Het veterpotje van Jan Steen; zwangerschapstest of gynaecologisch therapeuticum in de 17e eeuw?
Open

Geschiedenis
23-12-1997
M.A.C. Lubsen-Brandsma

‘Het doktersbezoek’ is een genremotief in de zeventiende-eeuwse schilderkunst geweest. Jan Steen heeft verscheidene schilderijen met dit onderwerp gemaakt. Op deze schilderijen komt steeds een vuurtestje voor met een daarin gelegde veter. Dit attribuut kan uitgelegd worden als diagnosticum voor een zwangerschap, als hulpmiddel om een flauwgevallen vrouw weer bij te brengen of – en dat is het waarschijnlijkst – als reuktherapie voor een zelfstandig door het lichaam dolende uterus, een therapie die reeds bij de Egyptenaren en in de Griekse Oudheid te vinden is.

In de 17e eeuw is voor een aantal schilders ‘het doktersbezoek’ een geliefd onderwerp geweest. Ook Jan Steen (1626-1679) heeft dit thema op verscheidene schilderijen uitgebeeld. Naast een aantal medische attributen die door de arts gebruikt konden worden, schilderde Jan Steen bij herhaling een vuurtestje waarin een veter ligt te smeulen. De verbrande veter blijkt een obstetrische dan wel gynaecologische betekenis te hebben.

Het veterpotje is een potje van rood aardewerk waarin wat kooltjes gelegd kunnen worden om te verbranden; dit geheel wordt geplaatst in een stoof. Het kwam waarschijnlijk in alle huishoudens in die tijd voor. Men plaatste de koud geworden handen of voeten op de stoof om weer warm te worden. Dit vuurtestje komt op vele schilderijen van Jan Steen voor. Op enkele daarvan wordt bovendien een bandje of veter aangetroffen waarvan een der uiteinden in zo'n rood potje met gloeiende kooltjes ligt om te verbranden. Deze combinatie van het potje en de veter komt steeds voor op die schilderijen die het doktersbezoek voorstellen (figuur 1 en 2).

In onze eeuw zijn er drie grote tentoonstellingen van het werk van Jan Steen geweest: in 1926 in de Lakenhal te Leiden, in 1958 in het Mauritshuis te Den Haag en in 1996 in het Rijksmuseum te Amsterdam. In de catalogus van 1958 wordt het veterpotje beschreven als een vroege zwangerschapstest: ‘Zich ziek voelende vrouwen liet men aan brandende veters ruiken. Vielen zij flauw dan was dit een bewijs, dat zij in blijde verwachting waren.’1 Deze uitleg wordt in de literatuur herhaaldelijk geciteerd. Eerdere literatuur daarentegen geeft aan dat een flauwgevallen vrouw door de prikkelende geur juist werd bijgebracht.23 Dan is er dus geen sprake van een specifiek zwangerschapsdiagnosticum.

De vraag is in hoeverre een schilderij ons iets kan zeggen over het gebruik en de betekenis van de attributen die erop voorkomen. Om deze vraag te kunnen beantwoorden dienen wij eerst antwoord te geven op een andere vraag: wat wil deze schilder ons met dit schilderij vertellen? In de 17e eeuw werden frequent voorstellingen van alledaagse taferelen geschilderd: de genrestukken. Ook Jan Steen heeft dergelijke genremotieven herhaaldelijk gebruikt. Eenzelfde motief kan door een schilder diverse malen, vrijwel identiek of juist evoluerend, uitgewerkt worden. Een van de genremotieven bij Jan Steen is het doktersbezoek. In de dissertatie getiteld Jan Steen de ‘kluchtschilder’ heeft de kunsthistoricus De Vries beschreven hoe Jan Steen het genre ‘doktersbezoek’ tot bloei heeft gebracht en in de tweede helft van de 17e eeuw bijzonder populair heeft gemaakt.4 Bij genreschilderijen gaat het vaak om het uitwerken van een moraal, vooral om het te kijk zetten of zelfs bespotten van menselijke dwaasheden. Veel schilderijen uit de 17e eeuw zijn pas in een latere periode voorzien van een titel; die is meestal niet van de schilder zelf afkomstig. Jan Steen geeft een enkele maal aan wat de strekking is van die schilderijen die later ‘Het doktersbezoek’ werden genoemd, en wel door middel van een aanwijzing op het schilderij zelf. Op een ervan ligt een stukje papier op de grond waarop staat: ‘Daer baet geen medesijn, want het is minnepijn.’ Een verloren gegaan ‘doktersbezoek’ van Jan Steen had als schriftelijke aanwijzing: ‘Als ik mij niet verzint, is deze meid met kind.’ De schilderijen waarop het doktersbezoek afgebeeld is, hebben steeds als vaste personages een arts en een kwijnende jonge vrouw.

