Immunologie in de medische praktijk. II. Antifosfolipideantistoffen bij zwangerschap

Klinische praktijk
R.H.W.M. Derksen
G.C.M.L. Christiaens
L. Kater
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:1769-73
Abstract

Samenvatting

– Antistoffen tegen fosfolipiden zijn een risicofactor voor trombotische aandoeningen, maar ook voor vruchtdood, pre-eclampsie, foetale nood en dysmaturiteit. Tot deze antistoffen (aPLab) behoren het lupusanticoagulans (LAC) en anticardiolipineantistoffen (aCL).

– Deze antistoffen worden onder meer gevonden bij patiënten met lupus erythematodes disseminatus (SLE), maar ook bij patiënten met ‘lupus-like disease’ en bij vrouwen met (in de voorgeschiedenis) verschijnselen die passen bij antifosfolipidesyndroom.

– Screening op aPLab is aan te bevelen indien bij deze vrouwen zwangerschapswens bestaat en bij vrouwen met recidiverende vruchtdood na de 12e zwangerschapsweek.

– Het is niet duidelijk of de antifosfolipideantistoffen een direct schadelijk effect hebben of een begeleidend fenomeen zijn.

– Secundaire preventie is mogelijk met acetylsalicylzuur (80 mgdag), eventueel in combinatie met heparine (5000-12.000 eenheden 2 dd) subcutaan. De tromboseprofylaxe moet men tot 6 weken na de partus voortzetten.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Postbus 85.500, 3508 GA Utrecht.

Afd. Reumatologie en Klinische Immunologie: dr.R.H.W.M.Derksen en prof.dr.L.Kater, internisten.

Afd. Obstetrie en Gynaecologie: dr.G.C.M.L.Christiaens, gynaecoloog.

Contact dr.R.H.W.M.Derksen

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties