Vergelijking van de effectiviteit van de begeleiding van patiënten en mantelzorgers*

Geheugenpolikliniek of huisarts bij dementie

Onderzoek
Els J. Meeuwsen
René J.F. Melis
Geert C.H.M. van der Aa
Gertie A.M. Golüke-Willemse
Benoit J.M. de Leest
Frank H.J.M. van Raak
Carla J.M. Schölzel-Dorenbos
Desiree C.M. Verheijen
Frans R.J. Verhey
Marieke C. Visser
Claire A. Wolfs
Eddy M.M. Adang
Marcel G.M. Olde Rikkert
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A6356
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Het onderzoeken van de effectiviteit van geheugenpoliklinieken in vergelijking met huisartsen als het gaat om de behandeling en zorg voor patiënten met dementie en hun mantelzorgers in het 1e jaar na de diagnose.

Opzet

Een gerandomiseerd multicentrisch onderzoek.

Methode

In de periode december 2007-juli 2009 includeerden 9 Nederlandse geheugenpoliklinieken 175 zelfstandig wonende patiënten met een nieuwe diagnose ‘dementie’, samen met hun mantelzorger, in de studie. Hierna werden de deelnemers gerandomiseerd tussen de geheugenpolikliniek of de huisarts voor verdere zorg en begeleiding. Deze zorg en begeleiding bestond uit reguliere zorg. De primaire uitkomstmaten waren de kwaliteit van leven van de patiënt, zoals beoordeeld door de mantelzorger en bepaald met de ‘Quality of life – Alzheimer’s disease’-vragenlijst, en de mantelzorgbelasting bepaald met de ‘Sense of competence’-vragenlijst.

Resultaten

Na 1 jaar follow-up zagen we geen significant verschil in de primaire uitkomstmaten tussen de deelnemers begeleid door de geheugenpolikliniek en de deelnemers begeleid door de huisarts. De kwaliteit van leven in de groep van de geheugenpolikliniek was 0,5 punt hoger (95%-BI: -0,6-1,6), dan die van de huisartsgroep, en de score voor de mantelzorgbelasting was 2,4 punt lager (95%-BI: -5,8-1,0).

Conclusie

Er is geen bewijs gevonden dat de geheugenpolikliniek in het eerste jaar na de diagnose effectiever is dan de huisarts als het gaat om post-diagnostische behandeling en begeleiding van patiënten met dementie.

Trialregistratie: ClinicalTrials.gov identifier NCT00554047.

Inleiding

Geheugenpoliklinieken zijn betrekkelijk nieuw in de gezondheidszorg. De eerste geheugenpoliklinieken zijn in het midden van de jaren 70 van de vorige eeuw in de VS opgericht en iets later ook in het Verenigd Koninkrijk.1 In Nederland gingen in 1986 in Tilburg en Maastricht de eerste geheugenpoliklinieken van start; sindsdien is een duidelijke toename van het aantal geheugenpoliklinieken in Nederland te zien. In 2004 waren er 40 en in 2009 was het aantal gestegen tot 65.2 Deze toename kan onder andere verklaard worden door de toenemende aandacht voor vroegdiagnostiek van dementie.

De Gezondheidsraad onderstreepte in 1988 in zijn advies over psychogeriatrische ziektebeelden al de bijdrage die geheugenpoliklinieken kunnen leveren aan de vroege onderkenning en preventie van dementie, alsmede aan de evaluatie van de diagnostiek.3 Aanvankelijk was de geheugenpolikliniek vooral betrokken bij de diagnostiek en werden dementiepatiënten hierna terugverwezen naar de eerste lijn voor zorg en begeleiding. Inmiddels verzorgt de geheugenpolikliniek in toenemende mate ook de behandeling en zorgcoördinatie na het stellen van de diagnose – mede door de opkomst van symptomatische dementiemedicatie.

