artikel
Houden artsen ooit op arts te zijn? Het NTvG interviewde drie gepensioneerde dokters die zich door het voortschrijden der tijd niet laten weerhouden hun vak uit te oefenen. Wat bezielt ze? Waarom verkiezen ze de behandelkamer boven tuinieren, wereldreis of oppasdag?
4 jaar geleden liep medisch duizendpoot Joke Schulkes (69) tegen de lamp. Nietsvermoedend had ze zichzelf met pensioen gestuurd uit de praktijk die ze 35 jaar runde. Ze had goede opvolging geregeld, iemand die ze zelf had opgeleid tot huisarts. Maar toen stond ze in oktober 2011 bij de huisartsenstaking en voelde ze ineens tranen opwellen bij het lied ‘Wij zijn de huisarts’. ‘Huisarts, dat ben ik niet meer’, realiseerde ze zich, ‘en eigenlijk mis ik dat heel erg!’ Ze moest weer aan de slag.
‘Huisarts, dat was ik niet meer’
Huisarts was Schulkes in hart en nieren. 41 jaar geleden begon ze als coassistent bij de roemruchte Ben Polak, communistisch politicus en oprichter van het Instituut voor Huisartsgeneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Na haar afstuderen werd ze associé in zijn maatschap en daarmee een van de eerste vrouwelijke huisartsen in Amsterdam. Maar Schulkes heeft ook andere hoeken van het medisch vakgebied verkend. Ze hield onder meer toezicht op de NHG, bestuurde de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), gaf leiding aan het pijnbestrijdingteam in het Antonie van Leeuwenhoek, boog zich over ‘Alledaagse Ziekten’ voor ZonMw en hield zich op verschillende manieren bezig met begeleiding bij het levenseinde.
Bij het betreden van de jaren 20-woning die Schulkes met haar man deelt, stap je over een robuust oud-bruine dokterstas die in de aanslag staat bij de deur. Schulkes is nog even aan de telefoon. Ze belt met de huisarts van haar 96 jaar oude tante. De tante is benauwd en mantelzorger Schulkes licht de huisars in over het bezoek dat ze haar gisteravond bracht. De situatie klinkt zorgelijk. Wanneer Schulkes ophangt wijst ze de weg naar haar werkkamer onder het dak, met uitzicht op de toppen van de bomen van het Vondelpark. ‘Ik laat mijn telefoon aan, want ik wil bereikbaar zijn als er iets met mijn tante gebeurt.’
Dat zorgen is er bij Schulkes met de paplepel in gegoten. Ze is de oudste in een gezin met 7 kinderen. ‘Mijn moeder helpen in het huishouden, met oppassen op broertjes en zusjes, ik deed het als vanzelf en oogstte daarmee steevast waardering van mijn ouders.’ En dus was ze van jongs af aan vastberaden verpleegster te worden. Toen haar leraar haar te pienter vond voor de mulo besloten haar ouders haar naar het lyceum te sturen. Schulkes ruilde haar toekomstbeeld zonder aarzeling in voor het academisch equivalent. ‘Zo wist ik als meisje van 13 al dat ik dokter zou worden.’ Toen ze zich bij de huisartsenstaking 56 jaar later realiseerde dat ze geen dokter meer was, ervoer ze plotsklaps hoe zeer haar vak onderdeel van haar identiteit was geworden. ‘Ik was huisarts, zorgverlener en belangrijk in de levens van sommige patiënten, dat definieerde mij.’
Uiteindelijk was het haar man die haar een oplossing aan de hand deed. Nadat hun wilde plan om naar Nieuw-Zeeland te vertrekken, waar Schulkes als waarnemer aan de slag zou gaan, stuk liep op een half punt te kort bij haar Engelse toets en complicaties bij zijn heupoperatie, opperde hij dat het avontuur ook in eigen land te halen was. ‘Wat we in Nieuw-Zeeland zochten, andere mensen en andere huisartspraktijken, dat kun je ook vinden in Oost-Groningen en Zuid-Limburg,’ suggereerde hij. En dus reist ze nu het land door als waarnemend huisarts. Deze zomer spendeerden Schulkes en haar man 6 weken in een caravan in Limburg. Fietsen mee, en na het werk de natuur in en naar het museum in Maastricht. Andere weken reist ze op en neer naar Den Bosch. ‘Dat is een filegevoelige rit, dus dan zit ik om half 7 in de auto en ben ik om half 7 ‘s avonds pas weer thuis.’