DE PATIËNT

De patiënt die door de arts bezocht wordt, is steeds een zieke jonge vrouw. Zij wordt vrij stereotiep afgebeeld: vaak draagt zij een met bont afgezet huisjak, een wit kapje en fraaie zijden kleding – zij behoort tot de gegoede burgerij (zie figuur 2). Meestal zit de vrouw in een stoel naast een tafel of zij ligt in bed. Zij ondersteunt het hoofd met een melancholiek gebaar of legt het hoofd op een kussen. Haar gebrek aan energie of haar matheid wordt verder uitgedrukt door een slap afhangende arm. Soms is zij al flauwgevallen of dreigt zij uit de stoel te glijden.

DE ARTS

De arts op de schilderijen wordt eveneens stereotiep uitgebeeld. Op vele voorstellingen, vanaf de Middeleeuwen tot aan de periode waar wij mee te maken hebben, wordt een arts doorgaans weergegeven met een mantel over de schouder gedrapeerd, terwijl hij een urineglas tegen het licht houdt ter bestudering van de inhoud. Op deze wijze moest een persoon als arts herkend kunnen worden. Verder heeft hij doorgaans een baret of hoed op en in de linker hand dient hij zijn handschoenen te houden. Hij moet de pols voelen of urine bekijken, eventueel zelfs beide tegelijk. Ook in de commedia dell‘ arte uit deze en de daaraan voorafgaande periode zijn dit de kenmerken van de arts. Het personage van de ’Dottore‘ ontwikkelt zich in het theater echter tot een pedante, levensongeschikte, eigenlijk wat belachelijke figuur.

Is de arts die wij zien op de schilderijen van Jan Steen een arts zoals die in zijn tijd voorkwam of wilde hij een bepaald aspect belichten?

Er zijn uit die tijd vele portretten van artsen bekend. Zij worden al dan niet geïdealiseerd weergegeven, het liefst met tekenen van hun werkzaamheden, zoals op de schilderijen die ‘de anatomische les’ uitbeelden. In 1729, dus 50 jaar na de dood van Jan Steen, is er over deze schilder een belangrijke biografie geschreven door Jacob Campo Weyerman. Weyerman schrijft dat Jan Steen in een bepaalde periode in hetzelfde huis heeft gewoond als een geneesheer. Jan Steen ontdekt dat hij op een gegeven moment bestolen is en weet dan zeker dat zijn inwonende buurman dit gedaan moet hebben. Weyerman vertelt dan: ‘De onschuldige Doktoor nam het hulpmiddel van een tijdige vlugt in den arm, bevreest dat hij anders voor zigzelve zou moeten hebben praktiseeren en Jan Steen verbleef altoos bij die bevatting dat hij door de Geneeskunde en door niemant anders was bestolen.’5 In hoeverre deze anekdote op waarheid berust, is niet meer na te gaan, maar generaties lang heeft men daarom gedacht dat Jan Steen met zijn doktersfiguren personen heeft uitgebeeld die niet geheel serieus genomen hoefden te worden.

