Medische inzichten omtrent hoofdpijn en migraine in Nederland; 16e-19e eeuw
Open

Geschiedenis
30-12-1994
P.J. Koehler en G.W. Bruyn

Indien men de geschiedenis van het onderzoek naar hoofdpijn of migraine in Nederland wil schrijven, zal men zich waarschijnlijk kunnen beperken tot slechts enkele regels. Interessanter is te onderzoeken hoe door de eeuwen heen de ideeën over hoofdpijn en migraine de heersende algemene medische opvattingen weerspiegelen. In dit artikel beschrijven wij medische inzichten omtrent hoofdpijn en migraine in de periode die zich uitstrekt van begin 16e tot eind 19e eeuw.

DE 16E EEUW: PRATENSIS, FORESTUS, HEURNIUS

Pratensis.

Een opvallend maar weinig bekend boek, door Garrison en Morton bestempeld als het eerste neurologie-boek (‘the first book devoted entirely to brain disorders’),1 is van de hand van de humanist Jason van der Velde (in het Latijn: Pratensis; 1486-1558; figuur 1). Hij was de zoon van een medicus (Thomas Pratensis) die praktizeerde te Zierikzee. Na zijn opleiding te Leuven, alwaar hij Erasmus kan hebben ontmoet, oefende Jason zijn praktijk uit te Zierikzee en ook enige tijd te Veere. Hij was een tijdgenoot van Vesalius (1514-1564), Van Foreest (1522-1597) en Lemnius (1505-1568), een stadsgenoot.3 Pratensis deed diverse medische publikaties het licht zien, alsook een collectie gedichten; Pieter van Foreest noemde hem een ‘medicus suo tempore magni nominis doctissimus’ (een medicus die in zijn tijd de naam had zeer geleerd te zijn). Von Haller (1708-1777), de Zwitserse leerling van Boerhaave, oordeelde echter minder positief over Pratensis,4 en Eloy (1714-1788) verweet hem in zijn Dictionnaire historique de la médecine (1778) ernstige lichtgelovigheid (‘imbécile crédulité’). In zijn boeken toont Pratensis zich, niet geheel onverwachts, een aanhanger van de Galenische geneeskunde. De eerste 8 hoofdstukken van zijn boek De cerebri morbis (over de ziekten van de hersenen; 1549) handelen over hoofdpijn ten gevolge van onevenwichtige samenstelling van de lichaamsvochten: bijvoorbeeld ‘De doloris capitis ex calida intemperie’ (over hoofdpijnen door overmatige warmte); maar ook overmaat van koude, droogte, vocht, bloed, gele en zwarte gal en slijm zou hoofdpijn kunnen veroorzaken (figuur 2).5 Hoofdstuk 9 gaat over migraine. Bij ieder ziektebeeld geeft Pratensis de verschijnselen (‘signa’) aan, de oorzaak, de algemene maatregelen (‘diaeta’) en de behandeling (‘curatio’).

Als ‘causae’ (oorzaken) van hoofdpijn samenhangend met te veel ‘phlegma’ (slijm) noemt hij hitte, overmatige arbeid, frequent gebruik van warme baden en langdurige mentale inspanning.

Forestus.

In dezelfde eeuw beschreef Pieter van Foreest, de Bataafse Hippocrates en lijfarts van Willem van Oranje, in zijn Observationum et curationum medicinalium, ac chirurgicarum opera omnia (alle werken over klinische en chirurgische verschijnselen en therapieën; een posthume publikatie van zijn observaties) enkele casussen met betrekking tot migraine.6 Hoofdstuk 9 (band I) is getiteld: ‘De variis capitis doloribus’ (over diverse hoofdpijnen). Het bevat een groot aantal casussen, telkens van uitvoerig commentaar (‘scholia’) voorzien. De ‘cephalalgia melancholica’ kwam, gelet op het aantal beschrijvingen, nogal dikwijls voor. Van Foreest schreef dat cephalea, dat wil zeggen chronische hoofdpijn, meestal moeilijk te behandelen was; dus ook toen al. Bij de hemicrania worden geen opzienbarende ‘curantia’ beschreven.

