Levodopa en de progressie van de ziekte van Parkinson
Open

In het kort
20-05-2005
R.M.A. de Bie

Levodopa wordt gebruikt bij de behandeling van de ziekte van Parkinson, omdat het de symptomen ervan het best vermindert. Het is echter onzeker of levodopa niet het verval bevordert van cellen in de substantia nigra, die dopamine afgeven in het striatum. De twijfel hierover maakt dat de meeste behandelaars terughoudend zijn met het voorschrijven van levodopa in de vroege fase van de ziekte van Parkinson.

De Parkinson Study Group onderzocht het effect van levodopa op de progressie van de ziekte van Parkinson in een gerandomiseerd dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek.1 Aan het onderzoek deden 361 patiënten met beginnende ziekte van Parkinson mee. De patiënten werden gerandomiseerd voor placebo of levodopa in een dosering van 150 mg, 300 mg of 600 mg per dag gedurende 40 weken, gevolgd door 2 weken zonder behandeling. De primaire uitkomstmaat was het verschil tussen de beginmeting en de meting bij 42 weken op de ‘Unified Parkinson’s disease rating scale’ (UPDRS). Tevens werd bij 142 patiënten bij de start van het onderzoek en na 40 weken de dopamine-‘transporter’-dichtheid in het striatum bepaald met behulp van de opname van met jood-123 gemerkt 2-?-carboxymethoxy-3-?-(4-iodofenyl)tropaan (123I?-CIT) en ‘single-photon-emission computed tomography’ (SPECT). De dopaminetransporter bevindt zich op de uiteinden van de cellen die vanuit de substantia nigra dopamine afgeven in het striatum.

De ernst van de parkinsonverschijnselen gemeten met de UPDRS nam statistisch significant meer toe in de placebogroep dan in de groepen die levodopa kregen. Het gemiddelde verschil op de UPDRS tussen de beginmeting en na 42 weken was een toename van 7,8 punten voor de placebogroep, 1,9 voor de groep die 150 mg levodopa per dag kreeg, 1,9 voor de groep die 300 mg levodopa per dag kreeg en een afname van 1,4 punten voor de groep die 600 mg levodopa per dag kreeg. De gemiddelde 123I?-CIT-opname daarentegen bleek statistisch significant meer afgenomen te zijn in de levodopagroepen dan in de placebogroep.

De veranderingen op de UPDRS zouden enerzijds kunnen wijzen op de mogelijkheid dat levodopa de ziekteprogressie vertraagt en anderzijds kunnen ze betekenen dat levodopa een langduriger effect heeft op de symptomen. De verminderde 123I?-CIT-opname in de levodopagroepen echter zou kunnen passen bij de veronderstelling dat levodopa de ziekteprogressie versnelt of dat levodopa de dopaminetransporter in aantal of functie verandert. De auteurs concluderen op grond van de klinische observaties terecht dat levodopa de ziekteprogressie niet versnelt. Helaas geeft het SPECT-gedeelte van het onderzoek hier geen definitief uitsluitsel over.

Literatuur

  1. The Parkinson Study Group. Levodopa and the progression of Parkinson’s disease. N Engl J Med 2004;351:2498-508.