‘Ik had lol, de somberte verdween’
Ze wilde de Randstad uit. Nieuwe patiëntpopulaties ontmoeten en meemaken hoe andere huisartspraktijken werden gerund, een interesse die het bestuur van de LHV bij haar had gewekt. ‘Hoe organiseren andere praktijken hun vakanties en intervisie? Hoe delen ze hun spreekuur in? Wat mogen assistenten doen?’ Maar wat ook meespeelde bij haar keuze voor de Nederlandse buitengebieden, voegt ze er enigszins beschaamd aan toe, was een schuldgevoel ten opzichte van haar oud-patiënten. Ze had graag nog 1 of 2 dagen per week in haar oude praktijk gewerkt, maar dat viel niet te organiseren. ‘Toen moest ik er niet aan denken patiënten op straat te treffen en op te biechten dat ik toch nog als huisarts werkte. Ik was bang dat ze zich verraden zouden voelen.’
Het waarnemen bood inderdaad uitkomst, al vanaf haar eerste klus in Wolvega. ‘Het sloeg aan. Ik herkende mezelf weer, actief en ondernemend. Ik had lol, de somberte verdween.’ Het contact met patiënten, meedenken over hun problemen en samen zoeken naar een oplossing. Dat heeft ze nodig en daar heeft ze plezier in. Het is haar eigenlijk nooit te veel. ‘Natuurlijk heb je wel eens mensen met een zeurverhaal, maar ik geloof dat daar vaak meer achter schuilgaat dan je in eerste instantie ziet.’ Oppikken wat er schuilgaat, contact maken en luisteren, het zijn vaardigheden die ze in de loop van jaren steeds beter is gaan beheersen. ‘Je kunt daar boeken over lezen, maar je leert het pas echt door het heel vaak te doen.’ Schulkes memoreert bijvoorbeeld een patiënt die zich meldde met blaasontsteking, maar keer op keer wees de plastest niets uit. ‘Dat lijkt een zeurvouw met vage klachten, maar ik wil zo iemand dan toch graag even zien.’ Buikpijn had de vrouw, en een beetje afscheiding. Schulkes dacht aan een schimmel, maar die behandeling sloeg niet aan. Dus de vrouw kwam terug. ‘Gelukkig komen ze terug! Dan probeer ik dieper te komen. “Wat denk je zelf dat er achter zit?” vraag ik, ”Wat is jouw gevoel hierbij?” Beetje bij beetje vertelde ze me over het misbruik dat ze had meegemaakt.’
‘Mensen kunnen zich enorm aanpassen aan het leven’
Schulkes is inmiddels 69. Ze voelt dat ze ouder wordt, dat het werk meer energie vreet. ‘Zulke dagen van half 7 tot half 7 in Den Bosch, dat hou ik maximaal een week vol.’ Het is haar niet af te zien; in haar grijze, halflange haren is een vlotte pony geknipt, haar ogen staan levendig. Toch merkt ze dat het steeds moeilijker wordt om te solliciteren op nieuwe functies. ‘Inmiddels heb ik een trucje verzonnen, waarbij ik zorg dat opdrachtgevers me eerst in levenden lijve ontmoeten en daarna pas mijn papieren te zien krijgen. Mensen zien toch iets anders voor zich, als ze aan een 69-jarige denken.’
Haar telefoon gaat. Het is wederom de huisarts van haar tante, die inmiddels een praktijkondersteuner heeft langsgestuurd om poolshoogte te nemen. Schulkes hoort het verhaal van de arts een paar minuten aan. Dan oppert ze: ‘Ik denk dat het goed is om met haar te bespreken of ze überhaupt nog behandeld wil worden. Maar ik wil niet degene zijn die haar die vraag stelt.’ ... ‘Ah, die vraag is gesteld. En?’ ... ‘Ze wil niets meer. Ok.’
