Honderd jaar Nederlandse Vereniging voor Heelkunde. IX. Kinderchirurgie

Perspectief
J.C. Molenaar
J. Hagoort
F.W.J. Hazebroek
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146:1551-6
Abstract

Samenvatting

In 1974 werd binnen de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde de Werkgroep Heelkunde bij Kinderen en Pasgeborenen ingesteld, de voorloper van de in 1981, als eerste, opgerichte subvereniging van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde: de Nederlandse Vereniging voor Kinderchirurgie. Kinderchirurgie ontleende rond 1900 haar identiteit aan die van het kinderziekenhuis. Alle opnamen waren toen op sociale indicatie, waarbij zo nodig een chirurg in consult werd gevraagd. Na de Tweede Wereldoorlog maakten ontwikkelingen in anesthesie en analgesie en toenemende inzichten in metabole processen steeds grotere ingrepen mogelijk. De benodigde specifieke deskundigheid en de noodzaak tot concentratie daarvan waren doorslaggevende argumenten voor het oprichten van de subvereniging. Sindsdien zijn onder andere ontwikkelingsbiologische en genetische aspecten van ernstige aangeboren misvormingen nieuwe onderwerpen van onderzoek; medisch-ethische consequenties blijven een aandachtspunt.

Auteursinformatie

Erasmus Medisch Centrum, locatie Sophia Kinderziekenhuis, afd. Kinderheelkunde, Rotterdam.

Prof.dr.J.C.Molenaar, kinderchirurg in ruste; drs.J.Hagoort, instituutsredacteur; prof.dr.F.W.J.Hazebroek, kinderchirurg.

Contact prof.dr.J.C.Molenaar, Kastanjeplein 105, 3053 CB Rotterdam (molenaar@ch1.fgg.eur.nl)

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Amsterdam, augustus 2002,

Het artikel van Molenaar et al. (2002:1551-6) is een boeiend overzicht van de ontwikkeling in de kinderchirurgie, maar wij vinden het jammer dat een belangrijke Nederlandse bijdrage inzake de beademing van kleine kinderen niet vermeld wordt.

Het T-stuk van Ayre is oorspronkelijk ontworpen om schisisoperaties te kunnen uitvoeren. Voordelen ten opzichte van het masker zijn dat de luchtweg vrij is, er minder kans is op hypoxie en dat de mate van gebruik van uitgeademde lucht kan worden aangepast. Nadeel is dat het een open systeem is en dat dus een hoge verse gasstroom noodzakelijk is. De essentie van de modificatie van Ayres T-stuk door Jackson Rees is dat hij het systeem transformeerde tot een halfopen systeem door het expiratiebeen te verlengen met een slang en open ballon. Essentieel is nu, dat het gasmengsel in het expiratiebeen niet meer in de patiënt terugkomt, zoals in de tekst van figuur 6 gesuggereerd wordt, maar als het ware wordt ‘weggeduwd’ door de verse gasstroom. Om dit doel te bereiken dient de verse gasstroom 2,5 maal het ademminuutvolume te zijn. Dit systeem heeft twee belangrijke voordelen boven het T-stuk van Ayre: (a) het is mogelijk om op grotere afstand van de patiënt de ademhaling te controleren. De lengte van de slang is niet kritisch en men volgt de bewegingen van de ballon; (b) het is mogelijk de patiënt kunstmatig te beademen door in de ballon te knijpen. Toch is deze ballon niet een essentieel onderdeel van het systeem. Men zou de ademhaling ook kunnen controleren door een vlaggetje aan de uitgang van het expiratiebeen te hangen. Ook kunstmatige beademing is zonder deze ballon mogelijk; door het expiratiebeen met de duim af te sluiten wordt een verhoogde druk in het systeem opgebouwd (inspiratie) en na het opheffen van de afsluiting daalt de druk weer in het systeem (expiratie). Van dit principe heeft de anesthesioloog Keuskamp gebruikgemaakt in de door hem ontwikkelde Amsterdam-‘infant ventilator’,1 die in de wandelgangen ook wel ‘de duim van Keuskamp’ werd genoemd. Cyclische afsluiting van het expiratiebeen met behulp van een klep resulteert in drukgestuurde beademing en hiermee was het voor het eerst mogelijk neonaten en kleine kinderen langduriger te beademen.

J.J. de Lange
R.D. Sibarani-Ponsen
Literatuur
  1. Keuskamp DHG. Automatic ventilation in paediatric anaesthesia using a modified Ayre's T-piece with negative pressure during expiratory phase. Anaesthesia 1963;18:46-56.

Rotterdam, september 2002,

Wij danken De Lange en Sibarani-Ponsen voor hun welkome interessante aanvulling op ons artikel over de geschiedenis van de kinderchirurgie. Natuurlijk waren ook wij graag dieper ingegaan op de ‘Keuskamp’, zoals de Amsterdam-‘infant ventilator’ door ons, gebruikers, werd genoemd, en op de nieuwe mogelijkheden die dit apparaat bood voor langdurige beademingen van pasgeborenen, waarvoor het de technische basis werd. Wij zijn ons bewust van de beperkingen van onze geschiedschrijving.

J. Hagoort
F.W.J. Hazebroek
J.C. Molenaar