Weinig onderzoek

Tot op dit moment is er nog weinig tot niets bekend over de effectiviteit van een behandel- en begeleidingstraject door geheugenpoliklinieken. Eerder onderzoek richtte zich op de geheugenpolikliniek als diagnostische faciliteit.4,5 Wel is in Frankrijk een studie uitgevoerd naar de begeleiding vanuit geheugenpoliklinieken: daarin werd een specifiek begeleidingsprogramma vanuit geheugenpoliklinieken vergeleken met de reguliere begeleiding in geheugenpoliklinieken.6 Vergelijkingen tussen dementiezorg in de eerste lijn en die in de tweede lijn door geheugenpoliklinieken, zijn er dus niet of nauwelijks en over de meerwaarde van de betrokkenheid van geheugenpoliklinieken bij de begeleiding van dementiepatiënten valt dus op basis van wetenschappelijke evaluatie nog weinig te zeggen.

In Groot-Brittannië – waar men een landelijk netwerk van geheugenpoliklinieken heeft opgezet in het kader van de zogenaamde nationale dementiestrategie – gaf dit gebrek aan wetenschappelijke gegevens recent aanleiding tot een uitgebreide discussie over het nut en de effectiviteit van geheugenpoliklinieken bij de behandeling en begeleiding van dementiepatiënten.7 Deze discussie blijft uiteraard niet beperkt tot Groot-Brittannië, maar speelt in veel meer landen.8-11 De vraag wat de optimale zorg voor dementiepatiënten is en door wie deze het best geleverd kan worden, is dan ook zeer actueel.

Wij onderzochten of begeleiding vanuit een geheugenpolikliniek van patiënten met dementie en hun mantelzorgers in het eerste jaar na de diagnose effectiever is dan begeleiding door de huisarts. Met deze studie leveren wij een bijdrage aan de discussie over geheugenpoliklinieken.

Methode

Studie-opzet

Deze studie is een pragmatisch gerandomiseerde multicentrische studie waarin deelnemers gedurende 1 jaar gevolgd werden. Na een voormeting werd het patiënt-mantelzorgerpaar gerandomiseerd naar ofwel de geheugenpolikliniek ofwel de huisarts voor verdere behandeling en begeleiding. Om een vergelijkbare verdeling te maken van deelnemers over de studiearmen vond randomisatie plaats op basis van de volgende minimisatiefactoren: type dementie, ernst dementie, geslacht patiënt, leeftijd patiënt, geslacht mantelzorger, relatie patiënt-mantelzorger en betrokken geheugenpolikliniek. Details van de studieopzet zijn elders gepubliceerd.12

De studie werd goedgekeurd door de Commissie Mensgebonden onderzoek (CMO) van de regio Arnhem-Nijmegen.

Studiepopulatie

In de periode december 2007-juli 2009 includeerden 9 geheugenpoliklinieken deelnemers – patiënt met mantelzorger – in de studie. Het betrof patiënten met een nieuwe diagnose ‘dementie’ op basis van DSM-IV-criteria en een ‘Clinical dementia rating’ (CDR; klinische beoordeling dementie) met een mogelijke score van 0,5, 1 of 2, gediagnosticeerd op de geheugenpolikliniek. Het patiënt-mantelzorgerpaar was uitgesloten van deelname aan de studie als de patiënt in een verpleeghuis was opgenomen, een levensverwachting van minder dan 1 jaar had of als specialistische behandeling vanuit de geheugenpolikliniek noodzakelijk werd geacht (ter beoordeling van de arts, bijvoorbeeld in geval van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob), waardoor geen randomisatie kon plaatsvinden.

Interventie

De interventie in deze studie bestond uit reguliere zorg uitgevoerd door ofwel de geheugenpolikliniek ofwel de huisarts in het eerste jaar nadat de diagnose ‘dementie’ op de geheugenpolikliniek was gesteld. Zowel huisartsen als professionals van de geheugenpolikliniek handelden op basis van hun eigen richtlijnen en protocollen. Voor huisartsen is dit de NHG-standaard ‘Dementie’ (de versie uit 2003; sinds 2012 is er een hernieuwde versie) en de ‘Landelijke eerstelijnssamenwerkingsafspraken dementie’.13-15 Geheugenpoliklinieken hebben de CBO-richtlijn ‘Dementie’ uit 2005 om te gebruiken in de dagelijkse praktijk.16

Een belangrijk deel van de interventie van de geheugenpolikliniek was het voorschrijven van symptomatische dementiemedicatie (acetylcholinesteraseremmers en memantine) en de begeleiding tijdens het gebruik hiervan. Verder bestond de interventie uit niet-medicamenteuze behandeling zoals het voorschrijven van ergotherapie, het geven van dagstructuur of verwijzing naar dagopvang, -behandeling of thuiszorg. Zoals de CBO-richtlijn aangeeft werden de interventies op de individuele patiënt afgestemd.

