Hoe giftig is dioxine voor de mens?
Open

Stand van zaken
07-10-1991
C.A. van der Heijden

Als geen andere chemische stof staat dioxine de laatste 20 jaar in de belangstelling, zowel publiekelijk als wetenschappelijk. Dioxine werd het prototype van een onderwerp dat controversen, conflicten en verwarring oproept. Door het publiek wordt dioxine, terecht of onterecht, ervaren als voorbeeld van het kwade dat de chemie de mens heeft opgeleverd. Het is een onderwerp waar de media gretig over berichten en het gaf in meer dan één land aanleiding tot flinke politieke tegenstellingen.

Met gevoel voor drama, maar niet zonder redenen, is dioxine beschreven als de giftigste stof ooit door de mens gemaakt; een sluipmoordenaar die met grote vasthoudendheid dodelijke maar vooralsnog onbekende wapens hanteert. De stof zou in handen van terroristen tot ongekende rampen kunnen leiden. Het is echter de vraag of er nu nog, nadat er wereldwijd zeer veel toxicologisch en epidemiologisch onderzoek is uitgevoerd, voldoende aanleiding bestaat tot zoveel angst voor dioxine dat vrijwel ieder krantebericht erover automatisch op de voorpagina komt met deskundige voorspellingen over kanker, geboorteafwijkingen, leverziekten of stoornissen in de hersenen.

De stof dioxine is vooral berucht geworden als verontreiniging in chemische ontbladeringsmiddelen in de Vietnam-oorlog, ‘agent orange’; naar aanleiding van ongelukken in fabrieken, vooral dat in Seveso, Italië; door bodemverontreinigingen; door storten van chemisch afval; en – meest recentelijk in Nederland – naar aanleiding van de problematiek rond de uitstoot van afvalverbrandingsinstallaties. Alle geïndustrialiseerde landen kennen het dioxineprobleem; details zijn soms verschillend, vooral die met betrekking tot bronnen en blootstellingsroute.

Dioxine betekent ook een economische schadepost. Niemand maakt dioxine met opzet; het ontstaat eigenlijk altijd per ongeluk. Vanwege de toxische eigenschappen van de stof wordt blootstelling van de mens streng bewaakt met veel regelgeving, hetgeen hoge kosten met zich meebrengt. Er zijn laboratoria vol toxicologen die er hun levenstaak in gevonden hebben en het is fabrikanten van geavanceerde apparatuur voor chemische analyse voor de wind gegaan.

De vrees voor dioxine en ook de wetenschappelijke interesse berusten op twee aspecten: enerzijds de ongewoon grote verscheidenheid van moeilijk verklaarbare schadelijke effecten die bij proefdieren (welke grote verschillen in gevoeligheid toonden) en deels ook bij de mens zijn waargenomen, anderzijds de buitengewoon geringe hoeveelheden die nodig zijn om bij blootstelling effecten te veroorzaken. Dioxine wordt in uiterst lage concentraties als contaminant aangetroffen in voeding, milieu en gechloreerde chemicaliën. Er zijn levendige discussies gevoerd over de toxicologische betekenis van lage, zeer lage en verwaarloosbare concentraties. De enorme ontwikkeling van de analytische chemie heeft de detectiegrens steeds verder teruggedrongen. De ‘vanishing zero’ ging van milligrammen via microgrammen, nanogrammen en picogrammen naar femtogrammen. De dimensies zijn klein en bijna niet meer voor te stellen: 1 ppm (‘part per million’, milligramkg) komt overeen met 1 eetlepel voedsel op de hoeveelheid die een mens gedurende zijn gehele leven eet. Op een mensenleven betekent 1 ppb (‘part per billion’, microgramkg) 2 seconden en 1 ppt (‘part per trillion’, nanogramkg) staat gelijk met 500 gram biefstuk te verdelen over de gehele wereldbevolking. Is 1 ppb nu veel of weinig? Het hangt ervan af. In voedsel is 1 ppb dioxine een alarmerend hoge concentratie, maar in waterbodemslib is een concentratie van 1 ppb aangenaam laag.