Heurnius.

Een soortgelijk boek, waarin een geheel hoofdstuk over hoofdpijn is opgenomen, is dat van Johannes Heurnius (1543-1601). Hij was bevriend met Van Foreest en studeerde te Leuven, Padua en Pavia. Vanaf 1581 was hij hoogleraar geneeskunde in Leiden, naast Gerard Bontius. In 1594 publiceerde hij De morbis qui in singulis partibus humani capitis insidere consueverunt (over de ziekten die in afzonderlijke delen van het menselijk hoofd voorkomen; figuur 3).7 Dit boek beschrijft in 29 hoofdstukken de meeste ziekten van het hoofd. Na de behandeling van enkele huid- en haaraandoeningen volgt een groot aantal ‘neurologische’ ziekten, zoals coma, hersenontsteking, hydrofobie, geheugenstoornis, vertigo, epilepsie, paralyse en tremor. Het 9e hoofdstuk, getiteld ‘De cephalalgia, hoc est, omni dolore capitis’ (over cephalalgia, dat is iedere pijn aan het hoofd), begint met de vaststelling dat geen enkel lichaamsdeel zo frequent aan pijn wordt blootgesteld als het hoofd. Heurnius baseerde zich vooral op de geschriften van Aretaeus.

DE 17E EEUW: HOOFDPIJN IN NICOLAAS TULPS ‘OBSERVATIONES MEDICAE’

Tulp.

Ter illustratie van de 17e-eeuwse ideeën over hoofdpijn noemen wij het werk van de Nederlandse geneeskundige Nicolaas Tulp (1593-1674). In zijn Observationes medicae (geneeskundige waarnemingen; 1641; figuur 4) beschreef hij diverse casussen met hoofdpijn en toonde hij zich, evenals Pratensis, een aanhanger van de Galenische en Hippocratische geneeskunst.89 Hij refereerde regelmatig aan deze twee geneeskundigen, maar ook aan Celsus en aan enkele contemporaine artsen. De ontdekking van de bloedsomloop door William Harvey in 1628 is nog niet in Tulps boek te vinden. Dit betekent niet dat Tulp de nieuwe theorie afwees. Er werd in die tijd in Nederland nog heftig over gediscussieerd en gecorrespondeerd. De eerste aanhangers ervan op Nederlands grondgebied waren Descartes, Sylvius, Johannes Walaeus en de Dordrechtse geneeskundige Van Beverwijck. Het voor die tijd kenmerkende geneeskundige denken karakteriseert zich in de volgende ziektebeschrijvingen:10

‘... een vollijvige man, een wijle tijds van een onlijdelijke hoofdpijn jammerlijk geribbezakt (gekweld; ref.), werd ten langen leste zo deerlijk overvallen van zulk ijselijk spannen der zenuwen, dat er geen baat van de kunst benomen wordende, hij gedwongen werd de natuur te hulp te roepen, welke hem ook zo lustig bijsprong, dat hij, veel dracht door de neusgaten gelost hebbende, in het kort bevrijd werd, ...’

Een tweede casus is wellicht interessant gelet op de idee van overtollig bloed in het hoofd als oorzaak van hoofdpijn:10

‘Een vlijtig scholier, zeer pijnlijk van hoofd vanwege het hartebloed dat met al te grote drift en geweld daar naar toe vloog, zocht wel overal heul en hulp, maar leggende zijn hand overal op een ledige plaats maar nergens baat vindende, kwam hij ten laatste volkomenlijk terecht met laten van het hartenbloed uit de slaap van het hoofd.’

Men moest, aldus Tulp, de laat-wond wel goed verzorgen ‘vanwege het gedurig slaan en de kloppende beweging’ van de ‘hartader’. Wat betreft de theorievorming over hoofdpijn viel Tulp dikwijls terug op de zekerheden van de klassieken, zoals Aretaeus, vooral op diens onderscheid tussen cephalalgia en cephalea. Schele hoofdpijn, ofwel migraine, werd door Tulp behandeld met koppen-zetten en blaartrekpleisters. In Tulps boek wordt ook een patiënt beschreven met clusterhoofdpijn, een vorm van hoofdpijn die Tulp vanwege de hevigheid, het op gezette tijden terugkeren en de therapie onderscheidde van migraine.11

Van der Linden.