Huisartsen ontvingen op basis van de verrichte diagnostiek op de geheugenpolikliniek een uitslagbrief met adviezen, zoals gebruikelijk. In tegenstelling tot de CBO-richtlijn adviseert de NHG-standaard niet om symptomatische dementiemedicatie voor te schrijven. Een aantal huisartsen in de studie deed dit wel als onderdeel van de behandeling. Verder kunnen huisartsen de meeste niet-medicamenteuze behandelingen inzetten die ook de geheugenpolikliniek ter beschikking staan. Ook voor huisartsen gold dat de behandeling en zorg werd toegesneden op de individuele patiënt.

Metingen

Direct na inclusie van de patiënt en de mantelzorger werd bij de deelnemers thuis de voormeting uitgevoerd. Na 6 en 12 maanden werden de metingen herhaald. Tussentijds, na 3 en 9 maanden, vond een kort telefonisch interview plaats met de mantelzorger. Een overzicht van de metingen die werden uitgevoerd, is elders gepubliceerd.12

Primaire uitkomstmaten

De primaire uitkomstmaten voor het vaststellen van de effectiviteit waren de kwaliteit van leven van de patiënt zoals beoordeeld door de mantelzorger en de ervaren mantelzorgbelasting. De kwaliteit van leven van de patiënt werd gemeten met de ‘Quality of life – Alzheimer’s disease’ (QoL-AD; scores 13-52, waarbij een hogere score een betere kwaliteit van leven betekent).17 De ervaren mantelzorgbelasting werd gemeten met de ‘Sense of competence questionnaire’ (SCQ; scores 27-135, waarbij een hogere score betekent dat de mantelzorger de zorg als minder belastend ervaart).18

Secundaire uitkomstmaten

Zowel voor de patiënt als voor de mantelzorger werden verschillende secundaire uitkomstmaten gemeten. Hiervoor gebruikten we gestandaardiseerde meetinstrumenten. Voor de stemming van de patiënt was dat de ‘Geriatric depression scale’ (GDS), een korte vragenlijst die is gevalideerd bij patiënten met lichte tot matige dementie.19 Gedragsstoornissen van de patiënt werden gemeten met de ‘Neuropsychiatric inventory’ (NPI) en het dagelijks functioneren van de patiënt met het ‘Interview for deterioration in daily living activities in dementia’ (IDDD).20,21

Secundaire uitkomstmaten die bij de mantelzorger werden gemeten waren stemming, gemeten met de ‘Center for epidemiologic studies depression scale’ (CES-D),22 en angst, gemeten met de ‘State-trait anxiety inventory’ (STAI).23 Persoonlijkheidskenmerken van de mantelzorger maten we met de ‘Eysenck personality questionnaire’ (EPQ); met de ‘Pearlin mastery scale’ (PMS) werd gemeten of de mantelzorger het gevoel had controle over de situatie te hebben.24,25 Emotionele problemen van de mantelzorger door het gedrag van de patiënt werden gemeten met de hierboven genoemde NPI en het hebben van steun uit de omgeving met de ‘Inventarisatielijst sociale betrokkenheid’ (ISB).20,26

