Iris verraadt persoonlijkheid
Open

In het kort
04-02-2008
F. Stijntjes

Personen met donkere ogen zijn extraverter en neurotischer, zo werd vroeger vaak beweerd. Deze veronderstelling is nooit wetenschappelijk onderbouwd. Zweedse onderzoekers betogen nu dat eigenschappen van de iris, anders dan de oogkleur, wel degelijk samenhangen met kenmerken van iemands persoonlijkheid.1

Door een bundeling van kennis uit de genetica en de neuropsychologie hebben Larsson et al. aanwijzingen gevonden voor verbanden tussen ogen, hersenen en persoonlijkheid. Uit dierproeven is namelijk bekend dat het Pax-6-gen een belangrijke rol vervult in de ontwikkeling van zogenaamde ectodermale weefsels, de embryonale cellijn van het centraal zenuwstelsel; daartoe behoren cellagen in de iris en bepaalde delen van de hersenen. In gemuteerde vorm veroorzaakt het Pax-6-gen aanlegstoornissen van onder andere de ogen en de hersenen, zoals het ontbreken van de iris (aniridie), hypoplasie van de oogzenuw, mentale retardatie en neuropsychiatrische afwijkingen. Laatstgenoemde afwijkingen worden mogelijk veroorzaakt doordat het Pax-6-gen de opbouw regelt van hersendelen die deels verantwoordelijk zijn voor iemands karakter en persoonlijkheid, zoals de frontaalkwab, het anterieure deel van de gyrus cinguli van vooral de linker hemisfeer en het posterieure deel van het corpus callosum.

Op basis van deze indirecte relaties ontwikkelden Larsson et al. enkele hypothesen over mogelijke verbanden tussen iriskenmerken en persoonlijkheid. Enkele uitwendige kenmerken van cellagen in de iris werden systematisch gekwantificeerd: het aantal pigmentvlekken, het aantal crypten van Fuchs en de dichtheid daarvan, en het aantal ‘contractiegroeven’ en de dichtheid daarvan (figuur). Daarnaast werd door middel van vragenlijsten een groot aantal persoonlijkheidskenmerken gekwantificeerd. Er volgde een statistische analyse. De crypten van Fuchs en de contractiegroeven bleken statistisch significant samen te hangen met enkele persoonlijkheidstypen, pigmentvlekken niet. Personen met vele, dicht gegroepeerde crypten in de iris zijn extraverter en prettiger in de omgang en zij staan meer open voor experimenten dan personen met minder crypten. De hoeveelheid contractiegroeven en de dichtheid ervan bleken vooral verband te houden met neurotische kenmerken: naarmate de deelnemers minder contractiegroeven hadden, hadden zij minder controle over verlangens en driften en waren zij minder consciëntieus.

De bevindingen van Larsson et al. bieden een uniek en relatief eenvoudig instrumentarium voor het onderzoek naar persoonlijkheidskenmerken. Indien persoonlijkheidsontwikkeling als biomarker gebruikt wordt, is irisdiagnostiek wellicht een welkome aanvulling op het huidige, duurdere (functionele) MRI-onderzoek bij bijvoorbeeld longitudinale cohort- of tweelingstudies. Wellicht kan ook de irisscan op luchthavens en in de beveiligingsbranche gecombineerd worden met een aanvullend persoonlijkheidsprofiel, wat u een aardige metgezel op lange vliegreizen zou kunnen opleveren.

Literatuur

  1. Larsson M, Pedersen NL, Stattin H. Associations between iris characteristics and personality in adulthood. Biological Psychology. 2007;75:165-75.