Immunotherapie voor diabetes mellitus type 1

Stand van zaken
05-04-2012
Cornelis R. van der Torren en Bart O. Roep
  • De behandeling van diabetes mellitus type 1 (DM1) is sterk verbeterd, maar beperkt zich tot bestrijding van de gevolgen van de ziekte.

  • De streefwaarden voor glucoseregulatie worden bij slechts 20% van de patiënten behaald.

  • Immuunsuppressie vertraagt het ziekteproces, maar geneest DM1 niet. Immunotherapie streeft naar behoud van insulineproducerende β-cellen en β-celfunctie.

  • Veelbelovende resultaten met immunotherapie in fase 2-studies bij patiënten met DM1 konden niet worden gereproduceerd in fase 3-studies. Uit deze studies bleek dat heterogeniteit in patiëntenpopulaties en tussen etnische groepen een rol speelt.

  • Voor toekomstige studies is behoefte aan betere uitkomstmaten voor effectiviteit en aan biomarkers voor ziekteprogressie en voor de respons op de therapie.

  • Vaccinatie met β-celspecifieke antigenen om tolerantie op te wekken en combinatie hiervan met immunotherapie (biologicals) zijn opties voor een toekomstige therapie.

  • Discussie over de aanvaardbaarheid van bijwerkingen van immunotherapie bij DM1 is gewenst.

Bij slechts 20% van de patiënten met diabetes mellitus type 1 (DM1) lukt het om de gewenste bloedsuikerwaarden te handhaven. Om dit te verbeteren doet men tegenwoordig veel moeite om de eigen β-celfunctie van de patiënt te behouden of te herstellen; hierbij moet de auto-immune destructie van de insuline-producerende β-cellen worden gestopt.

Na bemoedigende resultaten van verschillende klinische fase 2-trials met immunotherapie voor patiënten bij wie kort daarvoor DM1 was gediagnosticeerd, bleken afgelopen jaar de resultaten van de eerste fase 3-trials tegen te vallen. Dit was enerzijds het gevolg van te hoog gespannen verwachtingen, maar anderzijds hadden de klinische trials een inadequate studieopzet. De behandeling van DM1 zal zich desondanks de komende tijd sterk blijven ontwikkelen. In de toekomst zal de behandeling van DM1 niet alleen gericht zijn op de symptomen van β-celdestructie – met insulinesuppletie –, maar waarschijnlijk ook de oorzaak van deze ziekte aanpakken in de vorm van immunotherapie.

Het probleem

De ontdekking van insuline, nu 90 jaar geleden, heeft DM1 veranderd van een dodelijke ziekte in een chronische aandoening met aanzienlijke morbiditeit en mortaliteit. Ontwikkelingen in de productie van insuline, insuline-analogen en hulpmiddelen voor insulinetoediening hebben, samen met verbeterde technieken voor glucosemonitoring, de kwaliteit van leven voor patiënten met DM1 sterk verbeterd. Naar aanleiding van de resultaten van de ‘Diabetes control and complication’(DCCT)-studie en de ‘United Kingdom prospective diabetes study’ is de insulinebehandeling geïntensiveerd, waardoor het ontstaan van langetermijncomplicaties bij veel patiënten kan worden vertraagd of mogelijk voorkómen.1,2

Ondanks de verbeterde therapie legt DM1 een continu beslag op het leven van patiënten. Daarbij komt de zorg voor eventuele complicaties. De strikte glucosecontrole die nodig is om complicaties te voorkomen – met de streefwaarde HbA1c < 7% (53 mmol/mol) volgens de huidige richtlijnen – blijkt voor minder dan 1 op de 5 volwassen patiënten haalbaar. Bij kinderen en adolescenten is strakke regulatie nog moeilijker.3 Dat een goede glucosecontrole langdurig consequenties heeft, blijkt uit een groeiend verschil in complicaties tussen de interventiegroepen in de DCCT-trial, lang na afloop van de trial.4 Behoud van enige endogene insulineproductie bevordert de glucoseregulatie met exogene insulinetherapie en helpt waarschijnlijk complicaties op de lange termijn te voorkomen, zoals blijkt uit gedeeltelijke regressie van complicaties bij patiënten die een pancreas- of eilandjestransplantatie hebben ondergaan.5-8

Aanknopingspunten voor therapie

DM1 is het gevolg van auto-immune destructie van de insulineproducerende pancreatische β-cellen in de eilandjes van Langerhans (figuur).9

[A4268_F1]

