'La médecine c'est guérir parfois, soulager souvent, consoler toujours'; zoektocht naar de oorsprong van een aforisme
Open

Overig
23-12-2002
A.P.N.A. de Groof

De spreuk ‘La médecine c’est guérir parfois, soulager souvent, consoler toujours' wordt in de medische wereld regelmatig aangehaald. Vaak wordt vermeld dat deze woorden oorspronkelijk zijn uitgesproken door de beroemde Franse chirurg Ambroise Paré (1510-1590). Nader onderzoek doet echter sterk vermoeden dat dit niet het geval is. Het lijkt eerder aannemelijk dat het gaat om een oud adagium, dat wellicht al eeuwen rondgaat in de wereld van de geneeskunde, maar waarvan de oorsprong verloren is gegaan.

In de cursuszaal van het oude Sint Elisabeth's of Groote Gasthuis te Haarlem – in de wandeling ‘Elisabeth Gasthuis’ genoemd – bevond zich een in sierlijke letters geschilderde wandspreuk in het Frans: ‘La médecine c’est guérir parfois, soulager souvent, consoler toujours' De geneeskunde, dat is soms genezen, vaak verlichten, altijd troosten. Ik heb dit altijd een schitterend gezegde gevonden, geldend voor de artsen van alle tijden. Naar mij is gebleken, hechten vele beroepsgenoten er grote waarde aan. Ik heb deze woorden in de loop der jaren regelmatig doorgegeven aan jongere collega's, bijvoorbeeld tijdens een toespraakje wanneer zij waren geslaagd voor een examen. Voor sommigen heeft dit gezegde de waarde van een lijfspreuk: men ziet het bijvoorbeeld wel eens boven een overlijdensbericht staan.

Al geruime tijd vroeg ik mij af wie deze mooie spreuk heeft bedacht. Ik legde die vraag aan vele collega's voor. Vrijwel iedereen bleek de spreuk te kennen, maar niemand wist de oorsprong ervan. Stond onder de spreuk op het wandbord in het oude Elisabeth Gasthuis misschien een naam vermeld? Geen van de collega's die er gewerkt hebben, wist hier een antwoord op. Daarop begon mijn zoektocht.

Het Elisabeth Gasthuis1 werd in 1971 verlaten en kreeg een andere maatschappelijke bestemming, hetgeen gepaard ging met grote verbouwingen. Het lukte mij contact te leggen met degenen die destijds de verhuizing hadden begeleid. Zij konden zich niet herinneren wat er met het wandbord was gebeurd, en men kon het ook niet terugvinden. De fotograaf van het ziekenhuis, D.Wijkstra, vond wel een foto van de cursuszaal, waarop een wandbord met tekst is te zien (figuur 1). Deze opname werd gemaakt in 1971, tijdens de laatste klinische les. Na moeizame ontcijfering bleek dat op dit wandbord een andere spreuk stond: ‘Consolons-nous que l’incertitude est la prestance même de l'intelligence, la solennité le vice de Satan et l’enseignement l'un des visages de l’amitié' Laten we ons troosten met de gedachte dat de onzekerheid de houding bij uitstek is van de intelligentie, de gewichtigdoenerij een duivelse ondeugd en het onderwijs een der gezichten van de vriendschap. Dit bleek dus een doodlopend spoor. Enkele bezoeken aan de Kennemer Archiefdienst, waar de geschiedenis van het Elisabeth Gasthuis wordt bewaard, brachten evenmin het gewenste resultaat.

Omdat ‘mijn’ spreuk in het Frans is gesteld en onveranderlijk in deze taal in de literatuur wordt aangehaald, nam ik vervolgens contact op met bevriende Franse collega's. Eén van hen begaf zich op het internet en meldde mij dat daar Ambroise Paré veelvuldig wordt genoemd als auteur. Ook Nederlandse artsen kennen die toeschrijving.2 3 Een eigen ‘uitstapje’ naar het internet leverde nog andere interessante gegevens op. Zo vond ik varianten op de spreuk, bijvoorbeeld met als laatste deel ‘écouter toujours’ altijd luisteren in plaats van ‘consoler toujours’. Met betrekking tot deze variant wordt Louis Pasteur genoemd. In de mij ter beschikking staande beschrijvingen van het leven van Pasteur – die overigens geen medicus was – ben ik de spreuk echter niet tegengekomen.

