Gildepenningen van de Amsterdamse chirurgijns*
Open

Historisch perspectief
17-03-2015
Frank F.A. IJpma, Chris Teulings en Thomas M. van Gulik

Sinds 2018 presenteert het NTvG een online tentoonstelling waarin een uitgebreide selectie uit de NTvG-penningencollectie wordt voorzien van een medisch-historische achtergrond.  

bekijk exposite

Elke chirurgijn die in Amsterdam werkzaam was tussen omstreeks 1620 en het einde van de 18de eeuw kreeg bij het behalen van zijn chirurgijnsexamen een presentiepenning. Presentiepenningen waren eigenlijk de lidmaatschapspenningen van het Amsterdamse chirurgijnsgilde en konden worden gebruikt voor de controle op aanwezigheid bij gildebijeenkomsten. Vanaf 1684 ontvingen chirurgijns ook een Hortuspenning, als een toegangsbewijs tot de Hortus Medicus. Knechtenpenningen, baardragerspenningen en vereringspenningen komen minder frequent voor. Deze dienden respectievelijk om de aanwezigheidsplicht van knechten bij onderwijsmomenten te controleren, de draagplicht bij begrafenissen te reguleren en om gildeleden te eren vanwege hun verdiensten voor het chirurgijnsgilde. Er is een collectie 17e- en 18e-eeuwse penningen van het Amsterdamse chirurgijnsgilde bewaard gebleven van in totaal 230 exemplaren. Deze verzameling is wereldwijd de grootste en meest diverse collectie chirurgijnspenningen. Van enkele chirurgijns die staan afgebeeld op de beroemde reeks groepsportretten van het gilde, zijn persoonlijke penningen bewaard gebleven. Wij onderzochten wie deze chirurgijns waren en wat deze penningen nu werkelijk voor hen betekend hebben.

De Waag op de Nieuwmarkt in Amsterdam was in de 17e en 18e eeuw het epicentrum van het Amsterdamse chirurgijnsgilde. Hier bevonden zich de gildekamer en het Theatrum anatomicum. In de gildekamer werden vergaderingen belegd over bestuurlijke, huishoudelijke en financiële kwesties. Het gildebestuur bestond uit zogenoemde ‘overlieden’, met de ‘deken’ van het gilde als voorzitter.

De ‘praelector anatomiae’ verzorgde het gildeonderwijs en gaf anatomische lessen in het Theatrum anatomicum, gebruikmakend van lichamen van ter dood veroordeelde misdadigers of overledenen uit de Amsterdamse gasthuizen. De ‘collegemeester’ assisteerde de praelector bij zijn anatomische demonstraties.1 Hij documenteerde welke gildebroeders en knechten bij de les aanwezig waren. De proefmeester richtte zich op het voorbereiden en afnemen van chirurgische examens. Gildebroeders hadden bepaalde rechten maar ook plichten. Afwezigheid bij het gildeonderwijs, anatomische lessen, begrafenissen of andere officiële gildebijeenkomsten werd niet op prijs gesteld. Gildepenningen speelden een belangrijke rol bij het reguleren van deze rechten en plichten.

Het Amsterdamse chirurgijnsgilde heeft ons een reeks unieke gildepenningen nagelaten. Van andere chirurgijnsgilden in Nederland zijn nauwelijks penningen bewaard gebleven. In totaal zijn er ongeveer 230 penningen van het Amsterdamse chirurgijnsgilde bewaard gebleven, circa 10% van het aantal dat ooit door de Amsterdamse chirurgijns is uitgegeven. Een aantal exemplaren hiervan bevindt zich in de collectie van het NTvG. Een aantal van deze penningen waren ooit eigendom van Amsterdamse chirurgijns die zijn afgebeeld op de beroemde groepsportretten van het gilde. ‘De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp’, in 1632 geschilderd door Rembrandt, is wellicht het beroemdste schilderij uit deze reeks. Wij onderzochten van welke chirurgijns op deze schilderijen een penning bewaard is gebleven en wat hun functie is geweest.

Chirurgijnspenningen

Presentiepenningen

De Amsterdamse chirurgijns kregen een presentiepenning bij het behalen van het chirurgijnsexamen aan het einde van de chirurgijnsopleiding. Een presentiepenning diende als lidmaatschapspenning en werd gebruikt ter controle van de aanwezigheidsplicht bij gildebijeenkomsten. De oudste presentiepenning dateert van 1620. We weten niet wie de eigenaar was, omdat deze penning alleen is genummerd (figuur 1a).2 Het skelet op de voorzijde van de penning is gebaseerd op een afbeelding uit het werk van Vesalius en was onderdeel van het wapen van het Amsterdamse chirurgijnsgilde.3 Deze afbeelding van het skelet bleef bewaard in het wapen van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde, opgericht in 1902.