Vooralsnog werd aangenomen dat de ziekte zich manifesteert als 80% van de β-celmassa is vernietigd. Deze celmassa wordt geschat op basis van de endogene β-celfunctie, die wordt bepaald aan de hand van de serumconcentratie C-peptide (een afbraakproduct van endogeen geproduceerd insuline) na het stimuleren van de insulineafgifte met bijvoorbeeld een gestandaardiseerde maaltijd.10 Uit recente autopsiestudies bij patiënten met DM1 blijkt echter dat de ziekte bij mensen zeer heterogeen is.11

Na het stellen van de diagnose ‘DM1’ zijn bij sommige patiënten nog aanzienlijke aantallen β-cellen aanwezig en zelfs decennia later kunnen nog normaal ogende eilandjes van Langerhans in de pancreas worden aangetroffen.11,12 De β-celdisfunctie is omkeerbaar, wat blijkt uit een tijdelijke opleving bij veel patiënten van de endogene insulineproductie in de ‘honeymoon’-fase, direct na het begin van de insulinetherapie. Deze opleving is helaas van korte duur, aangezien het auto-immuunproces nog actief is. In deze fase kan agressieve immunotherapie zelfs tot volledige en langdurige remissie leiden.13

Immunotherapie voor DM1

Hoewel diverse immunotherapieën voor DM1 effectief bleken, is de ontwikkeling van een standaardtherapie niet eenvoudig. Reeds in de jaren ‘80 van de vorige eeuw werd aangetoond dat immuunsuppressie van T-cellen met bijvoorbeeld cyclosporine of azathioprine het beloop van DM1 kon vertragen, maar de bijwerkingen verhinderden langdurig gebruik. Bovendien bleek dat immuunsuppressieve therapie bij transplantatie van eilandjes van Langerhans naar patiënten met DM1 onvoldoende bescherming bood tegen bestaande auto-immuniteit tegen eilandjes.14

Toch is het mogelijk om patiënten te genezen van DM1 met een controversiële, rigoureuze immunotherapie met autologe hematopoëtische stamcellen na agressieve inductietherapie met cyclofosfamide en thymocytenimmunoglobuline. In een onderzoek bij 23 patiënten waren er nog 12 insuline-onafhankelijk na gemiddeld 30 maanden follow-up.13 Hoewel deze studie een ‘proof of concept’ levert dat genezing met behulp van immuuninterventie therapie mogelijk is zonder β-celvervanging, lijken ook hier de bijwerkingen en risico’s op lange termijn niet op te wegen tegen de eventuele complicaties als gevolg van ontoereikende insulinetherapie.

Biologicals

De zoektocht naar een kortdurende en gerichtere immuuninterventie met langdurig effect gaat verder, en is in de afgelopen jaren in een stroomversnelling geraakt toen bleek dat biologicals in verschillende fase 2-studies de β−celfunctie tijdelijk beschermden. Deze behandelingen richtten zich tegen T-cellen, met de gemodificeerde anti-CD3-antilichamen teplizumab en otelixizumab,15,16 tegen B-cellen, met het anti-CD20-antilichaam rituximab,17 en tegen immuunactivatie door co-stimulatie van T-cellen te blokkeren met abatacept, een anti-CTLA-4-immuunglobuline.18 Hoewel patiënten in deze studies doorgaans afhankelijk bleven van insuline, is de verwachting dat dit behoud van eigen β-celfunctie tot betere regulatie van bloedsuikerconcentraties op lange termijn leidt. Of de bescherming aanhoudt, moet nog blijken, maar bij patiënten behandeld met anti-CD3-antilichamen waren de insulinebehoefte en de HbA1c-waarden na 4 jaar lager dan in de controlegroep.16

Dergelijke gunstige resultaten uit de fase 2-studies leidden tot hooggespannen verwachtingen voor de fase 3-trials naar de anti-CD3-antilichamen otelixizumab en teplizumab. De teleurstelling was groot toen er bij geen van beide trials begin 2011 een verschil in de primaire uitkomstmaat was tussen de interventie- en controlegroep.19 In het onderzoek naar otelixizumab gold gestimuleerd C-peptide als maat voor de functionele β-celmassa. De trial met teplizumab gebruikte als uitkomstmaten de verandering van de HbA1c-waarde en het percentage patiënten met HbA1c < 6,5% bij een insulinegebruik < 0,5 E/kg per dag, beide 1 jaar na het begin van de therapie gemeten.