Statistische analyse

De basiskenmerken van de deelnemers werden met beschrijvende statistiek geanalyseerd. De primaire analyses voor effectiviteit betroffen covariantie-analyses (ANCOVA) van de kwaliteit van leven van de patiënt en van de ervaren mantelzorgerbelasting na 12 maanden. Hierbij werden de minimisatiefactoren en de voormeting van de betreffende uitkomstmaat meegenomen als covariaten in de analyse. De analyse werd gedaan volgens het ‘intention to treat’-principe. Uitgaande van 220 geïncludeerde deelnemers en rekening houdend met een uitval van 30% was er ruim voldoende power om superioriteit in kwaliteit van leven en gelijktijdig non-inferioriteit op ervaren mantelzorgerbelasting en vice versa aan te tonen (1-β is 0,98). We voerden een sensitiviteitsanalyse uit voor het effect van missende data op de resultaten van de eerste analyse met de ‘last observation carried forward’-methode.27 De analyses werden uitgevoerd met SPSS 16.0 en Microsoft Office Excel 2007.

Resultaten

In totaal includeerden we 175 deelnemers (patiënt-mantelzorgerparen) in de studie. Van hen werden er 87 naar de geheugenpolikliniek en 88 naar de huisarts gerandomiseerd (figuur). Bij de voormeting bestonden er geen relevante verschillen tussen de 2 groepen in de basiskenmerken van de deelnemers en ook niet in de verschillende uitkomstmaten (tabel 1). De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 78,1 jaar (SD: 5,7) en de mantelzorgers waren gemiddeld 63,5 jaar (SD: 13,1). Meer dan de helft van de mantelzorgers (54%) was de partner van de patiënt. Het type dementie was bij ruim de helft (60%) van de patiënten Alzheimer-dementie en bij 84% van de patiënten was de ernst van de dementie zeer licht tot licht (CDR-score: 0,5 en 1). Van de 175 geïncludeerde paren in de studie vielen er 22 (13%) voortijdig uit: 13 in de huisarts-arm en 9 in de geheugenpolikliniek-arm (zie de figuur).

Figuur 1
Figuur 1

Primaire uitkomstmaten

Van 153 paren werden de analyses van de primaire uitkomstmaten uitgevoerd; dit waren de kwaliteit van leven van de patiënt zoals beoordeeld door de mantelzorger en de mantelzorgerbelasting.

Na 12 maanden follow-up scoorden de deelnemers in de geheugenpolikliniek-arm gemiddeld 2,4 punten (95%-BI: -5,8-1,0) slechter op de SCQ dan deelnemers in de huisarts-arm; dit effect was niet significant (tabel 2). Op de QoL-AD scoorden de deelnemers in de huisarts-arm 0,5 punt (95%-BI: -0,6-1,6) slechter dan die in de geheugenpolikliniek-arm; ook dit effect was niet significant. Een sensitiviteitsanalyse uitgevoerd door de missende waarden te vervangen met ‘last observation carried forward’ liet vergelijkbare resultaten zien.27

Figuur 1

Secundaire uitkomstmaten

Na 12 maanden follow-up zagen we geen statistisch significant verschil in de secundaire uitkomstmaten van de patiënt. Er waren 3 secundaire uitkomstmaten van de mantelzorger die wel een significant verschil lieten zien tussen de huisarts- en de geheugenpolikliniek-arm. Dit was op de maten voor angst (STAI-algemeen en -momentaan) en depressie (CES-D) (zie tabel 2). De groep mantelzorgers in de huisarts-arm scoorde op alle 3 de maten iets beter: CES-D: 2,1 punten (95%-BI: 0,15-4,02), STAI-algemeen: 2,1 punten (95%-BI: 0,24-4,03) en STAI-momentaan: 2,4 punten (95%-BI: 0,35-4). Zowel op de STAI-algemeen als op de CES-D vonden we verschillen in de voormeting tussen de deelnemers die de studie voltooid hadden en degene die voortijdig waren gestopt. Ook waren er verschillen tussen de 2 studie-armen onderling: uitvallers in de huisarts-arm hadden slechtere gemiddelde scores bij de voormeting voor angst en depressie dan uitvallers in de geheugenpolikliniek-arm.

We herhaalden de analyses met ‘last observation forward’ voor de missende waarden om inzicht te krijgen in hoe deze verschillen de resultaten mogelijk hadden beïnvloed. Het verschil in de uitkomstmaten tussen de 2 groepen werd hierdoor kleiner en verloor statistische significantie.