DE DIAGNOSE

Op sommige schilderijen geeft Jan Steen heel concreet aan wat de ziekte en dus de door de arts te stellen diagnose moet zijn, namelijk minnepijn. Ook op die schilderijen waar hij dit niet letterlijk aangeeft, geeft hij wel andere aanwijzingen dat de ziekteverschijnselen met de liefde te maken hebben. Hij schildert een cupido die zijn pijlen afschiet; er hangt een schilderij aan de muur met een liefdesthema (Venus en Adonis of de strijd tussen de Centauren en de Lapithen – een strijd die ontstond door de ontvoering van een bruid (zie figuur 1)). In dezelfde richting wijst een amorbeeldje op de schoorsteenmantel (zie figuur 2) of twee elkaar besnuffelende hondjes, wat duidelijk op seksuele activiteit wijst. De liefde, vooral de onbeantwoorde of onbereikbare, kan – en kon ook in die tijd – een scala aan somatische klachten veroorzaken.

Minnepijn was in de 17e eeuw tevens een actueel theologisch discussiepunt. Minnepijn heeft te maken met het begeren van de geliefde. Er waren in die tijd verschillen in opvattingen over minnepijn tussen katholieken en protestanten. Voor de katholieken is het optimale geneesmiddel voor lusten het celibaat. In de protestantse opvatting worden de begeerten van ongehuwden erkend. De oplossing van dit probleem, het genezen van deze ‘ziekte’, is hier echter het huwelijk. Binnen het huwelijk wordt de seksualiteit voor beide partners volledig geaccepteerd en ook gewaardeerd. De medische diagnosen die in die tijd bij vrouwen met minnepijnklachten gesteld konden worden zijn:

– ‘Obstructio’: het uitblijven van de menses ten gevolge van ernstige ziekten of door wat wij tegenwoordig ‘stress’ noemen, maar ook een teken van zwangerschap.

– ‘Morbus virgineus’: de ziekteoorzaak is een door een obstructio ontstane stuwing van bloed in de uterus. Dit bloed bederft na enige tijd en de schadelijke substanties ervan veroorzaken uiteenlopende klachten: een bleek gezicht, hoofdpijn, hartkloppingen, gebrek aan eetlust, maagstoornissen, melancholie. De chronische vorm zou zelfs tot de dood kunnen leiden.

– ‘Suffocatio uterina’ of ‘passio hysterica’: de baarmoeder is overvuld van verderfelijk vocht en dampen. De uterus gaat nu zelfstandig dwalen door het lichaam en benadeelt zo vitale organen. De ademhaling wordt bemoeilijkt. De vrouw raakt opgezwollen of valt flauw.

– ‘Furor uterinus’: er ontstaat een heftige lust tot cohabiteren. De ziekte treft doorgaans te wellustige jonge vrouwen, maar eventueel ook jonge ‘zaadrijke’ weduwen; tevens kan ze bij gehuwde vrouwen voorkomen, bijvoorbeeld als de echtgenoot een oude impotente man is.

Men heeft dus getracht allerlei gedragsafwijkingen van vrouwen te verklaren door een bepaalde functie van de uterus en zo werden vele aandoeningen gerelateerd aan de gefrustreerde liefde. Deze gedachtegang vormt waarschijnlijk een belangrijk aspect van de schilderijen waarop het doktersbezoek is afgebeeld. Waarschijnlijk is het hoofdmotief de seksuele begeerte; voor sommige vrouwen nog alleen maar minnepijn, voor andere al een zwangerschap.

Eind vorige eeuw heeft Meige zich intensief beziggehouden met de ziekte die door de artsen op de diverse schilderijen van het doktersbezoek gediagnosticeerd moest worden.6 De verschijnselen van de ‘mal d'amour’ (minnepijn) vertoonden veel gelijkenis met de in Meiges tijd gebezigde diagnose ‘chlorose’. Maar van de betekenis van het veterpotje zelf wordt niet gerept.