Details van de fase 3-trial met otelixizumab zijn nog niet gepubliceerd, maar een mogelijke verklaring voor het falen is dat de medicatiedosis lager was dan in de fase 2-trial, namelijk 25 mg in plaats van 48 mg. De dosis was gereduceerd in verband met de kans op reactivatie van het epstein-barrvirus. Ook in de teplizumab-studie was de dosis in de maximaal behandelde groep verlaagd tot 50% van de dosis in de fase 2-studie.15,19

De teplizumab-studie onderstreept dat de keuze van primaire uitkomstmaten essentieel is. De keuze voor HbA1c-waarden als primaire uitkomstmaat in de fase 3-trial met teplizumab was opmerkelijk, aangezien de fase 2-studies geen duidelijk verschil in HbA1c-waarden tussen interventie- en controlegroep hadden laten zien. Ook is 1 jaar na de diagnose een insulinedosis van < 0,5 E/kg per dag niet ongebruikelijk, waardoor de gelegenheid een verschil te meten beperkt werd. Uiteindelijk bereikte 20% van zowel de behandelde groep als placebogroep de streefwaarden.

Post-hoc-analyse met een andere uitkomstmaat, namelijk HbA1c-streefwaarden volgens de reguliere behandelrichtlijnen (< 7%) bij een stringentere insulinedosis (< 0,25 E/kg per dag), toonde wél verschillen tussen de behandelde groep en de placebogroep. Er was bovendien een effect op het behoud van de β-celfunctie (de uitkomstmaat in de fase 2-studie). Bijwerkingen bleven voornamelijk beperkt tot hoofdpijn en huidreacties. In beide groepen werden evenveel ernstige bijwerkingen gemeld. Hoewel de studiedoelen niet werden bereikt, lijkt het voorbarig om anti-CD3-antilichamen te diskwalificeren als potentiële therapie voor patiënten met recent gediagnosticeerde DM1.

Vaccinatie

Tegelijkertijd werden alternatieve therapeutische strategieën ontwikkeld en getoetst om resterende β-cellen te beschermen tegen auto-immuundestructie. Eén zo’n strategie beoogt het herstel van specifieke regulatoire mechanismen van het immuunsysteem zelf. Ontspoorde afweerreacties kunnen immers door het immuunsysteem zelf worden gereguleerd. Regulatoire T-cellen kunnen immuunreacties tegen specifieke auto-antigenen tegengaan zonder de reactie tegen pathogenen aan te tasten en zo specifieke tolerantie induceren. Terwijl bij gebruikelijke vaccinaties de specifieke antigenen worden geïnjecteerd in combinatie met een activerend adjuvans om een sterke immuunrespons op te wekken, wordt bij tolerogene vaccinatie het auto-antigeen toegediend zonder adjuvans of in een zogenoemde modulerende context, bijvoorbeeld in combinatie met modulatoire immuuncellen of anti-inflammatoire adjuvans.

De eiwitten glutamaatdecarboxylase (GAD) en heat-shock protein 60 (hsp60) zijn doelwit van het immuunsysteem bij DM1. Tolerogene vaccinaties met de isovorm GAD65 en een peptide van hsp60 vertraagden in fase 2-studies het verlies van β-celfunctie.20,21 Ook hierbij gaf een fase 3-studie andere inzichten; in 2011 werd bekend dat het middel in de fase 3-studie de afname van C-peptide, een maat voor de β-celfunctie, niet significant vertraagde.22 Ook een recente fase 2-studie met vergelijkbare opzet liet geen significant effect van vaccinatie met GAD zien.23

Het is nog onduidelijk waarom de resultaten van de initiële studie niet bevestigd konden worden; de aandacht gaat nu uit naar subgroepen waarin significante effectiviteit werd bereikt. Bovendien wordt bestudeerd welke nadelige effecten gelijktijdige griepvaccinaties (N1H1) kunnen hebben gehad op tolerantie-inductie. In de fase 2-studie werden patiënten vooral in het voorjaar geïncludeerd, terwijl in de fase 3-studie inclusies vooral in september plaatsvonden.

Het bedrijf dat het hsp60-peptide ontwikkelt, maakte eind november 2011 bekend dat hun fase 3-studie wel succesvol verliep (www.andromedabio.com/page.php?pageID=69); met dit middel werd bescherming van de β-celfunctie en verbetering van de HbA1c-waarden gezien. In 2011 is een 2e fase 3-studie met dit middel van start gegaan.