Recente wetenschappelijke ontwikkelingen, gegevens en inzichten omtrent mechanisme, giftigheid en epidemiologie hebben nieuw licht geworpen op de gevaren voor de mens, op risicoschatting en normstelling. Tijdens internationale bijeenkomsten in een multidisciplinair kader is er in korte tijd een betrekkelijk grote wetenschappelijke consensus ontstaan omtrent de beantwoording van de vraag: ‘Hoe giftig is dioxine voor de mens?’

Dit artikel is bedoeld om u op de hoogte te stellen van de huidige stand van zaken, om feiten en verzinsels van elkaar te scheiden en om ‘immuniteit’ op te wekken tegen mogelijk irrationele en vaak besmettelijke chemofobie.

WAT IS DIOXINE?

Dioxine is de populaire naam voor 2,3,7,8-tetrachloordibenzo-p-dioxine (TCDD). Deze verbinding wordt als de meest toxische van de dibenzodioxinen beschouwd en is het uitgebreidst bij dieren onderzocht. Dibenzodioxinen behoren tot de groep van tricyclische aromaten die in meerdere of mindere mate gechloreerd zijn. In totaal kunnen er 75 verschillende gechloreerde dibenzo-p-dioxinen (PCDD's) worden gevormd. Nauw verwant aan de dibenzodioxinen zijn de gechloreerde dibenzofuranen (PCDF's), waarvan 135 verschillende verbindingen mogelijk zijn. Het verhaal van de dioxinen is niet compleet wanneer niet ook de polychloorbifenylen (PCB's) worden genoemd, net als de dibenzofuranen gelijkend op dioxinen, met dien verstande dat zuurstof als verbindend element ontbreekt. Een aantal PCB's blijkt een dioxineachtige werking te hebben; deze groep wordt dan ook meestal in één adem met dioxine genoemd.

Kenmerkend voor dioxine en verwante verbindingen is hun extreme stabiliteit. Wanneer er eenmaal dioxine aanwezig is, wordt dit in het milieu nauwelijks meer afgebroken. Dioxine blijft dan ook zeer lang aantoonbaar in milieu of orgaanweefsel, hetgeen een essentieel aspect is in verband met de giftigheid.12

BRONNEN

Zoals gezegd worden PCDD's en PCDF's niet als zodanig geproduceerd. De stoffen ontstaan als ongewenst nevenprodukt of als verontreiniging bij de synthese van andere produkten. PCDD's en PCDF's komen voor in chloorfenolen en de derivaten ervan. Chloorfenolen worden sinds 1930 op grote schaal toegepast als insekticiden, fungiciden, antiseptica en als desinfectantia. Ze worden industrieel geproduceerd door chlorering van fenol of door hydrolyse van chloorbenzenen. Gedurende de alkalische hydrolyse van chloorbenzenen kunnen vooral bij hogere temperaturen PCDD's worden gevormd, zoals bij de produktie van het onkruidbestrijdingsmiddel 2,4,5-T uit tetrachloorbenzeen. PCDF's kunnen worden gevormd uit polychloordifenylethers (PCDPE's) die als verontreiniging in chloorfenolen kunnen voorkomen. PCDD's en PCDF's kunnen ook ontstaan tijdens het chloreringsproces. PCDF's komen bovendien in hoge concentraties (ppm-niveau) voor als verontreiniging in PCB's. Door het vroegere grootschalige gebruik van chloorfenolen, fenoxyzuren en PCB's hebben de PCDD's en PCDF's in hoge mate het milieu verontreinigd.

