In memoriam dr.G.Hellinga.
Open

Personalia
17-06-1991
J. Kremer

- Op 11 januari 1991 overleed dr. Gerhardus Hellinga, internist-endocrinoloog. Hellinga werd op 26 augustus 1906 geboren te Haarlem. Hij studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam en slaagde in 1933 voor het artsexamen. Als voorbereiding voor de huisartsenpraktijk was hij eerst een jaar assistent Interne Geneeskunde en vervolgens een jaar assistent Chirurgie. Van 1935-1945 was hij huisarts in Zaltbommel. Van 1945-1949 was hij assistent in opleiding aan de afdeling Interne Geneeskunde van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam (hoofd prof. Borst). Zijn belangstelling ging daarbij vooral uit naar de endocrinologie, waarbij hij begeleid werd door één van de grondleggers van dat vakgebied in Nederland, prof.De Jong. Van 1946 tot 1949 besteedde hij een groot deel van zijn vrije tijd aan een promotie-onderzoek. In 1949 verscheen zijn proefschrift ‘Het onderzoek bij stoornissen in de mannelijke vruchtbaarheid’, waarvan ook een handelseditie verscheen. Het is jarenlang het standaardwerk voor de andrologische fertiliteitskunde geweest, zowel in Nederland als in Vlaanderen. Hellinga is daarmee de grondlegger geworden van de andrologische fertiliteitskunde in Nederland en Vlaanderen. Dit werk is nog steeds de moeite van het lezen waard en in een aantal opzichten nog steeds ‘bij de tijd’.

Na zijn specialistische opleiding werd Hellinga als internistendocrinoloog verbonden aan het Andreas Ziekenhuis te Amsterdam. Door zijn research, publikaties en patiëntenzorg kreeg hij zowel in binnen- als in buitenland een steeds grotere bekendheid. Tijdens zijn werkperiode aan het Andreas Ziekenhuis werd hij in deeltijd benoemd als internist-endocrinoloog aan het Wilhelmina Gasthuis op de afdeling Verloskunde en Gynaecologie. Daar begeleidde hij ook de assistenten bij diagnostiek en behandeling van mannelijke vruchtbaarheidsstoornissen. In 1951 werd zijn wetenschappelijke werk beloond met de De Snoo-van 't Hoogerhuys-prijs; hij was de eerste Nederlander die deze prijs ontving.

Hellinga was – samen met de patholoog-anatoom Van Dam – oprichter van de werkgroep Andrologie, die regelmatig vergaderde in het vroegere Binnengasthuis in Amsterdam. Deze groep bestond aanvankelijk alleen uit Nederlandse en Vlaamse internisten, urologen en patholoog-anatomen. Later werden ook gynaecologen toegelaten en op 29 maart 1969 werd de groep omgezet in de Vereniging voor Fertiliteitsstudie, waarvan Hellinga de eerste voorzitter werd. De naam is op zijn voorstel ontstaan. Er was enig verschil van mening of het een Belgisch-Nederlandse Vereniging moest heten of een Nederlands-Belgische. Hellinga bedacht een praktische oplossing door het adjectief weg te laten. Dat was typerend voor hem: snel een praktisch compromis bedenken. Hellinga is ook één van de initiatiefnemers geweest voor de oprichting van de ‘European Club of Andrologists’ later omgevormd tot het Comité Internacional de Andrologia in Barcelona. Hieruit is later de International Society of Andrology ontstaan.

Tot aan zijn pensionering is hij werkzaam geweest als wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de afdeling Interne Geneeskunde van het Ziekenhuis der Vrije Universiteit te Amsterdam, waarvan destijds prof. C.van der Meer hoofd was. In deze periode heeft hij ook enkele assistenten opgeleid in de andrologische fertiliteitskunde. Hij hield zijn leerlingen steeds voor dat de bekende sperma-afwijkingen zoals azoöspermie, oligozoöspermie, asthenozoöspermie en teratozoöspermie niet als diagnosen moesten worden beschouwd maar als symptomen, zoals ook anemie geen diagnose maar een symptoom is. Men moest blijven zoeken naar de oorzaak van het symptoom.

Jarenlang beloofde hij zijn leerlingen dat hij zijn medische loopbaan zou afsluiten met een Engelstalig boek waarin hij zijn kennis en ervaring zou vastleggen. Hellinga was gewoon te doen wat hij beloofde, en in 1976 verscheen het boek ‘Clinical Andrology’, een internationaal standaardwerk. Toch bleek dat niet zijn laatste boek te zijn. Hij had wel eens gezegd dat hij nog een detectiveroman zou willen schrijven, en er verschenen dan ook 4 detectiveromans onder de naam ‘Hellinga sr’.

Hellinga is door omstandigheden nooit hoogleraar geworden. Zijn vakkennis, enthousiasme, research- en opleidingscapaciteiten hebben hem echter meer internationale erkenning en waardering gebracht dan menig hoogleraar ten deel vallen.