Toekomst voor behandeling van DM1

Op dit moment lopen meerdere klinische trials naar immunotherapie voor DM1. Hoewel sommige experimentele behandelingen veelbelovend zijn, blijkt het moeilijk een standaardtherapie voor alle patiënten te ontwikkelen. Recente klinische trials geven belangrijke lessen voor de toekomst.24 Uit vrijwel alle studies komt naar voren dat ingrijpen snel na de diagnose vereist is om een effect te kunnen meten, wat overigens niet impliceert dat interventie in een later stadium niet zinvol kan zijn.

Uitkomstmaten

De juiste uitkomstmaten zijn essentieel voor een goede interpretatie van de resultaten. HbA1c is een discutabele marker voor de gemiddelde bloedglucosewaarde op individueel niveau, zo bleek uit recent onderzoek met continue bloedglucosemeting.25 De HbA1c-waarde wordt beïnvloed door allerlei factoren, waaronder leeftijd, etniciteit en comorbiditeit. Overigens mag HbA1c niet als primaire uitkomstmaat van immunotherapie gelden, aangezien deze parameter het effect van de behandeling met insuline weerspiegelt. Een hogere HbA1c-waarde in de placebogroep zou dus kunnen duiden op inferieure insulinetoediening.

Aangezien het niet haalbaar is harde uitkomstmaten te hanteren, zoals het voorkómen van complicaties of mortaliteit en de kwaliteit van leven op lange termijn, is het handhaven van de C-peptideconcentratie – gemeten na stimulatie van de insulineafgifte – momenteel waarschijnlijk de geschiktste klinische uitkomstmaat. Deze waarde verandert namelijk snel in de eerste jaren na het stellen van de diagnose ‘DM1’ en correleert ook sterk met complicaties op lange termijn.26

Heterogeniteit in respons

De resultaten van de trials met immunotherapieën wijzen op opmerkelijke heterogeniteit in ziekte en in de respons op de behandeling, deels door etnische en genetische verschillen. In de fase 3-studie naar teplizumab was bescherming van de β-celfunctie meer uitgesproken bij kinderen (8-11 jaar) en bij patiënten geïncludeerd in de VS. Ook viel op dat de afname van C-peptide bij patiënten in India, Canada en Mexico veel kleiner was dan bij patiënten geïncludeerd in Europa, Israel of de VS, ongeacht therapie. In de abatacept-trial stond het handhaven van de C-peptideconcentratie in de complete trial in scherp contrast met een significante daling van deze waarde in ‘non-white’ deelnemers.18,19,24

Recente studies leveren interessante biomarkers voor therapeutische effectiviteit en selectie van patiënten.9 Zo blijkt de concentratie C-peptide na stimulatie een belangrijke klinische voorspeller van effectiviteit van immunotherapie en is het ontbreken van een auto-immuunrespons vóór transplantatie voorspellend voor succes bij een eilandtransplantatie.14 Deze inzichten zijn gezamenlijk een opstap naar therapie op maat.

Bijwerkingen

In de meeste trials met individuele immuunsuppressiva lijkt behandeling vooral een initiële vertraging in het verlies van β-celfunctie te bereiken, waarna de concentratie C-peptide na stimulatie enkele maanden later in de behandelde én onbehandelde groep parallel daalt. Hoewel dit een beperkt resultaat lijkt, zijn de bijwerkingen in deze studies ook beperkt, in tegenstelling tot de risico’s van de effectievere autologe stamceltherapie. Een combinatie van verschillende immuunsuppressiva, eventueel met tolerantie-inducerende therapie, zou uitkomst kunnen bieden bij de tekortkomingen van de individuele therapieën. Desondanks moet gewaakt worden voor subtherapeutische doseringen die paradoxaal versnelde ziekteprogressie zouden kunnen geven, zoals mogelijk bij lage doses van teplizumab gebeurd is.19

Ernstigere bijwerkingen kunnen, als zij tijdelijk en omkeerbaar zijn, wellicht opwegen tegen het risico op verminderde kwaliteit van leven dat patiënten op de lange termijn lopen, ondanks insulinetherapie.27 Voor elke nieuwe studie zullen de risico’s en baten opnieuw afgewogen moeten worden en afgezet tegen de steeds betere vooruitzichten van intensieve insulinetherapie. Het verdient overweging onderzoek naar immunotherapie ook bij kinderen uit te voeren, aangezien de helft van de nieuwe patiënten met DM1 jonger is dan 18 jaar en zij degenen zijn met het hoogste risico op complicaties door de ziekte op de lange termijn.

