'Medicamenteuze interventies bij drugverslaving'; een advies van de Gezondheidsraad

Klinische praktijk
M.A. Goppel
W. van den Brink
J.M. van Ree
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1637-40
Abstract

Samenvatting

- Verslaving is een tot chroniciteit neigende, recidiverende hersenaandoening bij het ontstaan waarvan biologische, psychologische en sociaal-culturele factoren een rol spelen. De Gezondheidsraad heeft een advies uitgebracht over medicamenteuze interventies.

- Behandeling van verslaving behoort tot het domein van het medisch handelen.

- Voor de behandeling van heroïneverslaving is een toenemend aantal effectieve medicamenten beschikbaar, die niet allemaal in Nederland verkrijgbaar zijn.

- Op dit moment zijn nog geen effectieve geneesmiddelen beschikbaar voor de behandeling van verslaving aan cocaïne.

- Bij polydrugverslaving zal medicamenteuze behandeling zich moeten richten op de verschillende verslavingen apart.

- Medicamenteuze interventies alleen zijn echter zelden voldoende; voor bijna alle patiënten is ondersteunende psychosociale behandeling van belang. De behandeling van verslaafden moet vaak jaren worden voortgezet. De Gezondheidsraad beveelt aan verslavingsartsen verantwoordelijk te maken voor de multidisciplinaire behandeling.

- Het is noodzakelijk dat in de medische opleidingen aandacht wordt besteed aan de praktische aspecten van de behandeling van en het omgaan met verslaafden. De organisatie en de personeelsbezetting van de instellingen voor verslavingszorg dienen te voldoen aan de eisen die aan een gezondheidszorgvoorziening worden gesteld.

- Publieksvoorlichting over verslaving en de mogelijkheden tot behandeling van verslaafden kunnen bijdragen tot destigmatisering van deze categorie patiënten.

Auteursinformatie

Gezondheidsraad, Postbus 16052, 2500 BB Den Haag.

Mw.M.A.Goppel, secretaris.

Universiteit van Amsterdam, Amsterdam Institute for Addiction Research, Amsterdam.

Prof.dr.W.van den Brink, arts-epidemioloog.

Universitair Medisch Centrum Utrecht, Rudolf Magnus Instituut voor Neurowetenschappen, afd. Farmacologie en Anatomie, Utrecht.

Prof.dr.J.M.van Ree, farmacoloog.

Contact mw.M.A.Goppel (ma.goppel@gr.nl)

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

R.P.W.
Spieksma

Den Haag, augustus 2003,

Naar aanleiding van het artikel van Goppel et al. (2003:1637-40) zou ik de volgende kanttekening willen maken. Onder het kopje ‘Detoxificatie’ staat te lezen dat ‘cold turkey’-afkicken niet in het belang van de patiënt is. Ik ben zelf 30 jaar huisarts en eenzelfde tijd parttime werkzaam als verslavingsarts in de verslavingszorg in Den Haag; mijn ervaring met de gewone straatheroïne is dat deze zo versneden is dat er maar een gering percentage heroïne in zit. Het gevolg hiervan is dat er bij afkicken maar geringe klachten ontstaan. Als cold-turkeyverschijnselen ziet men voornamelijk buikkrampen, diarree, overgeven, zweten, spierpijnen, loopneus, tranende ogen en kippenvel; dit zijn – behalve de laatste 4 verschijnselen – gewoon de symptomen van een buikgriep. Het stelt weinig voor, duurt een week en is medisch niet gevaarlijk, in tegenstelling tot alcoholabstinentie; mijns inziens hoeft niet onmiddellijk een behandeling te worden begonnen met opiaatvervangende middelen of α2-adrenerge agonisten (clonidine). In gesprekken hebben verslaafden het vóórkomen van deze slechts geringe verschijnselen vaak bevestigd. In de lekenpers en op de televisie, maar helaas ook in de medische literatuur wordt het afkicken van heroïne sterk overdreven. De ouderwetse morfinisten daarentegen (meestal artsen, apothekers of verpleegkundigen) vormen een uitzonderingsgroep: als die afkicken, is opname in een kliniek noodzakelijk. Een groot nadeel van methadon is, zoals Goppel et al. zelf ook al aangeven, dat langdurige, soms levenslange behandeling noodzakelijk is. Ik denk dat de cold-turkeymethode – met veel voorlichting en begeleiding, vooral voor familieleden, huisartsen, gevangenisartsen en ziekenhuisartsen – best een optie is voor de behandeling voor heroïneverslaafden.

R.P.W. Spieksma

Den Haag, september 2003,

De huisarts-verslavingsarts Spieksma heeft de ervaring dat bij afkicken van ‘gewone straatheroïne’ er ‘maar geringe klachten ontstaan’ die deels vergelijkbaar zijn met de symptomen van een buikgriep. Terecht wijst hij erop dat in dergelijke gevallen behandeling met opiaatvervangende middelen of α2-adrenerge agonisten meestal niet nodig zal zijn. De huidige straatheroïne heeft echter, afhankelijk van de stad en de dealer, naar schatting een zuiverheid van 30-50%; hoewel dat niet zoveel is als in sommige plaatsen in de VS, waar de zuiverheid kan oplopen tot 80 à 90%, is het toch een aanzienlijk percentage. Veelal zullen de onthoudingsverschijnselen die optreden na abrupt staken van frequent heroïnegebruik dan ook heftiger zijn dan Spieksma beschrijft. Het niet behandelen van dergelijke cold-turkeyverschijnselen – in het Gezondheidsraadadvies omschreven als ‘een hevig en dagen aanhoudend onthoudingssyndroom’1 – is niet in het belang van de patiënt. In dit advies wordt er bovendien op gewezen dat de resultaten van de cold-turkeymethode, ook wanneer de onthoudingsverschijnselen symptomatisch worden behandeld, niet beter zijn – en mogelijk minder goed – dan die van afkicken met methadon. Overigens zijn de langetermijneffecten van detoxificatie weinig bemoedigend; om die reden adviseert de Gezondheidsraad abstinentie alleen als behandeldoel te kiezen wanneer de patiënt, volgens hem- of haarzelf en de behandelend arts, daaraan toe is en wanneer de persoonlijke en sociale omstandigheden gunstig zijn.

M.A. Goppel
W. van den Brink
J.M. van Ree
Literatuur
  1. Gezondheidsraad. Medicamenteuze interventies bij drugverslaving. Publicatienr 2002/10. Den Haag: Gezondheidsraad; 2002.