Een tijdgenoot en vriend van Tulp was Johannes Antonides van der Linden (1609-1664). Hij had in 1631 in Franeker zijn doctorsgraad behaald en was aldaar van 1639-1651 hoogleraar in de geneeskunde. In de tussenliggende periode praktizeerde hij in Amsterdam, waar hij bevriend raakte met Tulp en Plemp. Vanaf 1651 was hij hoogleraar in Leiden, een plaats die hem onder meer aantrok vanwege het type onderwijs dat daar werd gegeven: klinisch onderwijs aan het ziekbed. Hij publiceerde onder meer De hemicrania menstrua (1660): enkele bladzijden met de ‘historia’ worden gevolgd door uitvoerig commentaar, het zogenaamde ‘consilium’, over de samenhang tussen migraine en menstruatie (figuur 5).12 Hij refereerde dikwijls aan Hippocrates en Celsus.

Stalpart van der Wiel.

Ten slotte zij hier vermeld Cornelis Stalpart van der Wiel (1620-1702), zoon van de burgemeester van 's-Gravenhage, de stad waar Cornelis praktizeerde. Naar zijn eerste Hondert seldsame aanmerkingen (1682) zou de nog te noemen Tissot in 1780 verwijzen.1314 De door Stalpart van der Wiel beschreven gevallen betreffen echter voornamelijk symptomatische en posttraumatische hoofdpijn. Het is goed mogelijk dat symptomatische hoofdpijn, zoals bij sinusitis en cerebrale malaria, destijds relatief vaker voorkwam dan tegenwoordig. Aardig is de casus waarin bij sectie een ‘steen in de pijn-appel-klier’ werd gevonden: ‘Waaruyt men met regt besluyten mag, dat de voornoemde klier de zidplaats van de Ziel niet kan zijn, nog ook dat de voornaamste faculteiten of werkende kragten (gelijk sommige geoordeelt hebben) van de selve voortkomen’, uiteraard een commentaar op de ideeën van Descartes!

DE 18E EEUW: BOERHAAVE, VAN SWIETEN EN ANDEREN

Boerhaave.

Bij Boerhaave (1668-1738) is betrekkelijk weinig over hoofdpijn te vinden.15 In de colleges over het zenuwstelsel, in het bijzonder die over het ‘spinnewebvlies’, beschrijft hij wel enkele ziekten hiervan: door droogheid kunnen de uitwasemende vaten verstopt raken en door ontstekingen kan het vlies vergroeien met het harde hersenvlies. Er kan stuwing ontstaan van het rondstromende vocht in de onder dit vlies gelegen ruimte.15 Boerhaave refereerde onder meer aan Johann Jakob Wepfer (1620-1695), de Zwitserse geneeskundige die voor het eerst de hersenbloeding als oorzaak van apoplexie beschreef, en aan Willis, bekend van de arteriële circulus en bedenker van de naam ‘neurologie’; beiden hadden vergroeiing van de vliezen bij hoofdpijnpatiënten gevonden. Ook te sterke bevochtiging van het spinnewebvlies kon tot hoofdpijn aanleiding geven. Wepfer en Willis hebben belangrijke bijdragen geleverd aan de gangbare opvattingen over hoofdpijn.1617

Van Swieten.