Andere belangrijke bronnen van PCDD's en PCDF's kunnen verbrandingsinstallaties en verkeer zijn. In het rookgas van afvalverbrandingsinstallaties zijn verschillende PCDD's en PCDF's aangetroffen, waaronder zeer giftige. De aanvankelijke opvatting dat de in het afval aanwezige chloorfenolen de vorming van PCDD's en PCDF's veroorzaakten, bleek niet houdbaar. Bij vele verbrandingsprocessen worden ook zonder chloorfenolen dioxinen gevormd, zoals bij bosbranden, bij het roken van sigaretten en bij open haarden. Welke de chemische uitgangsstoffen zijn, is niet precies duidelijk; dit vraagstuk is controversieel. Uit recente onderzoekingen blijkt dat ook verkeer wel eens een belangrijke bijdrage aan de totale dioxinebelasting van het milieu zou kunnen leveren. PCDD's en PCDF's kunnen gevormd worden met behulp van dichlooretheen, dat aan loodhoudende benzine als hulpstof wordt toegevoegd, als chloorbron. Loodvrije benzine lijkt bij verbranding geen emissie van PCDD's te veroorzaken. In de V.S. wordt het bleekproces met trichloor in de papierindustrie als een belangrijke bron van dioxine voor het milieu beschouwd. Op grond van de gevonden concentraties in het milieu is berekend dat enige belangrijke bronnen toch nog niet zijn geïdentificeerd.

Vanuit de hiervoor genoemde bronnen hebben PCDD's en PCDF's zich de afgelopen decennia in vrijwel de gehele westelijke wereld diffuus in het milieu verspreid. Als gevolg van de persistente en sterk accumulerende eigenschappen van de genoemde stoffen is ook de mens via de voedselketen besmet geraakt door voortdurende opname van zeer geringe hoeveelheden. De achtergrondconcentratie in de algemene bevolking bedraagt in de westelijke wereld ongeveer 30 ppt (nanogramkg) in vetweefsel, moedermelk, lever en menselijk bloedvet. Deze belasting is voornamelijk veroorzaakt door de industriële ontwikkelingen in de laatste 50 jaar. Noch in bevroren leverweefsel van een ruim 400 jaar geleden overleden Eskimo, noch in onderwatersedimenten van oudere datum kon dioxine worden aangetoond.

Lokale verontreiniging van het milieu heeft plaatsgevonden door het (illegaal) storten van met dioxine verontreinigde partijen bestrijdingsmiddelen en andere chemicaliën (Love Canal, V.S. en de Nederlandse Volgermeerpolder) alsmede door verspreiding van verontreinigd chemisch afval in woongebieden, zoals gebeurde in de Amerikaanse staten Missouri en North Carolina. Een ander voorbeeld van lokale verontreiniging dat sterk de aandacht heeft getrokken is de brand in een kantoorgebouw in Binghampton, V.S. Verbranding van PCB's uit transformatoren gaf hier aanleiding tot vorming van grote hoeveelheden PCDF's, waardoor het gebouw voorgoed onbruikbaar werd.

Voor de bevolking is voeding de belangrijkste bron van blootstelling aan dioxine. Via water, lucht en bodem wordt dioxine naar de voedselketen overgebracht. Het hoopt zich op in dierlijk vet; de dagelijkse opname voor de mens in de westelijke wereld bedraagt 2-10 picogram kg lichaamsgewicht. Deze dagelijkse belasting en de geringe biologische afbreekbaarheid (halfwaardetijd in de mens 7-10 jaar) leiden tot de eerder genoemde hoge concentratie in weefselvet (30 ppt). Hogere concentraties in het weefsel van de mens zijn in het algemeen waargenomen in specifieke situaties, zoals bij beroepsmatige blootstelling of na industriële ongelukken.

INCIDENTEN

In het verleden hebben aanzienlijk sterkere, eveneens langdurige blootstellingen plaatsgevonden bij werknemers in chemische fabrieken waar produkten werden gemaakt en gehanteerd waarin PCDD's en PCDF's als verontreiniging aanwezig waren. Medisch onderzoek van deze werknemers en van mensen betrokken bij fabrieksongelukken (deze werden hoofdzakelijk gedurende korte tijd blootgesteld) heeft veel bijgedragen aan de kennis van de schadelijke effecten van dioxine voor de mens.

