Kunstoorsmeer en de toepassing ervan na chronische otitis externa
Open

Richtlijnen
12-08-1990
V. Bongers, P. Nauta en E.H. Huizing

Chronische otitis externa is een aandoening die ondanks veel inspanning vaak moeilijk te genezen blijkt te zijn. Bovendien treedt in vele gevallen recidief op. Hieraan kunnen verschillende factoren ten grondslag liggen, zowel exogene als endogene. Een aspect dat onzes inziens meer aandacht verdient, is het verloren gaan van de eigen oorsmeerproduktie.

Als gevolg van het chronische ontstekingsproces gaan de cerumen- en talgklieren geheel of gedeeltelijk verloren zodat de gehoorgang zijn natuurlijke bescherming ontbeert. Door het ontbreken van de vetfilm en het bacteriostatische effect van het zure cerumen krijgen micro-organismen gemakkelijk een kans. Zeer waarschijnlijk is dit een van de oorzaken waardoor een chronische otitis externa zo vaak recidiveert. Het regeneratievermogen van de cerumenklieren is groot, maar het kan jaren duren voordat er weer een redelijke cerumenproduktie bestaat. Het langdurige gebruik van zalven en druppels met o.a. corticosteroïden zal de regeneratie van deze klieren in het algemeen belemmeren en niet bevorderen.

Om deze reden werd besloten een kunstoorsmeer te ontwikkelen die de patiënt kan gebruiken in de periode tussen de genezing van de ontsteking en het herstel van de cerumenproduktie.

SAMENSTELLING EN EIGENSCHAPPEN VAN CERUMEN

Cerumen is een half vloeibare tot half vaste, vettig aanvoelende substantie met een uiterst complexe samenstelling (tabel). Lipiden en proteïnen zijn de belangrijkste bestanddelen. Bij produktie is cerumen half vloeibaar en geelbruin, aan de lucht blootgesteld wordt het vaster van substantie en donkerder van kleur. De pH varieert van 5 tot 5,7.

Cerumen blijkt een groeiremmende werking te hebben op een groot aantal bacteriën en schimmels. In vitro remt het de groei van bacteriën die vaak in de gehoorgang worden aangetroffen, o.a. Staphylococcus aureus, S. epidermidis, Streptococcus pyogenes, Pseudomonas aeruginosa, Escherichia coli, Propionibacterium acnes en Corynebacterium spurium.6-8 Schimmels die in het experiment door cerumen geremd bleken te worden, zijn o.a. Aspergillus en Trichophyton. Dit vermogen is te danken aan de aanwezigheid van zware metalen in cerumen, met name koper, en aan de lage pH.

KUNSTCERUMEN

Bij het samenstellen van een kunstcerumen is een aanzienlijke simplificatie nodig ten opzichte van de samenstelling van het natuurlijke cerumen. Primair lijkt het belangrijk dat de zalf vet is, een iets zure pH heeft, bij gehoorgangstemperatuur (31°C) gemakkelijk smeerbaar is en geen stoffen bevat die veelvuldig een allergische reactie oproepen of sensibiliseren.

Aanvankelijk werd geëxperimenteerd met een mengsel van uitsluitend lipiden zonder proteïnen en elektrolyten, omdat proteïnen voedingsstoffen voor micro-organismen kunnen zijn en de individuele concentraties van de afzonderlijke aminozuren en elektrolyten in cerumen niet bekend zijn. Uitsluitend uit lipiden samengesteld kunstoorsmeer bleek echter te vast van consistentie. Daarom werd de hoeveelheid lipiden tot 50 gereduceerd en vaselinum flavum toegevoegd. Gekozen werd tenslotte voor de volgende samenstelling: vaselinum flavum 50, stearinezuur 5, monostearine 5, monoöleïne 15, undecyleenzuur 15, cetiol V 10. Deze zalf geeft een zure reactie (pH 4,4) en is bij gehoorgangstemperatuur voldoende smeerbaar. Koel bewaren lijkt aan te bevelen om ontleding van esters tegen te gaan. Door de afwezigheid van water is er geen gevaar van bacteriegroei. Met betrekking tot de houdbaarheid wordt 1 jaar aangehouden.

ERVARINGEN

In de periode 1986-1988 werd het Utrechtse kunstoorsmeer voorgeschreven aan 25 personen bij wie als gevolg van een langdurige chronische otitis externa geen cerumenproduktie meer bestond. De patiënten werd geïnstrueerd de zalf met een steriel wattenstokje in de buitenste helft van de gehoorgang aan te brengen. In het begin van de behandeling wordt het kunstoorsmeer gecombineerd met een op de oorzaak van de huidaandoening gerichte lokale zalf- of druppeltherapie. Deze werd vervolgens geleidelijk gestaakt, waarna uitsluitend kunstoorsmeer werd geappliceerd, aanvankelijk 1 maal daags, later geleidelijk minder vaak.

De eerste ervaringen zijn bevredigend tot goed te noemen: 21 patiënten meldden een gunstig effect op de jeuk en de pijn (indien aanwezig) en 4 patiënten ondervonden een lichte irritatie, reden waarom de toepassing na korte tijd gestaakt werd. Allergische reacties deden zich niet voor. Bij 17 van de 21 patiënten die het kunstoorsmeer bleven gebruiken, werd (gedeeltelijke) terugkeer van de cerumenproduktie gezien.

Wij danken prof.dr.E.Young, dermatoloog-allergoloog, voor zijn waardevolle adviezen.

Literatuur

  1. Suzuki M, Suzuki A, Yamakawa T, Matsunaga E.Characterization of 2,7-anhydro-N-acetylneuraminic acid in human wet cerumen.J Biochem (Tokyo) 1985; 97: 509-15.

  2. Shichoijo S, Masuda H, Takeuchi M. Carbohydratecomposition of glycopeptides from the human cerumen. Biochem Med 1979; 22:256-63.

  3. George FB de, Ulhoa Cintre AB, Paiva LJ, Correa AP, NovaR. On the chemistry of cerumen: ash, volatile substances, sodium, potassium,calcium, magnesium, phosphorus and copper. Ann Otol Rhinol Laryngol 1964; 73:218-21.

  4. Chiang SP, Lowry OH, Senturia BH. Micro-chemical studieson normal cerumen; lipid and protein content of normal cerumen as affected byage and sex. Laryngoscope 1955; 65: 927-34.

  5. Baner WC, Carruthers C, Senturia BH. The free animo acidcontent of cerumen. J Invest Dermatol 1953; 21: 105-9.

  6. Stone M, Fulghum RS. Bactericidal activity of wet cerumen.Ann Otol Rhinol Laryngol 1984; 93: 183-6.

  7. Brook I. Microbiological studies of the bacterial flora ofthe external auditory canal in children. Acta Otolaryngol (Stockh) 1981; 91:285-7.

  8. Chai TJ, Chai TC. Bactericidal activity of cerumen.Antimicrob Agents Chermother 1980; 18: 638-40.