Een invloedrijke Nederlandse medicus in de 18e eeuw was Gerard van Swieten (1700-1772). Na zijn opleiding bij Boerhaave praktizeerde hij in Leiden; hij gaf er gedurende 9 jaar private colleges. In verband met het feit dat hij rooms-katholiek was, kon hij geen hoogleraar in Leiden worden. In 1745 vertrok hij op uitnodiging van keizerin Maria Theresia naar Wenen; hij werd haar lijfarts en grondlegger van de zogenaamde eerste Weense medische school. Zijn uitvoerige ‘Commentaren’ op de ‘Aforismen’ van Boerhaave, uitgegeven tussen 1742 en 1772, bevatten onder meer interessante teksten over hoofdpijn. De volgende beschrijving van clusterhoofdpijn is zeer treffend:1819

‘Een gezonde, robuuste man van middelbare leeftijd, (leed aan; ref.) onaangename pijn, die dagelijks optrad op hetzelfde tijdstip, en op dezelfde plaats boven de oogkas van het linker oog, waar de zenuw uit het os frontale treedt; na korte tijd begon het oog rood te worden, en stroomden er tranen uit; vervolgens had hij een gevoel alsof het oog uit de oogkas geduwd werd, met zoveel pijn dat hij er bijna gek van werd. Na enkele uren verdween het kwaad, en niets aan het oog leek veranderd.’

De gebruikelijke behandelingen, zoals koppen-zetten, purgeren en blaartrekpleisters, werden tevergeefs toegepast. Van Swieten bezocht de patiënt thuis, tijdens een aanval, en bemerkte dat de arterie in de ipsilaterale, mediale ooghoek sterker pulseerde dan aan de contralaterale zijde. Hij vermoedde dat er sprake was van koorts en behandelde hem met kinabast (kinine), hetgeen een gunstig effect had.

Twee minder bekende 18e-eeuwse Nederlandse verhandelingen over hoofdpijn treffen wij aan bij Theodorus Franciscus van Opdorp en Matthias a Brakel van de Kluyt. Van Opdorp vatte in zijn thesis De dolore capitis in genere (over het ontstaan van hoofdpijn; 1789) de hoofdpijnliteratuur die op dat moment beschikbaar was samen.20 Ook hij verwees naar Galenus en Aretaeus, vooral naar het onderscheid tussen cephalalgia, cephalea en hemicrania. Van Opdorp benadrukte het onderscheid tussen idiopathische hoofdpijn, waarbij de oorzaak in het hoofd gelegen is, en sympathische hoofdpijn, waarbij de oorzaak elders in het lichaam moet worden gezocht. Hij verwees hierbij naar Galenus, Avicenna, Van Foreest, Van Swieten, Sauvages, Whytt en Tissot. Deze laatste auteur, Samuel André Tissot (1728-1797), wiens proefschrift over de kwalijke gevolgen voor de gezondheid van masturbatie bekendheid verwierf, schreef in zijn Traité des nerfs (1780), een van de belangrijkste neurologische boeken uit de 18e eeuw, een complete verhandeling over migraine. Hij haalde veel casuïstiek uit de literatuur en verwees op zijn beurt naar de Nederlanders Cornelis Stalpart van der Wiel, diens leermeester te Franeker, Johannes Antonides van der Linden, en Van Swieten. Tissots invloed met betrekking tot dit onderwerp reikte tot ver in de 19e eeuw.

De Leidse hoogleraar Gaubius (1705(?)-1780), leerling van Boerhaave, was, naar wij menen, de eerste die erop wees dat vrouwen gepredisponeerd waren voor het krijgen van migraine en dat migraine op hogere leeftijd minder frequent voorkwam.

Matthias a Brakel van de Kluyt promoveerde in 1746 te Harderwijk met De cephalalgia (over cephalalgia).21 In een van de 23 stellingen stelt hij dat het pulseren hierbij altijd wijst op een forse opwelling van het bloed, dat zich dientengevolge overal in het lichaam heen beweegt. Het bekende onderscheid tussen idiopathische hoofdpijn (met een oorzaak in het hoofd) en sympathische hoofdpijn (met extracraniële oorzaak) wordt ook door hem behandeld. De uterus, in het bijzonder ‘verstikking’ van het orgaan, speelde naar zijn mening bij hoofdpijn een belangrijke rol. Hoofdpijn zou bij hysterische vrouwen het meest voorkomen. Venaesectio en toediening van purgantia waren de belangrijkste behandelingsmethoden.