De ramp in Seveso (Italië) in 1976 was voor zover bekend het laatste van een serie industriële ongelukken bij de produktie van trichloorfenol. Hierbij kwam in één keer bij een explosie meer dan 1,3 kg TCDD vrij en een dichtbevolkt gebied van 2,8 km² met circa 40.000 mensen werd besmet.

In totaal hebben zich in het verleden in de V.S. en in West-Europa zeker 6 grote fabrieksongelukken voorgedaan (ook in Nederland: Philips Duphar, 1963). Tijdens het produktieproces van chloorhoudende bestrijdingsmiddelen kan de chemische reactie gemakkelijk uit de hand lopen, de temperatuur loopt snel op en een explosie volgt. Van de grote produktiebedrijven die gebruik maken van identieke chemische methoden is er geen hiervoor gespaard gebleven. Over de inmiddels bekend geworden – veelal zeer ernstige – bedrijfsongelukken in Rusland en Centraal- en Oosteuropese landen zijn geen gedetailleerde gegevens vrijgegeven.

In de jaren zeventig hebben zich in Japan en Taiwan grootschalige verontreinigingen voorgedaan van rijstolie met PCDF's, waarbij vooral vrouwen gedurende enige tijd milligrammen PCDF's per dag hebben opgenomen.

GIFTIGHEID BIJ DIEREN

Sinds 1970 is met behulp van proefdieronderzoek aangetoond dat dioxine voor sommige diersoorten buitengewoon toxisch is en dat het reeds bij lage concentraties schadelijke effecten kan hebben. Op grond hiervan valt de beduchtheid voor dioxine te verklaren, alsmede de vaak strenge normstelling.

Met betrekking tot de chemische structuur blijkt de aanwezigheid van chloor op de laterale plaatsen van de molecule essentieel te zijn voor de toxiciteit. Verbindingen met de 4 chlooratomen op andere plaatsen bleken aanzienlijk minder toxisch.

De meest toxische verbinding, die uitgebreid is onderzocht, is 2,3,7,8-tetrachloordibenzo-p-dioxine. Wetenschappelijke gegevens over de toxiciteit van andere verbindingen uit de groep chloordioxinen zijn zeer beperkt of ontbreken.

Het is opvallend dat wanneer proefdieren 1 maal TCDD krijgen toegediend in een nagenoeg dodelijke hoeveelheid, het weken kan duren voordat ze sterven. De dieren eten minder, worden cachectisch en de lichamelijke toestand wordt steeds slechter, het ‘wasting’-syndroom. Bij dieren die overleven, blijkt vooral de lever beschadigd en de immunologische afweerfunctie verstoord. Het is voorts opvallend dat de gevoeligheid voor TCDD tussen diersoorten sterk verschilt (tabel 1). De hoeveelheid TCDD nodig om sterfte te veroorzaken na een eenmalige toediening varieert van minder dan 1 microgram (cavia) tot een paar milligrammenkilogram lichaamsgewicht (hamster).

Bij langdurige blootstelling van dieren aan lage doses heeft TCDD gevolgen voor de voortplanting en veroorzaakt het geboorteafwijkingen, schade aan de lever en degeneratie van het immuunsysteem. Na levenslange toediening werden bij ratten en muizen vooral in de lever maligne tumoren gevonden (tabel 2). In tegenstelling tot de ‘echte’ kankerverwekkende stoffen mist TCDD echter het vermogen het erfelijk materiaal in de celkern (DNA) te beschadigen; de stof wordt als promotor van de carcinogenese beschouwd. De praktische consequentie hiervan is dat er voor TCDD een drempelwaarde zal bestaan en dat er een ‘veilige’ dagelijkse opname kan worden berekend. Voor echte kankerverwekkende stoffen is de normstelling gebaseerd op het uitgangspunt dat er altijd een risico zal bestaan, hoe gering de blootstelling ook is.

In de V.S. werd tot voor kort het promotorconcept voor dioxine niet geaccepteerd, het bestaan van een drempelwaarde werd niet onderschreven. De betekenis van deze controverse blijkt duidelijk uit een enorm verschil in aanvaardbaar geachte dagelijkse opname tussen de V.S. (0,006 picogramkg lichaamsgewichtdag) en de meeste Europese landen (1-10 picogramkg lichaamsgewichtdag) alsmede de hieraan gekoppelde regelgeving.