Sommigen veronderstellen dat de spreuk al in de Griekse oudheid bekend was en afkomstig zou kunnen zijn van de zonen van Asklepios. Ik heb echter in de dissertatie De slangenstaf van Asklepios, symbool der geneeskunde van J.Schouten (directeur van de Goudse musea) geen aanwijzingen in deze richting gevonden.4

trousseau?

Niet lang geleden haalde de internist H.J.J.Seeverens ‘mijn spreuk’ aan.5 Hij vermeldde dat deze woorden in de grafsteen van Armand Trousseau zouden zijn gebeiteld. Seeverens schreef mij dat hij zich het citaat herinnerde uit vakbladen. Vervolgens heb ik twee biografieën over Armand Trousseau gelezen, respectievelijk van prof. Maurice Bariéty, verbonden aan het Hôtel Dieu in Parijs, en van dr.A.Keyser, neuroloog te Nijmegen. De bijdrage van de laatstgenoemde is opgenomen in een gedenkboek.6

De beroemde internist Trousseau (1801-1867) is bekend geworden door zijn scherp klinisch waarnemingsvermogen, zijn grote didactische gaven en zijn mensgerichte levenshouding, waarmee hij velen moed en troost heeft gegeven. Men komt zijn naam nog tegen bij het symptoom ‘main d’accoucheur' obstetrische hand bij tetanie; dit is het zogenaamde ‘teken van Trousseau’. Na zijn overlijden sprak zijn toenmalige chef de clinique Ch.E.Lasègue een grafrede uit. Ik heb even gedacht dat de spreuk wellicht aan Lasègue was toe te schrijven, maar dat bleek niet het geval.

Ik besloot te onderzoeken of de spreuk inderdaad op de grafsteen van Trousseau stond. Ik wendde mij schriftelijk tot de gemeente Parijs, afdeling Directions des Parcs, Jardins et Espaces Verts, met de vraag of men wilde nagaan wat er op de bewuste steen stond vermeld. Men heeft daar zeer welwillend op gereageerd. Het schriftelijk antwoord luidde dat op het graf geen andere inscriptie zichtbaar was dan ‘TROUSSEAU, 23 juin 1867’. Dit betekende dat ook dit spoor doodliep.

paré?

Omdat de naam Paré toch steeds weer opdook, verdiepte ik mij in het leven van deze beroemde chirurg, die leefde van 1510-1590 (figuur 2).7 8 Ambroise Paré werd geboren nabij Laval in Frankrijk in een eenvoudig gezin. Op jeugdige leeftijd trad hij als leerjongen in dienst bij een plaatselijke barbier, en hij viel al snel op door zijn buitengewone handigheid bij de behandeling van wonden en fracturen. Paré wilde graag een hogere opleiding volgen, maar kon niet worden toegelaten omdat hij geen Latijn had geleerd. Uiteindelijk kwam hij terecht in het Hôtel Dieu te Parijs als leerling-chirurgijn. Hij viel ook hier op door een groot praktisch talent, een scherp observatievermogen, leergierigheid en mensgericht denken – én door een grote bescheidenheid. Hij bereikte spoedig een hoog niveau in de kunst van de chirurgie van die dagen. Tevens bleek hij een vernieuwer in zijn wijze van behandelen. In 1536 trad hij op als legerchirurgijn tijdens de derde oorlog tussen Frans I en Karel V; hij ontwikkelde toen bijvoorbeeld een totaal nieuwe methode voor de behandeling van schotwonden.8 Men had in die tijd het idee dat deze wonden vergiftigd waren door het buskruit en men dacht de vergiftiging te kunnen bestrijden door hete olie in de wond te gieten. Tijdens een van de veldtochten paste ook Paré deze barbaarse behandeling toe. Op zekere dag was de olie op. Paré bracht toen een mengsel van eigeel, rozenolie en terpentijn in de wonden aan. Hij voelde zich eigenlijk schuldig en vreesde zijn patiënten tekort te hebben gedaan. Maar al zeer gauw bleek dat deze behandeling veel betere resultaten gaf.8 9 Ook heeft Paré de vaatligatuur herontdekt.9-11

Paré werd in 1552 benoemd tot lijfarts van de koning van Frankrijk; in deze functie heeft hij vier koningen gediend. In 1554 werd hij als ‘Maître Chirurgien’ opgenomen in het Collège St. Côme,7 een grote eer voor deze ‘selfmade man’. Hij was in 1545 begonnen zijn ervaringen op schrift te stellen, aanvankelijk in de vorm van monografieën. In 1572 verschenen grotere werken. Paré wordt alom geroemd om zijn menslievende instelling en om zijn grote bescheidenheid, gepaard aan diepe gelovigheid. Tijdens een van de veldtochten behandelde hij zeer deskundig een ernstig gewonde officier, die volledig herstelde; later kon men de volgende uitspraak van Paré over deze patiënt lezen: ‘Je le pansai, Dieu le guérit’ Ik verbond hem, God genas hem.