DE 19E EEUW

Een vroeg 19e-eeuws proefschrift over cephalalgia is van de hand van Janus Adamus Muller (Leiden; 1820).22 Behalve de bekende klassieke indeling in cephalalgia, cephalea, hemicrania en clavus behandelde hij uitvoerig de oorzaken van cephalalgia, onderverdeeld in idiopathische (‘internas partes’) en sympathische (‘exteriores partes’). Bij de ‘sanatio’ (genezing) schrijft hij dat deze ‘moeilijker is, naarmate de oorzaken minder gekend zijn, evenwel gemakkelijker indien de oorzaken van de symptomen onderscheiden kunnen worden’.

In de loop van de 19e eeuw zijn in Frankrijk, Engeland en Duitsland enkele belangrijke monografieën over migraine verschenen. De invloed hiervan is aan het einde van de eeuw en het begin van de 20e eeuw in Nederland merkbaar. In de 19e eeuw vond toepassing van de natuurwetenschappelijke methode in de geneeskunde plaats, ook al stonden velen nog sceptisch tegenover theorieën en beriepen zij zich liever op de empirie. Vanaf 1850 waren de Engelsen vooral geïnteresseerd in epilepsie en een aantal van hen beschouwde migraine als een vergelijkbare aandoening.62324

Op het continent was men vooral geïnteresseerd in de vasculaire effecten van de sympathicus. DuBois-Reymond, grondlegger van de elektrofysiologie en zelf migrainelijder, geloofde in de ‘angiospastische’ theorie (1860),25 terwijl Möllendorff (1867) meer een ‘angioparalytische’ theorie aanhing.26 Ook Brown-Séquard was het niet met DuBois-Reymond eens, onder meer omdat hij bij proefdieren had waargenomen dat prikkeling van de halssympathicus geen pijn veroorzaakte en omdat bij het merendeel van de migraineaanvallen geen prikkelings-maar uitvalsverschijnselen van de sympathicus werden waargenomen.2728 De Duitser Paul Julius Moebius (1853-1907), auteur van onder meer Der physiologische Schwachsinn des Weibes, vergeleek de status migrainosus met de status epilepticus en beschouwde migraine als een degeneratieve ontaarding,29 op zich geen bijzondere veronderstelling in het doemdenken van de ‘fin de siècle’. In Frankrijk trachtte Charcots leerling Féré ‘migraine ophtalmique’ als aparte nosologische entiteit van gewone migraine af te scheiden. Onder degenen die dit concept verwierpen, was zijn landgenoot Thomas, met zijn boek La migraine (1887). Een belangrijke bron voor de Nederlandse migraineliteratuur was het boek Die Migräne (1912) van de Pool Edward Flatau (1869-1932).30 Het gaf een goed overzicht van de literatuur over hoofdpijn en migraine tot die tijd. Flatau was een goed waarnemer, maar zijn behandelingsmethoden waren nogal toxisch: bijvoorbeeld subcutane arsenicuminjecties – overigens werd arsenicum al tientallen jaren bij migraine voorgeschreven.

In de Nederlandse literatuur uit de 19e eeuw is niet veel over migraine te vinden, maar wellicht is door een aantal Nederlanders, zoals in die tijd gebruikelijk, in Duitse en Franse tijdschriften gepubliceerd (bijvoorbeeld door Donders en Van Deen). In diverse Nederlandse tijdschriften werden buitenlandse publikaties over migraine in een aantal korte artikelen samengevat, zoals in het Practisch tijdschrift voor de geneeskunde in al haren omvang. Hierin is onder meer een referaat (1831) te vinden met de titel ‘Nuttigheid der Blaauwzure Zink, tegen Periodieke Hoofdpijnen’,31 waarin een 34-jarige man wordt beschreven die dagelijks een aanval van hevige pijn ter plaatse van de rechter voorhoofdsholte had. Dat duurde telkens enkele uren en ging gepaard met slijmafvloeiing uit het rechter neusgat en een hangend ooglid. Buiten de aanvallen ‘bevond de lijder zich volkomen wel’. Men veronderstelde een syfilitische oorsprong en behandelde hem met diverse kwikpreparaten. Na anderhalf jaar hield de pijn op, maar deze keerde na enige jaren, na ‘eene koude gevat op de jagd’, weer terug, deze keer aan de linker zijde. Na behandeling met ‘blaauwzure zink’ verdween de pijn in enkele weken. Deze ‘periodieke’ hoofdpijn is wederom een treffende beschrijving van clusterhoofdpijn.

