had bekleed en in 1976 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij was lid van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Struben sprak weinig over privé-zaken, maar het was algemeen bekend dat hij een warm en goed gezinsleven had, waarover informatie echter vrijwel uitsluitend tot anderen kwam via Lydie, zijn echtgenote. Hij had een intense interesse in auto’s, verkeer en golf, die in de kliniek niet te verbergen viel, getuige de stapels auto- en golfbladen die hij op de assistentenkamer liet leggen.

Na zijn pensionering werden de contacten met de kliniek langzaam maar zeker schaarser, al was hij altijd van de partij op de oud-assistentendagen om ons, desnoods per video, toe te spreken. Samen met zijn echtgenote en ook na haar overlijden bleef hij enkele goede vrienden regelmatig op de golfbaan ontmoeten. Op 15 juni 2005 verscheen hij niet op zijn golfafspraak. Wij denken met trots en dankbaarheid aan hem terug.