Zorg en begeleiding in de laatste levensfase is een thema waar Schulkes zich al haar hele carrière mee bezighoudt. Ze deed onderzoek naar pijnbestrijding bij palliatieve sedatie, schreef mee aan zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie in de commissie van oud-minister Els Borst, voerde euthanasie uit bij patiënten in haar oude praktijk, zat met een jurist en ethicus in een toetsingscommissie voor euthanasie en werkt als SCEN-arts, waarbij ze een second opinion biedt bij euthanasieverzoeken. Nu ervaart ze als mantelzorger hoe belangrijk begeleiding is in die fase. Dat niet de huisarts zelf, maar een praktijkondersteuner haar tante heeft voorgelegd of ze wel aan haar veronderstelde longontsteking behandeld wil worden, zit Schulkes dan ook niet lekker. ‘De laatste levensfase is een heftige periode in een mensenleven, waarin angst en existentiële vragen samenkomen. Het kan rust geven als een arts de patiënt en familie daar doorheen laveert. Toen ik als huisarts mensen bij het sterven begeleidde had ik altijd het gevoel even onderdeel uit te maken van het gezin: ”Heb je nog dingen af te ronden? Wat beteken je nog voor je kinderen?” Dat soort dingen bespreek je met patiënten. Als het op een harmonieuze manier verloopt, kan het terminale zorgtraject ook een mooie tijd zijn voor de patiënt en diens familie.’
Nu medici steeds meer voorheen fatale ziektes kunnen behandelen, neemt ook het aantal euthanasieaanvragen toe. ‘Euthanasie was lange tijd taboe. Ben [Polak] paste het wel toe toen ik in de jaren 70 bij hem kwam werken en het nog niet in richtlijnen was vastgelegd, maar dat bleef sub rosa. Inmiddels is het royaal bespreekbaar.’ Schulkes merkt dat dat goed is. ‘Het idee dat je zeggenschap hebt over je eigen einde kan enorm geruststellend zijn voor mensen die met een nare diagnose geconfronteerd worden.’ Schulkes ziet euthanasie als een achtervang die lang niet altijd daadwerkelijk wordt gebruikt. ‘Vaak schuiven de normen gaandeweg op. ”Als ik niet meer uit bed kom, hoeft het voor mij niet meer,” hoor je vaak. Maar wanneer iemand eenmaal aan het bed gekluisterd is, begint diegene vaak helemaal niet over euthanasie. Als mensen goed verzorgd worden, dan willen ze meestal helemaal nog niet dood. Mensen kunnen zich enorm aanpassen aan het leven.’
‘Langzaam voel ik dat er afstand ontstaat’
Volgend jaar mei loopt Schulkes’ registratie af. Een nieuw moment voor bezinning. Ze neigt ernaar zich te laten herregistreren. In ieder geval voor haar werk als SCEN-arts. Maar verder probeert ze af te bouwen. ‘Misschien was mijn werk zo belangrijk voor me omdat wij geen kinderen hebben, er zijn nu dus ook geen kleinkinderen om mijn zorgdrang op uit te leven en dus stortte ik me vol overgave op mijn werk. Maar langzaam voel ik dat er afstand ontstaat.’ Het waarnemen was een eerste stap, vermoedt ze. In haar eigen praktijk waardeerde ze de langdurige relaties met haar patiënten, wier ouders ze had begeleid bij het sterven en wier kinderen ze als verloskundig actief arts ter wereld hielp. ‘Nu kijk ik met een waarnemersblik met mensen mee, vaak zie ik ze nooit meer terug na dat ene consult.’
Haar tijd wordt kostbaarder, zegt ze. ‘Wat me het meest dierbaar is, is de relatie met mijn man, realiseer ik me. Ik wil meer tijd samen doorbrengen, klussen aan ons tweede huis in België, wandelen, fietsen. Ik heb me voorgenomen komende zomer geen waarneemklussen aan te nemen, zodat we samen weg kunnen om met z’n tweeën de zomer te vieren.’
Reacties