Enkele tijdschriftartikelen handelen over symptomatische hoofdpijn, zelden wordt idiopathische hoofdpijn besproken. Het reeds door Van Swieten gebruikte kinine wordt in 1833 weer toegepast.

Een geliefd onderwerp aan het eind van de 19e eeuw was de ‘migraine ophtalmoplégique’. Steenhuisen promoveerde op dit onderwerp in 1893 te Leiden.32 Hij kon op dat moment 20 zuivere casussen in de literatuur vinden, waaronder die van Moebius (een publikatie uit 1884) en van Charcot (1892). Er was in 3 gevallen sectie verricht: bij één patiënt vond men tuberculose en bij een andere ‘fibreuze strengen’ rondom de N. oculomotorius. Steenhuisen behandelt de differentiaaldiagnose ten opzichte van tumor cerebri en lues. Hij veronderstelt een langzaam progressief anatomisch proces. Een aanval zou te wijten zijn aan ‘partiële fluxie naar de zieke deelen of aan eene meer algemeene hyper-aemie, die alleen in den ziektehaard als locus minoris resistentiae pathologische verschijnselen veroorzaakt’.

BESCHOUWING

Alhoewel in Nederland geen opzienbarende theorieën zijn ontwikkeld over hoofdpijn en migraine, weerspiegelt de Nederlandse literatuur de opvattingen die in een bepaalde tijd heersten. Tot het begin van de 19e eeuw werd in de literatuur vooral aandacht geschonken aan wat wij thans ‘symptomatische hoofdpijn’ noemen, mogelijk omdat deze vroeger een belangrijke plaats innam. Desondanks is een aantal goede observaties van migraine en clusterhoofdpijn bewaard gebleven.

In de 19e eeuw begonnen de ideeën over migraine meer vorm te krijgen, mede onder invloed van de ontdekkingen met betrekking tot de vasomotoriek en de theorieën over de samenhang met epilepsie. Toch werd in deze periode in Nederland voor zover wij hebben kunnen nagaan weinig gepubliceerd over migraine.

Isler vergeleek migraine met een zwarte doos.33 Door de eeuwen heen heeft men geprobeerd te verklaren wat er binnenin gebeurt. In Galenus‘ tijd wilden de geneeskundigen, evenals later, hun theorie laten passen in de heersende medische leersystemen, aanvankelijk de humorale Hippocratisch-Galenische leer, welke eeuwen heeft standgehouden. Daarna is een geleidelijke overgang naar het empirisme waarneembaar, en ten slotte zien wij de opkomst van de natuurwetenschappelijke benadering in de 19e eeuw.

Wij danken prof.dr.M.J.van Lieburg, medisch historicus, voor het beschikbaar stellen van de Index Nederlandse Medische Periodieken tot 1900 (Vrije Universiteit Amsterdam-Erasmus Universiteit Rotterdam) en mw.M.van der Kroft, bibliothecaris, Academisch Ziekenhuis Leiden, voor speurwerk in de diverse catalogi.

Literatuur

  1. Norman JM, editor. Morton's medical bibliography anannotated check-list of texts illustrating the history of medicine (Garrisonand Morton). 5th ed. Cambridge: Scolar Press, 1991.

  2. Meertens PJ. Letterkundig leven in Zeeland in de zestiendeen de eerste helft der zeventiende eeuw. Amsterdam: Noord-HollandscheUitgevers maatschappij, 1943.