In oktober 1990 werd in Cold Spring Harbor Laboratory, V.S., een zogenaamde Banbury-conferentie gehouden. Onderzoekers uit de V.S. en Europa evalueerden en bediscussieerden de vraag of de bestaande kennis van het mechanisme van de giftigheid van dioxine kon worden gebruikt voor een betere risicobeoordeling. Tijdens deze conferentie ontstond er verrassende eenstemmigheid over de basis van het mechanisme en de gevolgen ervan. Ook werden tijdens deze conferentie de recentste epidemiologische onderzoeken besproken.3

Na blootstelling bindt dioxine zich aan alle epitheliale cellen in het lichaam: aan die in de mond, de longen en de huid en vooral aan die in de lever. In deze cellen bevinden zich receptoren waaraan het dioxine zich bindt, waarna het complex op nog niet bekende wijze geactiveerd wordt. Het geactiveerde complex wordt vervolgens in de cel naar het DNA getransporteerd, waarna weer een binding plaatsvindt tussen het complex en bepaalde gedeelten (genen?) van het DNA. Gedetailleerd toxicologisch en moleculair-biologisch onderzoek laat dan zien dat er na de binding aan DNA in de cel een ware explosie plaatsvindt: een plotselinge sterke verandering in de expressie van meerdere genen die voor een veelheid van functies ongecontroleerd worden gereactiveerd (uridine-5-difosfaat (UDP)-glucuronyltransferase (thyroxine), oestrogeenreceptor, epitheliale-groeifactorreceptor, glucocorticoïdreceptor). De genen worden aangezet tot enzymproduktie; er wordt als het ware een knop omgedraaid. Een deel van de door dioxine geactiveerde genen zou eigenlijk niet tot expressie gebracht mogen worden; de enzymen die op hun commando worden aangemaakt zijn schadelijk voor de cel, verstoren de normale fysiologische processen, hebben toxische effecten elders in het organisme en kunnen een kankerbevorderende werking hebben. In zekere zin functioneert het dioxine-receptorcomplex op een manier die geheel vergelijkbaar is met die van hormonen. De binding van het dioxine-receptorcomplex aan DNA is echter zeer sterk, zodat die niet gemakkelijk ongedaan kan worden gemaakt en het echte hormoon van zijn plaats verdrongen blijft.

Het inzicht dat de giftigheid van dioxine in eerste instantie berust op binding aan een receptor blijkt van essentieel belang te zijn voor het begrijpen en verklaren van de veelheid van toxicologische effecten van dioxine, verschillen in gevoeligheid tussen species en verschillen in potentie tussen de verschillende dioxinen en furanen. De wetenschappelijke consensus van de Banbury-conferentie wat betreft de opvatting dat alle dioxine-effecten ‘receptor-mediated’ zijn, heeft vooral in de V.S. verstrekkende gevolgen voor risicoschatting en normstelling:4 voor een biologisch of toxisch effect is het nodig dat minstens enkele duizenden receptoren per cel bezet zijn met dioxinemoleculen. Dan moeten er blootstellingen bestaan beneden welke geen biologisch significante effecten zullen optreden; ‘dus’ is er een drempelwaarde of een ‘veilige dosis’ voor dioxine.

EFFECTEN BIJ DE MENS

Voor de algemene bevolking verloopt de blootstelling vanuit het milieu voornamelijk via de voeding. Opname van dioxine via contact met besmette grond of via lucht en drinkwater is gering of verwaarloosbaar. Na blootstelling aan betrekkelijk hoge doses PCDD's, PCDF's of mengsels met andere gechloreerde verbindingen is bij de mens chlooracne het voornaamste toxische effect. Chlooracne is een huidaandoening die berust op een beïnvloeding van de differentiatie van talgklieren. De talgklieren veranderen in keratine-vormende cellen. De haarfollikels raken gezwollen, overvuld met keratine, en het bedekkend epitheel atrofieert. Microscopisch blijken de talgklieren geheel of gedeeltelijk verdwenen; de oorspronkelijke structuur keert terug wanneer de chlooracne geneest. Chlooracne is overigens zeer hardnekkig, vaak treedt pas in de loop van enige jaren langzaam verbetering op. De beste behandeling blijkt ‘peeling’ van de huid te zijn.