DIAGNOSTISCHE HULPMIDDELEN

Het voelen van de ‘kwaliteiten’ van de pols (destijds belangrijker geacht dan de frequentie) en het bekijken van de urine waren hulpmiddelen van de medicinae doctor. Het urineglas (de matula) en de korf waarin het urineglas bewaard kan worden (zie figuur 2) zijn hiervan zichtbare bewijzen. Diagnostiek door middel van het schouwen van de urine (de uroscopie) is eeuwenlang een methode geweest om informatie te verkrijgen over ziekte en gezondheid.7 Door de urine te schouwen meende men ook te kunnen aflezen of de vrouw al dan niet zwanger was. (De uroscopie raakte vanaf de 16e eeuw echter steeds meer in diskrediet; in de tijd van Jan Steen was er een duidelijke scepsis ten aanzien van de waarde van de uroscopie.) Verder kwamen als medische hulpmiddelen het aderlaatbekken en de klisteerspuit voor.

Het veterpotje moet waarschijnlijk in deze categorie ondergebracht worden: als diagnosticum voor zwangerschap of voor de gynaecologische problemen die ontstaan door minnepijn.

DE THERAPIE

In een der Egyptische papyrusrollen, de papyrus-Kahun (rond 2000 v.Chr.), wordt beschreven dat vrijwel alle pijn die vrouwen ervaren ontstaat door de dolende uterus. In de papyrus-Ebers worden recepten gegeven om de uterus vanuit de buik weer naar zijn plaats terug te drijven. Een middel hiervoor was het volstoppen van de vagina met geurige stoffen; omgekeerd liet men de patiënte kwalijk riekende stoffen (rook van was en hete houtskool) inademen om de uterus uit het bovenste deel van het lichaam te verdrijven.

Ook Hippocrates (rond 400 v.Chr.) noemde de effecten van de dolende uterus (hysteria); hij gaf soortgelijke adviezen – ervan uitgaande dat de uterus een eigen identiteit had met een voorkeur voor aangename geuren. Hippocrates beval als ‘onderhoudsdosering’ op lange termijn het huwelijk aan: maagdelijkheid is onnatuurlijk en daarom gevaarlijk.

De meeste Griekse en Romeinse artsen volgden de theorie van de dolende uterus. Galenus (2e eeuw n.Chr.) ontkende het zwerven van de uterus, maar volgde, zoals hij vaak deed, wel de hippocratische reuktherapie.

Trotula van Salerno heeft in haar middeleeuwse werken over gynaecologische aandoeningen geschreven en is enkele eeuwen toonaangevend geweest. Ook zij accepteerde de hippocratische stelling van de dwalende uterus. Zij gaf remedies aan die een zware geur hebben – brandende wol of verbrand linnen doek. Ook in Jan Steens 17e eeuw werden welriekende stoffen vaginaal toegediend, maar er werden vooral stinkende geuren tegen een opspelende baarmoeder gebruikt. Johan van Beverwijck geeft in zijn Schat der ongesondheyt uit 1660 een opsomming van materiaal dat gebruikt kan worden: ‘Gebrande blauw schorteldoecxbant, gebrande veren insonderheydt van patrijzen en gebrande schoenlappen.’8 Dit fragment over de onwelriekende geurtherapie komt voor in het hoofdstuk over ‘de opstijginge van de lijf-moeder’.

Zo kan ook de smeulende veter op de schilderijen van Jan Steen gezien worden als therapie voor de zelfstandig door het lichaam dwalende en zo klachten veroorzakende uterus.

In 1921 heeft Van Gils een artikel geschreven over het veterpotje.2 Van Gils, gepromoveerd op een onderzoek naar de dokter in de zeventiende-eeuwse Hollandse literatuur, meent dat het branden van de veter een volksgeneesmiddel tegen flauwvallen is. De veter wordt gebruikt om een flauwgevallen vrouw met de prikkelende geur bij te brengen.