  3. Hoorn CM van. Levinus Lemnius 1505-1568. Kloosterzande:Duerinck-Krachten, 1978.

  4. Banga J. Geschiedenis van de geneeskunde en van harebeoefenaren in Nederland. Leeuwarden: Eekhoff, 1868.

  5. Pratensis J. De cerebri morbis, hoc est ferme omnibuscurandis. Basel: Petri, 1549.

  6. Foreest P van. Observationum et curationum medicinalium,ac chirurgicarum opera omnia. Rotho magi, 1653.

  7. Heurnius J. De morbis qui in singulis partibus humanicapitis insidere consueverunt. Lugdunum Batavorum: Raphelengium,1594.

  8. Tulp NP. Observationes medicae. 5th ed. LugdunumBatavorum: Vivie, 1716.

  9. Tulp N. Geneeskundige waarnemingen. Lugdunum Batavorum:Wishoff, 1740.

  10. Apeldoorn CGL, Beijer T. Geneesinzichten van Dr. NicolaasTulp transcriptie. Amsterdam: Six Art Promotion, 1991.

  11. Koehler PJ. Prevalence of headache in Tulp'sObservationes Medicae (1641) with a description of cluster headache.Cephalalgia 1993;13:318-20.

  12. Linden JA van der. De hemicrania menstrua. Historia etconsilium. Lugdunum Batavorum: Elsevirum, 1660.

  13. Stalpart van der Wiel C. Hondert seldsame aanmerkingen,so in de Genees- als Heel- en Sny-Konst etc. Amsterdam: Ten Hoorn,1682.

  14. Endtz LJ, Mensonides HM, Hasselt M van. DeHage-Professoren. Geschiedenis van een chirurgische school. Amstelveen:Specia, 1972.

  15. Schulte BPM. Hermanni Boerhaave Praelectiones de morbinervorum. Leiden: Brill, 1959.

  16. Isler H. Retrospect: the history of thought aboutmigraine from Aretaeus to 1920. In: Blau JN, editor. Migraine. London:Chapmann & Hall, 1987.

  17. Isler H. Thomas Willis‘ two chapters on headache of1672. Headache 1986;26:95-8.

  18. Isler H. Episodic cluster headache from a textbook of1745: Van Swieten's classic description. Cephalalgia1993;13:172-4.

  19. Swieten G van. Verklaaringen der korte stellingen vanHerman Boerhaave over de kennis en geneezing der ziekten. Deel II. Leiden:Verbeek, 1760-3.

  20. Opdorp TF van. De dolore capitis in genereproefschrift. Lugdunum Batavorum: Pluygers, 1789.

  21. Brakel van de Kluyt M a. De cephalalgia. Zutphen: Moojen,1746.

  22. Muller JA. De cephalalgia. Lugdunum Batavorum: VanLeeuwen, 1820.

  23. Liveing E. On megrim, sick headache, and some allieddisorders. London: Churchill, 1873.

  24. Schiller F. The migraine tradition. Bull Hist Med1975;49:1-19.

  25. DuBois-Reymond E. Zur Kenntniss der Hemikrania. Arch AnatPhysiol Wissensch Med 1860:461-8.

  26. Möllendorff. Ueber Hemikranie. Virchows ArchA 1867;41:385-95.

  27. Brown-Séquard CE. Remarques surl'hémicranie ou migraine. J Physiol de l'Homme et desAnimaux 1861;4:137-9.

  28. Koehler PJ. Brown-Séquard's comment on DuBois Reymond's ‘Hemikrania sympathicotonica’. Cephalalgia(ter perse).

  29. Moebius PJ. Die Migräne. Wien: Hölder,1894.

  30. Flatau E. Die Migräne. Berlin: Springer,1912.

  31. Anonymus. Nuttigheid der Blaauwzure Zink, tegenPeriodieke Hoofdpijnen. Practisch tijdschrift voor de Geneeskunde in al harenomvang 1831;10:381-2 (samenv. J Pract Heilk 1830, jul. 419).

  32. Steenhuisen GT. Recidiveerende oculomotorius verlammingproefschrift. Leiden: Van der Hoek, 1893.

  33. Isler H. The Galenus tradition and migraine. J HistNeurosci 1992; 1:227-33.