Al spoedig veranderde het gilde de administratieve gebruiken door niet langer penningen op nummer maar op naam uit te geven. Uit de tweede serie presentiepenningen is een exemplaar van de chirurgijn Hendrick Smeeckes bewaard gebleven (figuur 1b). Smeeckes is afgebeeld op een groepsportret van de overlieden uit 1706 (figuur 1c).4 Zijn oom droeg dezelfde naam en was wellicht de eerste bezitter van de Smeeckes-penning.

Rond 1680 gaf het gilde een derde serie presentiepenningen uit. Van dit type zijn de exemplaren van de chirurgijns Isaac Hendricksz Hartman (1632-1684), Pieter Cleeveringh van Vijve (1697-1770) en Pieter Jas bewaard gebleven.4,5 Allen zijn afgebeeld op schilderijen van het gilde. Hartman ontving de prestigieuze zilveren penning aan het einde van zijn bestuursperiode, toen hij de deken van het gilde was. Op de penning is de Dood naast een zandloper afgebeeld, een verwijzing naar de vergankelijkheid van het bestaan (figuur 2a). Beroepsmatig werden chirurgijns regelmatig geconfronteerd met dit ‘memento mori’-thema. De keerzijde toont het stadswapen van Amsterdam en een inscriptie met de naam van de chirurgijn.

Pieter Cleeveringh van Vijve kreeg zijn presentiepenning bij zijn chirurgijnsexamen in 1724 (figuur 2b). Hij staat afgebeeld op de anatomische les van Dr. Willem Röell uit 1728 in de rol van collegemeester (figuur 3a).4,6 Van Pieter Jas is een overeenkomstige presentiepenning bewaard gebleven (figuur 2c). Jas staat afgebeeld op de anatomische les van Petrus Camper uit 1758 (figuur 3b).4 Vanaf 1740 nam het gilde een laatste serie presentiepenningen met een bredere rand in gebruik. De presentiepenningen uit de verschillende tijdsperioden verschillen weliswaar van uiterlijk, maar hebben wel steeds dezelfde functie gehad.

Hortuspenningen

Chirurgijns en knechten waren verplicht lessen in de botanie volgen. Deze lessen werden door de praelector gegeven in de ‘Hortus Medicus’, een tuin waar allerlei exotische planten met geneeskrachtige eigenschappen werden gekweekt. Toen in 1684 de nieuwe Hortus in Amsterdam in gebruik genomen werd, gaf het chirurgijnsgilde penningen uit om de toegang tot de Hortus voor chirurgijns te reguleren. Het gilde betaalde jaarlijks een vast bedrag aan de beheerders van de tuin.

De hortuspenning van Johannes Andreas Koenerding (1678-1735) behoorde waarschijnlijk tot de eerste serie hortuspenningen van het chirurgijnsgilde (figuur 2d). Koenerding staat afgebeeld op het groepsportret van de overlieden van het chirurgijnsgilde uit 1716.4 Het omschrift ‘coll m chirurgi’ duidt erop dat de penning is uitgegeven door het chirurgijnsgilde (‘Collegium Chirurgicum’). Dit omschrift ontbreekt bij de tweede en derde serie hortuspenningen, die vόόr 1740 zonder rand en na 1740 met een brede rand werden uitgegeven.

Baardragerspenningen

Voor begrafenissen waren enkele speciale baardragerspenningen in omloop om het draagrecht en de draagplicht van de lijkbaar te reguleren. Deze penning, gekenmerkt door een gravure van een lijkbaar, werd toegewezen aan de chirurgijns die hun overleden collega naar het graf droegen. Beide exemplaren zijn vermoedelijk uitgegeven halverwege de 17e eeuw (figuur 4a).

Knechtenpenningen

Knechten hadden een aanwezigheidsplicht bij anatomische lessen en bij het onderwijs van de praelector anatomiae. Het gilde reguleerde de aanwezigheidsplicht van knechten bij officiële bijeenkomsten met behulp van een kleine penning. De knechtenpenning is een versimpelde uitvoering van een presentiepenning (figuur 4b). De penning is niet voor niets kleiner, knechten hadden hiërarchisch gezien een lagere rang dan de meester-chirurgijns. De 5 nog bekende exemplaren dragen allemaal de naam van een knecht die succesvol examen had gedaan aan het einde van de 17e of 18e eeuw. De gildereglementen van 1685 en de ordonnantie van 1789 bevestigen dat er knechtenpenningen geweest zijn.7 Daarin staat geschreven dat ‘de mr. Chirurgijns, mr. Apothekers mitsgaders hare knegts van haar respectieve overluyden een penning, daar hare naam op staan, moeten ontfangen, om in’t ingaan te vertoonen’.