Oeuvres complètes.

Ik concludeerde dat zo'n nobele man heel goed de auteur van de spreuk zou kunnen zijn. Mogelijk zou ik deze in een van zijn werken kunnen aantreffen. Het lukte mij een in het Nederlands vertaald exemplaar van Parés Oeuvres complètes ter inzage te krijgen, een boek van fors formaat: 940 pagina's, in gotisch lettertype gedrukt en in 1627 uitgegeven door Hendrick Laurensz, boekverkoper ‘op ’t Water' (= Damrak) te Amsterdam.12 Figuur 3 toont de fraaie titelpagina op een matige kopie. Het werk is vertaald door Carolus Battus (= Carel Baten), ‘Medicijn ordinaris’ (‘stadsdokter’)13 te Dordrecht, die veel had gereisd en zijn talen sprak. Het is opmerkelijk dat dit werk zeker vier keer is herdrukt. Nog vele jaren na de dood van Paré werd het regelmatig gebruikt. Zijn boeken waren toegankelijk voor een grote groep lezers omdat ze niet in het Latijn waren gesteld, maar in de landstaal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Paré door velen als een autoriteit werd gezien. Terecht wordt hij beschouwd als de grondlegger van de chirurgie.

Ik ben uitgegaan van de gedachte dat de kans op het aantreffen van het aforisme het grootst was in het voorwoord of in de inleiding van de Oeuvres complètes.12 Ik heb deze dan ook met aandacht gelezen. Uit deze zogenaamde prefatie wil ik u enkele zinnen, weergegeven in de moderne spelling, niet onthouden. Paré schrijft: ‘Dit werk is totstandgekomen na 45 jaar praktijk. Het is een grote schande altijd bij het oude te blijven zonder méér daartoe te leren, want nog is er in deze loffelijkste kunst der chirurgie méér te zoeken. Daarom heb ik altijd ondertast onderzocht het hart en de secreten van alle landlopers, van welke ik beken diverse zonderlinge dingen geleerd te hebben (doch niet zonder onkosten). Een man kan niet alles alleen doen. Ik geef God alleen de eer van de arbeid die ik heb gedaan. Onwetendheid van de medici komt omdat de Ouden – Hippocrates, Galenus, Avicenna – in het Grieks, Latijn of Arabisch schreven.’ Daarop betoogt hij dat hij de schone Franse taal gebruikt opdat alle chirurgijns zijn werken kunnen begrijpen en zijn methoden dus alom kunnen worden toegepast. De anatomische figuren in zijn Oeuvres complètes zijn ontleend aan de beroemde atlas van Andreas Vesalius De humani corporis fabrica libri septem. Paré had de afbeeldingen tot ‘commoditeit’ (gemak) van de lezer ‘op eigen grote kosten’ in kleine plaatjes laten snijden.

Zeer boeiend om te lezen, maar helaas trof ik de spreuk niet aan. Vervolgens heb ik via bevriende collega's contact gezocht met prof.G.Pallardy, erelid van de Société d’Histoire de la Médecine. Deze wendde zich tot mw.P.Dumaître (‘membre d’honneur du Bureau Société Française d'Histoire de la Médecine’), voormalig hoofd van de interuniversitaire medische bibliotheek te Parijs. Zij heeft talloze medisch-historische publicaties op haar naam staan. Mijn zegsman deelde mee dat zij en haar medewerkers gedurende tientallen jaren de geschriften van Paré hebben bestudeerd zonder daarin ooit de spreuk te zijn tegengekomen. In Frankrijk geldt Dumaître als dé specialist in het onderwerp Paré. Zij schreef ook een biografie over hem, getiteld Ambroise Paré, chirurgien de 4 rois de France (1986; recent herdrukt).

