Lage rugpijn: niet leren behandelen, maar begrijpen

Commentaar
27-11-2017
Birgit E.C. Niënhaus en Floris A. van de Laar

Reacties (2)

Inloggen om een reactie te plaatsen
Piet van Loon
03-12-2017 12:11

Rugpijn, quo vadis?

Teleurstelling over de gebrekkige aanpak bij “rugpijn” deel ik. Waar is een oorzakelijk model met een organisch substraat? Centraal stellen van een baaierd van biopsychosociale factoren als oorzaak gaat me te ver en deel ik zo niet. Pijn kent wel degelijk een begrijpelijke opbouw als we het biomechanisch model uit de praktische anatomie weer oppakken. Het is het fysieke groeiproces dat bepaalt of je al dan niet rugpatiënt wordt, door de effecten van zitten op het kinderlijf. Pijn kan mechanisch maar ook neurodynamisch verklaard. Voor “pijn” is immers mechanische rek nodig!

Uit eigen ervaring hanteer ik een model met wel degelijk een meetbaar substraat als basis van de klachten. Rugpatiënten met een lange weg langs (para-)medici, pijnpoli`s en zelfs operaties blijken baat te hebben bij de interventies op basis van dit model. Ik ben echter niet zelf in de positie bewijs te leveren over de werking van dit model. Hopelijk anderen wel. Want hij is m.i. veelbelovend en kent een krachtige traditie.

Het model kent als basis van functionele beperkingen in het bewegingsapparaat het verschijnsel overmatige compressie op tussenwervelschijven, vooral in de groei! Deze (over-)belasting kan al vroeg pijn geven (RIVM), maar gevolgen op houding en stijfheid kunnen pijnklachten triggeren, tot hevige radiculaire patronen toe.

Het lichaam kent een functionele veiligheidsklep die zich uit in stijfheid van de wervelkolom, maar ook in stijfheid/tightness van neuromusculaire structuren. Eenvoudige functiestesten laten dit zien.

In ons model wordt de mate van symptomen bepaald door de mate van malalignment in het bewegingsapparaat. En verder door relatieve verkorting van de betrokken rug- en beenspieren (fascieleer) zodat krachttraining averechts kan werken en pijn en blessures geeft.

Psychosociale factoren leveren een bijdrage aan de mate waarin malalignment en spierverkorting optreedt (beeldschermgebruik, verslaving, veel, verkeerd zitten; weinig gezonde bewegingsvormen, verkeerd meubilair, overgewicht, stress etc.).

De interventies zijn gericht op het leefgedrag (stop of rem de bron van teveel compressie, het zitten (niet dweilen met de kraan open) en oefeningen om het alignement te verbeteren en om de soepelheid en veerkracht van het spier-skeletstelsel te verbeteren.

En als er eenduidig vervorming in bot is opgetreden zijn andere interventies (uit de orthopedie) aan de orde. We zouden de samenwerking van zenuwen, spieren en botweefsel in de groei en hun rol bij pijn weer moeten leren kennen en eens grondig in research opnemen.

Piet van Loon, orthopeed, houdingsdeskundige; Care to Move houdingskliniek Deventer (pvanloon@planet.nl)

Birgit Nienhaus
11-12-2017 22:52

Rugpijn, quo vadis? antwoord

Geachte collega,

 

Hartelijk dank voor uw reactie op ons opinieartikel over de teleurstellende resultaten van  interventieonderzoek en ons pleidooi om het onderzoeksaccent te verschuiven naar een brede biopsychosociale benadering van chronische rugpijn.

Ik deel uw benadering van pijn wanneer dit acute of kortdurende pijnklachten betreft. In ons artikel richten we ons echter met name op de patiënt met chronische pijnklachten. Bij deze patiëntencategorie is de relatie met de initiële pijnprikkel verwaterd en schiet een puur biologische benadering mogelijk tekort. Dat is nu juist de verklaring dat alle bestaande interventieonderzoeken die zich richten op (voornamelijk) biologische aangrijpingspunten zo’n teleurstellende resultaten laten zien. Voor de goede orde: wij zijn niet tegen een grondige en deugdelijke biomechanische probleemanalyse, maar wij pleiten ervoor om psychologische en sociale factoren even serieus te nemen om de aard van de chronische pijn beter te begrijpen.

In uw reactie zegt u dat de interventies die u toepast gericht zijn op het leefgedrag (minder zitten) en oefeningen om soepelheid en veerkracht van het skeletspierstelsel te verbeteren. Ongeacht het verklarende model dat wordt gebruikt, sluiten de volgens u effectieve behandelopties naar mijn idee aan bij de huidige richtlijn, namelijk het motiveren van de patiënten met aspecifieke rugklachten actief te blijven. Hiervoor bestaat dan ook bewijs, al is dit bewijs met een matige bewijskracht en effect.

Hopelijk bent u het met ons eens dat er in de benadering van chronische rugpijn nog veel te winnen is en dat het wetenschappelijk onderzoek daarnaar de blik breed moet houden. Binnen die brede blik past óók een gedegen biomechanische analyse. De door u geschetste werkwijze kan in die zin een waardevolle en belangrijke bouwsteen zijn in de zoektocht naar het antwoord waarom rugpijn chronisch kan worden.

 

Met vriendelijke groet,

Birgit Nienhaus

Floris van de Laar