Vereringspenningen

Een vereringspenning werd door het gilde aan een lid uitgereikt bij een benoeming of verering vanwege zijn verdienste voor het chirurgijnsgilde. Er is een vereringspenning van Abraham Titsingh bewaard gebleven (figuur 4c). Titsingh bracht tumultueuze verandering in het gildebestuur teweeg die zijn weerga in de geschiedenis van het chirurgijnsgilde niet kende. Hij bracht aan het licht dat de zittende overlieden gefraudeerd hadden met de chirurgijnsdiploma’s en de gildekas. Het gevolg was dat het hele corrupte gildebestuur in 1732 werd afgezet. Titsingh zelf bleef aan na de zuivering van het gildebestuur. In hetzelfde jaar werd het nieuwe gildebestuur onder leiding van Titsingh afgebeeld in het groepsportret van de schilder Jan Maurits Quinkhard (figuur 5).4,5 Op de vereringspenning van Titsingh staat het jaartal ‘1731’ gegraveerd. Het jaartal kan in verband gebracht worden met zijn benoeming tot overman en de onthulling van de frauduleuze praktijken van het voormalige gildebestuur. Het is goed mogelijk dat deze vereringspenning van Abraham Titsingh terugblikt op deze gebeurtenissen.

Conclusie

De originele gildepenningen van het Amsterdamse chirurgijnsgilde waren ooit persoonlijk eigendom van de chirurgijns die aangesloten waren bij het gilde. De oudste bewaard gebleven penning van het gilde is al bijna 400 jaar oud. Door de reeks groepsportretten van het gilde kennen wij sommigen van deze chirurgijns van naam en van gezicht. Er zijn 9 groepsportretten in de vorm van een anatomische les bewaard gebleven. ‘De anatomische les van dr. Sebastiaen Egbertsz’ uit 1603 is het oudste groepsportret van het gilde. Dit schilderij werd eerder in het NTvG besproken.8 Daarnaast werden vanaf 1680 tot 1744 in totaal 9 groepsportretten van de zittende overlieden vervaardigd. In totaal staan op 18 schilderijen 117 chirurgijns afgebeeld. Van 6 chirurgijns op de schilderijen traceerden wij een gildepenning. Dit waren de penningen van Smeeckes, Hartman, Cleeveringh van Vijve, Jas, Koenerding en Titsingh. De verschillende soorten penningen hadden zoals gezegd ieder een eigen functie.

Opvallend is dat na opheffing van de chirurgijnsgilden in 1798 ook min of meer een einde kwam aan het uitgeven van chirurgijnspenningen in Nederland. De oude traditie van ‘chirurgische’ penningen werd pas weer in ere hersteld toen de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH), ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan in 1952, de legpenning van de NVvH introduceerde. Het ontwerp van de huidige legpenning is gebaseerd op een oude gildepenning met op de voorzijde een afbeelding van een skelet.9 De huidige legpenning wordt uitgereikt aan personen die een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan de heelkunde in Nederland. In feite heeft de verenigingspenning van de NVvH dezelfde functie als de oorspronkelijke ‘vereringspenning’ in de gildetijd.

Dat neemt niet weg dat een groot deel van de oorspronkelijke functies van de chirurgijnspenningen vergeten zijn. Om de oude traditie in ere te herstellen zou herinvoering van een moderne ‘lidmaatschapspenning’ aan het einde van de heelkundige opleiding wellicht te overwegen zijn.

Literatuur

  1. Meijer H. Privilegien, willekeuren en ordonnantiën, betreffende het Collegium Chirurgicum Amstelaedamense. Amsterdam: Pieter van den Berge; 1736.

  2. Wittop Koning DA. De penningen der Noord-Nederlandse ambachtsgilden. Amsterdam: Jacques Schulman BV; 1978.

  3. Houtzager H. De oudst bekende Amsterdamse Chirurgijnspenning. De Beeldenaar. 1978;1:4-5.

  4. Middelkoop NE, Noble P, Wadum J, Broos B. Rembrandt onder het mes, de anatomische les van Dr Nicolaes Tulp ontleed. Amsterdam: Six Art Promotion bv; 1998.

  5. Middelkoop N, Baptist Bedaux J, Dudok van Heel SAC, Ekkart R, van Gent J. Kopstukken, Amsterdammers geportretteerd 1600-1800. Bussum: Uitgeverij THOTH / Amsterdams Historisch Museum; 2002.

  6. Dudok van Heel SAC. Hoe de chirurgijnsweduwe Cleveringh-Schrick in 1710 haar knecht Bernardus van Vijve (1684-1759) tot een huwelijk dwong. In: Vijfenzeventigste Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum. Amsterdam: Genootschap Amstelodamum; 1983. p. 53-72.

  7. Wijnands DO, Zevenhuizen EJA, Heniger J. Een Sieraad voor de Stad. De Amsterdamse Hortus Botanicus, 1638-1993. Amsterdam: Amsterdam University Press; 1994. p. 276.

  8. Keeman H. De oudste anatomische les. Ned Tijdschr Geneeskd. 2010;154:A2627.

  9. IJpma FF, Teulings C, van Gulik TM. Oude tradities in ere hersteld. Nederlands Tijdschrift voor Heelkunde. 2012;21:159-61.