Er zijn ook nog andere effecten op de gezondheid van de mens in verband gebracht met blootstelling aan PCDD's en PCDF's. Deze veelal acute effecten geven echter geen consistent beeld. Bij sommige werknemers die betrokken waren bij fabrieksongevallen met dioxinen werden abnormale leverfuncties, hyperpigmentatie, zwelling van de oogleden, spierzwakte, neuromusculaire stoornissen, libidoverlies en psychische veranderingen waargenomen. Bij anderen, met vaak zeer ernstige chlooracne, traden de genoemde problemen echter weer niet op. Mede gezien het ontbreken van blootstellingscijfers zijn deze gegevens ongeschikt om enige uitspraak te doen over de giftigheid voor de mens. Onlangs zijn de resultaten beschikbaar gekomen van enkele epidemiologische onderzoeken die gebaseerd zijn op goede blootstellingsgegevens: metingen van dioxine in menselijk serum. In 4 betrekkelijk goed gedefinieerde onderzoeksgroepen zijn in het serum dioxineconcentraties gevonden die aanzienlijk hoger bleken dan bij de algemene bevolking:

– Amerikaans luchtmachtpersoneel dat betrokken is geweest bij het verspuiten van 90 van het in Vietnam gebruikte ontbladeringsmiddel ‘agent orange’;

– Amerikaanse werknemers uit produktiebedrijven van 2,4,5-T en andere met dioxine gecontamineerde chemicaliën;

– Duitse en andere Europese werknemers uit gelijksoortige chemische industrie;

– de bevolking uit Seveso, blootgesteld na de fabrieksexplosie.

Juist omdat dioxine zo buitengewoon langzaam door het lichaam wordt geëlimineerd, was het mogelijk aan de hand van recente serumconcentraties de oorspronkelijke blootstelling te berekenen, ook al was de werkelijke blootstelling sinds vele jaren gestopt. De Seveso-bevolking behoort tot de zwaarst blootgestelde ter wereld. Vanaf kort na de explosie, toen medische hulp op gang kwam, tot op heden heeft begeleiding en onderzoek op ongekend grote schaal plaatsgevonden. Bij het onderzoek waren ruim 30.000 mensen betrokken, van wie 700 inwoners waren van de zwaarst getroffen zone. Onlangs zijn analysegegevens ter beschikking gekomen van serummonsters die in 1976 direct na de ramp zijn genomen. In een aantal gevallen werden in dit serum dioxineconcentraties tot 56.000 ppt aangetoond. De gemiddelde opname bedroeg bij Seveso-kinderen met chlooracne 3 microgrammenkg. Die hoeveelheid is ruim 3 maal groter dan de dosis waarbij 50 van de cavia's sterft.

Uit het zorgvuldig uitgevoerde onderzoek met ruime internationale begeleiding en grote openheid blijkt dat de enige afwijking die tot nu toe is gevonden, chlooracne is. De bij enkele personen waargenomen klinische verschijnselen of afwijkende laboratoriumresultaten waren in alle gevallen van korte duur. Er is nog onvoldoende tijd verstreken om een risico van kanker uit te kunnen sluiten.5

Deze bevindingen zijn goed in overeenstemming met de opvatting dat de mens minder gevoelig is voor de effecten van dioxine dan veel laboratoriumdieren. Het ontbreken van enige chronische aandoening in deze bevolkingsgroep is hiervoor het bewijs.