De reeds genoemde Jan Steen-tentoonstellingscatalogus uit 1958 noemt alleen zwangerschap als te diagnosticeren probleem.1

Laurinda Dixon, kunsthistorica, concludeert na uitvoerige analyse dat het veterpotje beschouwd moet worden als reuktherapie voor een ronddolende uterus.9

In de Jan Steen-catalogus uit 1996 wordt genuanceerd commentaar gegeven.10 De aromatherapie suggereert dat de afgebeelde patiënte wordt bijgebracht na flauwvallen; dit flauwvallen kan duiden op een kwaal van de baarmoeder, maar het kan ook een zwangerschapsverschijnsel zijn.

CONCLUSIE

Jan Steen heeft in zijn genrestukken met het thema ‘het doktersbezoek’ ongetwijfeld een moraal willen laten uitkomen.11 Een jonge vrouw wordt ziek verklaard. Haar verschijnselen zijn echter ontstaan uit minnepijn. Desondanks wordt de geleerde medicinae doctor uitgenodigd een diagnose te stellen. Zijn therapeutisch arsenaal zal echter tekortschieten: ‘Daer baet geen medesijn, want het is minnepijn.’ De arts wordt uitgebeeld te midden van zijn attributen: urinebokaal, aderlaatbekken en smeulende veter. Men mag aannemen dat er sprake is van een discrepantie tussen de hulpvraag en het medische antwoord hierop. De vrouw lijdt onder haar psychische gesteldheid (de begeerte), de arts verklaart een en ander uit zwangerschap dan wel uit een naar de toenmalige opvattingen zelfstandig door het lichaam dolende uterus. De vraag van de patiënte wordt ten onrechte aan de arts gesteld, die tekort zal schieten in het doorzien van de ware problemen. De smeulende veter wijst op de kennis en gedachtewereld van de medicinae doctor. De veter wordt ofwel gebruikt als middel voor het aantonen van een zwangerschap in samenhang met een reeds bevredigde, maar nog steeds aanhoudende lust, die pas zijn vrede vindt in een huwelijk, ofwel – en dat is waarschijnlijker – als onwelriekend geurmiddel om de jonge vrouw te genezen van haar suffocatio uterina door de uterus naar zijn plaats terug te drijven.

Literatuur

  1. Jan Steen. Tentoonstellingscatalogus 33. Den Haag:Mauritshuis, 1958.

  2. Gils JBF van. Een detail op de doktersschilderijen van JanSteen. Ned Tijdschr Geneeskd1921;65:2561-3.

  3. Schmidt Degener F, Gelder HE van. Veertig meesterwerkenvan Jan Steen. Amsterdam: Elsevier, 1927:52.

  4. Vries L de. Jan Steen de ‘kluchtschilder’proefschrift. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen,1977.

  5. Campo Weyerman J. Leven der schilders. Delevensbeschrijvingen der Nederlandsche konst-schilders enkonst-schilderessen. Deel II. 's-Gravenhage: Boucquet, 1729.

  6. Meige H. Les peintres de la médecine. Le mald'amour. Nouvelle iconographie de la Salpétrière1899;12:57-68, 227-60, 340-52, 420-32.

  7. Forbes TR. The midwife and the witch. New Haven: YaleUniversity Press, 1966:34-49.

  8. Beverwijck J van. Schat der ongesondheyt. Amsterdam: JanJacobsz Schipper, 1660:150-61.

  9. Dixon LS. Perilous chastity – women and illness inpre-enlightenment art and medicine. Ithaca: Cornell University Press,1995.

  10. Jan Steen. Schilder en verteller.Tentoonstellingscatalogus, Amsterdam, Rijksmuseum. Zwolle: Waanders, 1996:40,53.

  11. Petterson E. Amans Amanti Medicus. Das Genremotiv Derärztliche Besuch in seinem kulturhistorischen Kontextdissertation. Oslo: Universiteit Oslo, 1994.