Conclusie

De weg naar genezing van patiënten met DM1 is niet zonder hindernissen en terugslag, maar men boekt desondanks gestaag resultaten. Genezing heeft al eens plaatsgevonden, zij het met forse bijwerkingen en risico’s. Minder risicovolle, weefselspecifieke interventies en combinatietherapieën worden momenteel ontwikkeld en getoetst. Daarnaast zal verbetering van insulinepompen en -sensoren en eventueel directe koppeling van beide de behandeling en daarmee wellicht de kwaliteit van leven van patiënten met DM1 de komende jaren verbeteren. Voor nieuwe patiënten met DM1 zal het behoud van β-celfunctie centraal komen te staan door nieuwe behandelingen die ingrijpen in de pathofysiologie van DM1.

Leerpunten

  • Diabetes mellitus type 1 is het gevolg van destructie van insulineproducerende β-cellen door auto-immune T-cellen; hierbij ontstaan meestal ook auto-antilichamen.

  • Immunotherapie bij patiënten met recent gediagnosticeerde DM1 zou het auto-immuunproces kunnen stoppen, zodat een deel van de β-cellen behouden blijft.

  • De helft van een groep patiënten met DM1 die autologe stamceltransplantatie hadden ondergaan, hoefde 2 jaar later nog steeds geen insuline te gebruiken.

  • Enkele minder ingrijpende immunotherapieën, zoals biologicals en vaccinaties, hadden tot nu toe geen significant effect in fase 3-studies bij patiënten met DM1.

  • Bij onderzoek naar immunotherapie voor DM1 moet men rekening houden met heterogeniteit in patiëntengroepen; ook is er behoefte aan goede uitkomstmaten voor effectiviteit en biomarkers voor ziekteprogressie.

Literatuur

  1. The Diabetes Control and Complications Trial Research Group. The effect of intensive treatment of diabetes on the development and progression of long-term complications in insulin-dependent diabetes mellitus. N Engl J Med. 1993;329:977-86 Medline. doi:10.1056/NEJM199309303291401

  2. UK Prospective Diabetes Study (UKPDS) Group. Intensive blood-glucose control with sulphonylureas or insulin compared with conventional treatment and risk of complications in patients with type 2 diabetes (UKPDS 33). Lancet. 1998;352:837-53 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(98)07019-6

  3. Bergenstal RM, Tamborlane WV, Ahmann A, et al. Effectiveness of sensor-augmented insulin-pump therapy in type 1 diabetes. N Engl J Med. 2010;363:311-20 Medline. doi:10.1056/NEJMoa1002853

  4. Nathan DM, Zinman B, Cleary PA, et al. Modern-day clinical course of type 1 diabetes mellitus after 30 years' duration: the diabetes control and complications trial/epidemiology of diabetes interventions and complications and Pittsburgh epidemiology of diabetes complications experience (1983-2005). Arch Intern Med. 2009;169:1307-16 Medline. doi:10.1001/archinternmed.2009.193

  5. Grajwer LA, Pildes RS, Horwitz DL, Rubenstein AH. Control of juvenile diabetes mellitus and its relationship to endogenous insulin secretion as measured by C-peptide immunoreactivity. J Pediatr. 1977;90:42-8 Medline. doi:10.1016/S0022-3476(77)80762-2

  6. Gremizzi C, Vergani A, Paloschi V, Secchi A. Impact of pancreas transplantation on type 1 diabetes-related complications. Curr Opin Organ Transplant. 2010;15:119-23 Medline. doi:10.1097/MOT.0b013e32833552bc

  7. Jukema JW, Smets YF, van der Pijl JW, et al. Impact of simultaneous pancreas and kidney transplantation on progression of coronary atherosclerosis in patients with end-stage renal failure due to type 1 diabetes. Diabetes Care. 2002;25:906-11 Medline. doi:10.2337/diacare.25.5.906

  8. Thompson DM, Meloche M, Ao Z, et al. Reduced progression of diabetic microvascular complications with islet cell transplantation compared with intensive medical therapy. Transplantation. 2011;91:373-8 Medline. doi:10.1097/TP.0b013e31820437f3

  9. Roep BO, Peakman M. Surrogate end points in the design of immunotherapy trials: emerging lessons from type 1 diabetes. Nat Rev Immunol. 2010;10:145-52 Medline. doi:10.1038/nri2705

  10. Heine RJ, Tack CJ. Handboek Diabetes Mellitus 2004 (3e herziene druk). Utrecht: De Tijdstroom; 2004.

  11. Coppieters KT, Dotta F, Amirian N, et al. Demonstration of islet-autoreactive CD8 T cells in insulitic lesions from recent onset and long-term type 1 diabetes patients. J Exp Med. 2012;209:51-60. doi:10.1084/jem.20111187 Medline.