Het zekerste teken dat zware blootstelling aan dioxine bij de mens heeft plaatsgevonden is chlooracne van de huid (chlooracne kan ook door andere chemische verbindingen dan de dioxine-achtige worden veroorzaakt). Er zijn meer dan 450 gevallen geïdentificeerd in de groep bestaande uit alle werknemers die tot nu toe betrokken zijn geweest bij fabrieksongelukken. Enkele honderden gevallen van chlooracne zijn ook in het verleden ontstaan tijdens ‘routine’-werkzaamheden in produktiebedrijven. De incidenteel waargenomen neurologische verschijnselen en effecten op de lever waren alle van voorbijgaande aard. Samenvattend: er werd in de onderzochte groepen – werknemers uit fabrieken, militairen en de Seveso-bevolking – geen verband aangetoond tussen blootstelling aan dioxine en levensverwachting, chronische leverziekten, immunologische afwijkingen, neurologische aandoeningen, hart- en vaatziekten en voortplanting.

De vraag of dioxine bij de mens kanker zou kunnen veroorzaken, is minder gemakkelijk te beantwoorden. Een eventueel risico van kanker kan alleen worden vastgesteld als een voldoende lange latentietijd bestaat tussen blootstelling en het manifest worden van een tumor. Tot nu toe zijn er geen overtuigende aanwijzingen, ondanks eerdere alarmerende publikaties uit vooral Scandinavische landen waarin stond vermeld dat dioxine bij de mens kanker veroorzaakt. Volgens een recente publikatie is in een follow-up-onderzoek van 34 jaar bij 3 grote groepen van Duitse werknemers die in het verleden aan dioxine zijn blootgesteld, geen toename van kanker waargenomen.6 Het grootste onderzoek dat tot nu toe is uitgevoerd omvatte ruim 5000 aan dioxine blootgestelde werknemers in de V.S.7 De latentietijd was lang genoeg. Aan de hand van betrekkelijk nauwkeurige gegevens over blootstelling, ziekte- en doodsoorzaken werd geconcludeerd dat het hoge risico van kanker, gesuggereerd in het verleden, niet kon worden bevestigd. Een gering risico voor de zwaarst blootgestelde groep met betrekking tot tumoren van de weke delen kon echter niet worden uitgesloten. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat het risico van kanker voor de algemene bevolking kan worden verwaarloosd en dat dioxine in het ergste geval na zware blootstelling uiterst zwakke kankerverwekkende eigenschappen bezit.8

Samenvattend is de verheugende boodschap dat het dioxineprobleem minder ernstig is dan aanvankelijk werd aangenomen en kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

– de mens is minder gevoelig voor effecten van dioxine dan veel (proef)dieren;

– blootstelling aan hoge concentraties dioxine kan chlooracne veroorzaken, een ongewenste maar niet levenbedreigende huidaandoening;

– na blootstelling aan hoge concentraties dioxine zijn enkele tijdelijke klinisch waarneembare effecten en afwijkende laboratoriumuitslagen vastgesteld;

– er bestaan geen overtuigende gegevens dat blootstelling aan dioxine bij de mens invloed heeft op sterfte en voortplanting, of chronische leverziekte, immunologische aandoeningen, hart- en vaatziekten en (of) neurologische afwijkingen veroorzaakt, of enig ander effect heeft; met betrekking tot het ontstaan van kanker bestaat enige onzekerheid;

– het kan niet geheel worden uitgesloten dat blootstelling aan hoge concentraties dioxine een uiterst gering risico van kanker met zich meebrengt; van lage concentraties (zonder chlooracne) is geen kankerverwekkend effect aangetoond;

– levenslange blootstelling aan dioxine leidend tot concentraties in het serum van 30 ppt veroorzaakt geen effecten op de gezondheid van de algemene bevolking.

