Mazelenepidemie in Nederland, 1999-2000
Open

Onderzoek
30-12-2001
S. van den Hof, J.H.T.C. van den Kerkhof, P.B.G. ten Ham, R.S. van Binnendijk, M.A.E. Conyn-van Spaendonck en J.E. van Steenbergen

Doel.

Beschrijving van de mazelenepidemie in Nederland in 1999-2000.

Opzet.

Inventariserend descriptief.

Methoden.

Geïntensiveerde surveillance van mazelen door een casusregister bij het bureau van de Landelijke Coördinatiestructuur lnfectieziektebestrijding (LCI).

Resultaten.

Er werden 3292 mazelenpatiënten gemeld, bijna allen uit regio's met een lage vaccinatiegraad. Van alle patiënten was 94 ongevaccineerd; 85 van hen om religieuze redenen. Van de 158 (5) gevaccineerde patiënten hadden 157 de tweede dosis vaccin (nog) niet ontvangen. De incidentie van mazelen was hoger naarmate de vaccinatiegraad in de gemeente lager was. Dit gold zowel voor ongevaccineerde als voor gevaccineerde personen. Van de aangemelde patiënten waren er 3 overleden. Het percentage patiënten met ≥ 1 complicatie was 22 in de groep jonger dan 15 maanden, 19 in de groep 15 maanden-4 jaar, 16 in de groep 5-9 jaar, 11 in de groep 10-19 jaar, en 15 in de groep ouder dan 19 jaar.

Conclusie.

Gezien de waargenomen complicaties ging het bij de beschreven epidemie niet om een onschuldige ziekte. Vaccinatie ging gepaard met effectieve bescherming tegen mazeleninfectie en bijbehorende complicaties. De groepsimmuniteit buiten ongevaccineerde groepen was voldoende om daar een epidemie te voorkomen. Overdracht naar gevaccineerde kinderen komt voor; de grootste risicofactor voor mazelen bij gevaccineerde kinderen is een verblijf in een regio met een lage vaccinatiegraad.