  12. Willcox A, Richardson SJ, Bone AJ, Foulis AK, Morgan NG. Analysis of islet inflammation in human type 1 diabetes. Clin Exp Immunol. 2009;155:173-81 Medline. doi:10.1111/j.1365-2249.2008.03860.x

  13. Couri CE, Oliveira MC, Stracieri AB, et al. C-peptide levels and insulin independence following autologous nonmyeloablative hematopoietic stem cell transplantation in newly diagnosed type 1 diabetes mellitus. JAMA. 2009;301:1573-9 Medline. doi:10.1001/jama.2009.470

  14. Huurman VA, Hilbrands R, Pinkse GG, et al. Cellular islet autoimmunity associates with clinical outcome of islet cell transplantation. PLoS ONE. 2008;3:e2435 Medline. doi:10.1371/journal.pone.0002435

  15. Herold KC, Gitelman S, Greenbaum C, et al. Treatment of patients with new onset Type 1 diabetes with a single course of anti-CD3 mAb Teplizumab preserves insulin production for up to 5 years. Clin Immunol. 2009;132:166-73 Medline. doi:10.1016/j.clim.2009.04.007

  16. Keymeulen B, Walter M, Mathieu C, et al. Four-year metabolic outcome of a randomised controlled CD3-antibody trial in recent-onset type 1 diabetic patients depends on their age and baseline residual beta cell mass. Diabetologia. 2010;53:614-23 Medline. doi:10.1007/s00125-009-1644-9

  17. Pescovitz MD, Greenbaum CJ, Krause-Steinrauf H, et al. Rituximab, B-lymphocyte depletion, and preservation of beta-cell function. N Engl J Med. 2009;361:2143-52 Medline. doi:10.1056/NEJMoa0904452

  18. Orban T, Bundy B, Becker DJ, et al. Co-stimulation modulation with abatacept in patients with recent-onset type 1 diabetes: a randomised, double-blind, placebo-controlled trial. Lancet. 2011;378:412-9 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(11)60886-6

  19. Sherry N, Hagopian W, Ludvigsson J, et al. Teplizumab for treatment of type 1 diabetes (Protege study): 1-year results from a randomised, placebo-controlled trial. Lancet. 2011;378:487-97 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(11)60931-8

  20. Ludvigsson J, Hjorth M, Cheramy M, et al. Extended evaluation of the safety and efficacy of GAD treatment of children and adolescents with recent-onset type 1 diabetes: a randomised controlled trial. Diabetologia. 2011;54:634-40 Medline. doi:10.1007/s00125-010-1988-1

  21. Raz I, Elias D, Avron A, Tamir M, Metzger M, Cohen IR. Beta-cell function in new-onset type 1 diabetes and immunomodulation with a heat-shock protein peptide (DiaPep277): a randomised, double-blind, phase II trial. Lancet. 2001;358:1749-53 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(01)06801-5

  22. Ludvigsson J, Krisky D, Casas R, et al. GAD65 antigen therapy in recently diagnosed type 1 diabetes mellitus. N Engl J Med. 2012;366:433-42 Medline. doi:10.1056/NEJMoa1107096

  23. Wherrett DK, Bundy B, Becker DJ, et al. Antigen-based therapy with glutamic acid decarboxylase (GAD) vaccine in patients with recent-onset type 1 diabetes: a randomised double-blind trial. Lancet. 2011;378:319-27 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(11)60895-7

  24. Roep BO. New hope for immune intervention therapy in type 1 diabetes. Lancet. 2011;378:376-8 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(11)60977-X

  25. Wilson DM, Xing D, Beck RW, et al. Hemoglobin A1c and mean glucose in patients with type 1 diabetes: analysis of data from the Juvenile Diabetes Research Foundation continuous glucose monitoring randomized trial. Diabetes Care. 2011;34:540-4 Medline. doi:10.2337/dc10-1054

  26. Steffes MW, Sibley S, Jackson M, Thomas W. Beta-cell function and the development of diabetes-related complications in the diabetes control and complications trial. Diabetes Care. 2003;26:832-6 Medline. doi:10.2337/diacare.26.3.832

  27. Bach JF, Chatenoud L. A historical view from thirty eventful years of immunotherapy in autoimmune diabetes. Semin Immunol. 2011;23:174-81 Medline. doi:10.1016/j.smim.2011.07.009