NORMSTELLING

Tot voor kort was de normstelling met betrekking tot dioxine traditioneel geheel gebaseerd op experimenteel dieronderzoek met TCDD. In 10 jaar werd de zaak wel heel ingewikkeld. In 1980 werd alleen rekening gehouden met TCDD zelf. De volgende jaren werden steeds meer verwante dioxinen en furanen in de vorm van toxische equivalenten bij de berekening betrokken; thans moet rekening worden gehouden met ruim 20 stoffen die alle een dioxine-achtige werking bezitten. Bovendien bracht onderzoek steeds meer gegevens aan het licht over toxisch-carcinogene effecten en verschillen tussen species. De vele onzekerheden uit het experimentele onderzoek werden weerspiegeld in de risicoschattingen in verschillende landen. De wetenschappelijk vastgestelde normen met betrekking tot de aanvaardbare dagelijkse opname voor de algemene bevolking in de V.S. en Europa variëren dan ook sterk: 0,006-10 picogramkg lichaamsgewichtdag. De Nederlandse norm, in 1982 vastgesteld, bedraagt 4 picogramkg lichaamsgewicht dag.

Het WHO European Centre for Environment and Health in Bilthoven heeft op verzoek van het Nederlandse ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in december 1990 een internationale consensusbijeenkomst georganiseerd over normstelling. Aan de hand van dierexperimentele gegevens en de nieuwste gegevens over de epidemiologie bij de mens, waarbij vooral een vergelijking is gemaakt tussen het TCDD-gehalte in lichaamsweefsels en de waargenomen effecten bij proefdieren en de mens, werd door de deelnemende wetenschappers geconcludeerd dat een dagelijkse belasting van 100 picogramkg lichaamsgewicht bij de mens geen effecten zal hebben. Voor alle zekerheid werd een veiligheidsfactor van 10 voorgesteld, waarmee de voorgestelde WHO-richtlijn voor de aanvaardbare dagelijkse opname 10 picogramkg lichaamsgewichtdag bedraagt. Vooral voor de V.S. heeft deze verhoging van de norm verregaande gevolgen met betrekking tot regelgeving. Bovendien werd vastgesteld dat borstvoeding niet leidt tot te hoge concentraties in weefsel en organen van zuigelingen. Klinische effecten zijn tot op heden niet waargenomen, zodat er geen aanleiding bestaat borstvoeding te ontraden.910

Artikel naar aanleiding van de voordracht tijdens het 43e ledencongres van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, gehouden te Arnhem op 3 en 4 oktober 1991.

Literatuur

  1. Heijden CA van der, Sangster B. Dioxinen.Ned Tijdschr Geneeskd 1984; 128:1989-95.

  2. Theelen RMC, Heijden CA van der, Sangster B. Dioxinen,milieu en gezondheid. Ned TijdschrGeneeskd 1990; 134: 627-31.

  3. Scheuplein RJ, Gallo MA, Heijden CA van der, eds.Biological basis for risk assessment of dioxins and related compounds 1991.Banbury Conference 1990. Cold Spring Harbor, NY: Laboratory Press (terperse.)

  4. Roberts L. Dioxin risks revisited. Science 1991; 251:624-6.

  5. Mocarelli P, Needham LL, Marocchi A, et al. Serumconcentrations of 2,3,7,8-tetrachlorodibenzo-p-dioxin and test results fromselected residents of Seveso, Italy. J Toxicol Environ Health 1991 (terperse.)

  6. Zober A, Messerer P, Huber P. Thirty-four-year mortalityfollow-up of BASF employees exposed to 2,3,7,8-TCDD after the 1953 accident.Int Arch Occup Environ Health 1990; 62: 139-57.

  7. Fingerhut MA, Halperin WE, Marlow DA, et al. Cancermortality in workers exposed to 2,3,7,8-tetrachlorodibenzo-p-dioxin. N Engl JMed 1991; 324: 212-8.

  8. Bailar JC. How dangerous is dioxin? N Engl J Med 1991;324: 260-2.

  9. Theelen RMC, Knaap AGAC, Sangster B. Dioxine; een normaanbevolen door de Wereldgezondheidsorganisatie.Ned Tijdschr Geneeskd 1991; 135:875-7.

  10. World Health Organization. Summary report: consultationon tolerable daily intake from food of PCDDs and PCDFs. WHO EURO publicationnr (EURICPPCS) 030(S) 0369n. Bilthoven, Netherlands 4-7 December1990. Copenhagen: World Health Organization, Regional Office for Europe,1991.