Kleine kwalen in de huisartsgeneeskunde: het hordeolum
Open

Richtlijnen
26-08-1987
K. Gill

Het hordeolum – in de volksmond ‘strontje’ genoemd – kan, al naar gelang de lokalisatie in het ooglid, onderscheiden worden in het hordeolum internum en het hordeolum externum. Dat een hordeolum niet altijd een onschuldige aandoening is, blijkt uit een publikatie in het American Journal of Ophthalmology uit 1926, waarin werd gerapporteerd over een hordeolum dat overging in cellulitis orbitae met infectie van de A. centralis en atrofie van de N. opticus als gevolg.1 Zeeman beschreef in zijn leerboek twee patiënten met deze complicatie met dodelijke afloop.2 Het is daarom van groot belang het ontstaan van cellulitis tijdig te onderkennen: het toenemen van de pijn, exophthalmus en bewegingsbeperking van het oog.

De incidentie van beide vormen samen bedraagt 3 patiënten per 1.000 per jaar. De aandoening is gelijkelijk verdeeld over de geslachten. Verwijzing naar een specialist vindt normaal gesproken niet plaats. Het hordeolum blijkt binnen de verschillende leeftijdsgroepen zoals gehanteerd in de Continue Morbiditeits Registratie van het Nijmeegs Universitair Huisartsen Instituut in dezelfde frequentie voor te komen. Er werd geen invloed van het seizoen op de frequentie vastgesteld. De diagnostiek en behandeling van het hordeolum dienen in eerste instantie in handen van de huisarts te zijn.34

HORDEOLUM INTERNUM

Het hordeolum internum is een acute infectie van een van de subconjunctivaal gelegen klieren van Meibom, die gepaard gaat met pusvorming en meestal veroorzaakt wordt door Staphylococcus aureus. Deze infecties komen minder vaak voor dan het hordeolum externum, maar kunnen door hun ligging eerder tot cellulitis orbitae leiden.

Het hordeolum internum begint met pijn en zwelling, eventueel uitgebreid tot over het gehele ooglid. De zwelling kan zo sterk zijn dat het oog niet te openen is. Er ontwikkelt zich een abces, dat uiteindelijk perforeert en wel meestal door de conjunctiva. Zelden volgt perforatie door het ooglid. Indien pus onder het conjunctivale oppervlak wordt gezien, zou incisie noodzakelijk zijn, maar dit is technisch onuitvoerbaar doordat het oog door de sterke zwelling niet kan worden geopend. Tijdens het gebruik van antibiotica zullen abcedering en spontane perforatie moeten worden afgewacht. Bij een chronische blepharitis en (of) conjunctivitis kunnen verschillende hordeola gedurende langere tijd optreden.

Tot de differentiële diagnose behoort het chalazion, een cyste van een klier van Meibom, dat nogal eens voorkomt na een hordeolum internum. Het is veelal in het midden van het ooglid gelokaliseerd, is minder pijnlijk en gaat zonder of met minder ontstekingsverschijnselen gepaard dan het hordeolum.

HORDEOLUM EXTERNUM

Het hordeolum externum is een lokale ontsteking van het ooglid uitgaand van een follikel van een ooghaar, waarbij in het bijzonder de bijbehorende klier van Zeis is ontstoken. De aandoening is het equivalent van een furunkel in de huid. Vrijwel altijd gaat het om een infectie door S. aureus. Het hordeolum wordt eveneens gezien als complicatie van acne vulgaris, waarbij het dan recidiverend voorkomt. Bij recidiverende hordeola moet voorts gedacht worden aan speciale oorzaken zoals diabetes mellitus en aan factoren zoals debilitas en infecties in de directe of met de handen bereikbare omgeving.5 Miller onderzocht aan het begin van de jaren vijftig het morbiditeitspatroon van opgroeiende kinderen; van de 246 onderzochte kinderen maakte 29 een duidelijke periode van Staphylococcus-infectie door. In een derde van de gevallen ging het om een hordeolum, in 40 om een multipele infectie.6

Het hordeolum manifesteert zich aanvankelijk als een lokaal of als een uitgebreid oedeem van het ooglid. Dit is afhankelijk van de plaats van infectie: bij laterale lokalisatie wordt de veneuze afvloed belemmerd, wat leidt tot een gegeneraliseerd oedeem. Dit beeld lijkt sterk op een cellulitis orbitae. Zorgvuldige palpatie van het ooglid zal echter de meest pijnlijke plaats aan de ooglidrand aan het licht brengen. De zwelling zal in enkele dagen toenemen, waarbij zich een puskopje vormt. Na doorbreken van het abces vloeit het pus af; door direct contact en verspreiding kan infectie van het aansluitende ooglid en de nabijgelegen follikels ontstaan.

Hoewel het een onschuldige aandoening betreft, kunnen de klachten erg hinderlijk zijn. Een zwaar gevoel van het ooglid wordt gevolgd door acute pijn. Na het afvloeien van het pus neemt de pijn snel af. Complicaties zijn zeldzaam. Bij cachectische patiënten kan een cellulitis orbitae optreden, vooral als de ontsteking zich bevindt op de binnenste canthus. Symptomen als toenemende pijn, exophthalmus en bewegingsbeperking van het oog, waardoor diplopie kan ontstaan, dienen tijdig te worden onderkend. Thrombophlebitis orbitae is beschreven, soms gevolgd door meningitis of trombose in de sinus cavernosus, die beide tot de dood kunnen leiden.

Hoewel nog steeds in huisartspraktijk en kliniek toegepast, wordt de lokale therapie met warme compressen in de recente literatuur niet meer genoemd of zelfs afgeraden wegens uitbreiding van de infectie bij ondeskundig gebruik en door maceratie van de huid.78 Het proces van abcedering wordt evenwel door een vochtig verband versneld. Als het abces na enkele dagen rijp is moet drainage plaatsvinden indien het niet spontaan perforeert. Mocht dit niet gebeuren, dan kan alsnog geïncideerd worden. Lokale behandeling met chlooramfenicolzalf kan uitbreiding van de infectie voorkomen of beperken.

Ter voorkoming van hordeola zal de aandacht gericht moeten zijn op een adequate bestrijding van bacteriële infecties elders, op algemene hygiënische maatregelen en instructies zoals handen wassen.

Literatuur

  1. Green J. Orbital cellulitis following hordeolum. Am JOphthalmol 1926; 3: 34-7.

  2. Zeeman WPC. Leerboek der oogheelkunde. 1e ed. Amsterdam:Wetenschappelijke Uitgeverij N.V., 1947.

  3. Werkgroep Epidemiologie in de huisartspraktijk. NijmeegsUniversitair Huisartsen Instituut. Gewone ziekten. Nijmegen: NijmeegsUniversitair Huisartsen Instituut, 1980.

  4. Es JC van, Melker RA de, Goosmann FCL. Kenmerken van dehuisarts-2. Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema, 1983.

  5. Duke-Elders S, MacFaul PA. System of ophthalmology.London: Henry Kimpton, 1974.

  6. Miller FJW. Growing up in Newcastle upon Tyne. London:University Press, 1960.

  7. Hudson RL. Treatment of styes and Meibomian cysts. AustFam Physician 1981; 10: 714-8.

  8. Bijsterveld OP van, Es JC van. Oogheelkundige problemen.Utrecht: Bunge, 1983.