In het bezit van collega M.C.de Haan te Eindhoven, verzamelaar van medisch-historische boeken, bevindt zich het proefschrift van C.L.W.Rogge: De betekenis van Ambroise Paré, verdedigd te Groningen in 1973. De Haan was zo vriendelijk dit geschrift door te nemen, maar ook hij trof de spreuk niet aan.

slot van de zoektocht

Het lukte dus maar steeds niet om de auteur van de spreuk te traceren. Tenslotte heb ik getracht te achterhalen hoe oud het gezegde is. Daartoe riep ik de hulp in van drs.F.C.Hoogewoud, verbonden aan de Universiteits Bibliotheek Amsterdam. Deze verdiepte zich in twee Franse publicaties, te weten Proverbes français, antérieurs au quinzième siècle van J.Morawski en Proverbes et expressions proverbiales dans la littérature narrative du moyen âge français van E.Schulz-Busacker. De spreuk werd hierin niet vermeld. Hoogewoud opperde de mogelijkheid dat de spreuk misschien niet erg oud is. Als voorbeeld noemde hij een tekst waarvan men aannam dat die dateerde uit 1692. Na een langdurige en moeizame zoektocht bleek dat de tekst in werkelijkheid in 1927 was geschreven.

Ook de bibliotheek van de Académie Nationale de Médecine te Parijs onderzocht op mijn verzoek hoe oud de spreuk was. Men antwoordde mij dat de spreuk in geen enkel citatenboek voorkomt, en dat het waarschijnlijk gaat om een oud gezegde dat verwant is aan de categorie van de spreekwoorden.

Hierop besloot ik mijn nasporingen te staken. Deze speurtocht heeft eigenlijk alleen de waarschijnlijkheid opgeleverd dat Paré níét de auteur van de spreuk is, hoewel hij degene is die er het vaakst mee in verband wordt gebracht.

Het lijkt aannemelijk dat de spreuk een aforisme is dat wellicht al eeuwen rondgaat in medische kringen, maar waarvan de oorsprong verloren is gegaan. Desondanks heeft de zoektocht mij leuke ervaringen gebracht. Ik ben mij er uiteraard van bewust dat ik een amateur ben en geen historicus. Mogelijk worden anderen geïnspireerd tot het zoeken naar nieuwe invalshoeken.

Laten wij de spreuk vooral in ere houden door hem als richtlijn voor ons dagelijks medisch handelen te gebruiken. Vooral de laatste woorden, ‘consoler toujours’, verdienen aandacht in deze tijden van materialisme, haast en drukte, althans voor mijn gevoel. Het troosten moet in brede zin worden opgevat: steunen, perspectief bieden, helpen bij de verwerking van slecht nieuws enzovoort. Ondanks de voortdurende verbetering van de medische zorg zal het bieden van troost ook in de toekomst zeer noodzakelijk blijven.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur

  1. Kersbergen LC. Geschiedenis van het Sint Elisabeth'sof Groote Gasthuis. Enschede; 1931 en 1969.

  2. Mulkens RH. ‘Verlichten: vaak’; aandacht voorpalliatieve zorg in Nederland ingezonden.Ned TijdschrGeneeskd 2002;146:90.

  3. Bremer GJ. ‘Troosten: altijd’;condoleancebetuigingen van artsen aan de nabestaanden van hun patiënteningezonden.Ned TijdschrGeneeskd 2002;146:440.

  4. Schouten J. De slangenstaf van Asklepios, symbool dergeneeskunde. Z.pl.; 1963.

  5. Seeverens HJJ. De verzekeraar en het ijsje. MedischContact 2000; 55:1819.

  6. Keyser A. Het symptoom van Trousseau. In: Koehler PJ,Bruyn GW, Arts NJM, redacteuren. Het neurologisch onderzoek in eponiemen.Nijmegen: Arts en Boevé; 1995.

  7. Meyer-Steineg Th, Sudhoff K. Geschichte der Medizin imÜberblick mit Abbildungen. 3e dr. Stuttgart: Fischer; 1928.

  8. Sigerist HE. Grosse Ärzte. Z.pl.: Lehmann;1932.

  9. Diepgen P. Geschichte der Medizin. Sammlung Göschen,deel 786. Z.pl.: De Gruyter; 1919.

  10. Gruber GB. Einführung in Geist und Studium derMedizin. Stuttgart: Thieme; 1934.

  11. Walker K. Histoire de la médecine. Verviers:Gérard; 1962.

  12. Paré A. De chirurgie ende alle de opera.Amsterdam: Hendrick Laurensz; 1627.

  13. Baumann ED. Uit drie eeuwen Nederlandse geneeskunde.Amsterdam: Meulenhoff; z.j.