Conclusie

We vonden geen bewijs dat er een verschil in effectiviteit is tussen huisarts en geheugenpolikliniek bij de behandeling en begeleiding van een patiënt met dementie en zijn of haar mantelzorger in het eerste jaar na de diagnose. Op basis van de secundaire uitkomstmaten lijkt de mantelzorger iets meer baat te hebben bij behandeling en begeleiding door de huisarts. Omdat er echter enkele verschillen waren tussen uitvallers en niet-uitvallers is er mogelijk sprake van selectieve uitval; we kunnen aan deze uitkomst dus geen eenduidige conclusies verbinden.

Beschouwing

Een vergelijking met andere studies is lastig, aangezien gelijksoortige studies niet zijn uitgevoerd. De Franse PLASA-studie vergeleek niet de huisarts met de geheugenpolikliniek, maar keek naar 2 verschillende trajecten binnen de geheugenpolikliniek.6 Die studie ziet net als de onze geen verschil in effect tussen 2 vormen van behandeling en begeleiding van patiënten met dementie. Een studie die eerder in Nederland is uitgevoerd, keek naar de effecten van een geïntegreerde multidisciplinaire diagnostische faciliteit voor psychogeriatrische patiënten, de ‘Diagnostic observation centre for psychogeriatric patients (DOC-PG). Het gebruiken van deze diagnostische faciliteit bleek effectief te zijn.5 In onze studie werd het diagnostische deel van de geheugenpolikliniek buiten beschouwing gelaten, terwijl dit in deze eerdere studie juist de te onderzoeken faciliteit was. Verder zijn er wel studies uitgevoerd die hebben gekeken naar de effectiviteit van een specifieke interventie, zoals ergotherapie bij dementiepatiënten, maar hierbij bestaat geen directe relatie met de geheugenpolikliniek.28

Sterke en minder sterke punten van de studie

De gebruikte studieopzet, een pragmatisch gerandomiseerd multicentrisch onderzoek, betekent dat het onderzoek goed aansluit op de praktijk. De deelname van 9 verschillende geheugenpoliklinieken maakt dat de generaliseerbaarheid van de resultaten van onze studie groot is. In de studie werden patiënten en mantelzorgers gevolgd in het eerste jaar na het stellen van de diagnose ‘dementie’. We zien dan ook dat de ernst van de dementie bij de meeste patiënten licht was (CDR-score: 1). Dit maakt generaliseerbaarheid naar patiënten met een ernstigere vorm van dementie lastiger.

Een mogelijke zwakte van deze studie is de relatief korte vervolgduur van 12 maanden aangezien dementie een progressief verlopende ziekte is die meerdere jaren voortduurt. Een vervolgduur van meerdere jaren zou dan ook wenselijk zijn. Verder werden de deelnemers alleen via een geheugenpolikliniek geïncludeerd waardoor patiënten die niet bij een geheugenpolikliniek zijn aangemeld niet tot de studiepopulatie behoorden. Daartegenover staat dat het voordeel van deze manier van includeren is dat de diagnose ‘dementie’ op de geheugenpolikliniek door een uitgebreid scala aan diagnostische middelen was vastgesteld en de diagnose op het moment van inclusie dus ook vrijwel zeker was. Er viel maar 1 deelnemer uit na het herzien van de diagnose.

Tot besluit

Om keuzes te maken over de toekomst van de zorg voor het sterk stijgend aantal dementiepatiënten, moeten weloverwogen beslissingen worden genomen. De resultaten van deze studie dragen bij aan het wetenschappelijk onderbouwen van de discussie over de richting die de zorg voor dementiepatiënten op zou moeten gaan en over de betekenis van de geheugenpolikliniek in dit veld. De studie toont geen verschil aan in effectiviteit van de 2 onderzochte trajecten. Daarom worden andere argumenten belangrijk bij de afweging of iemand begeleiding via een geheugenpolikliniek of via de huisarts zou moeten krijgen, bijvoorbeeld de kosten. Op patiëntniveau spelen mogelijk praktischere zaken mee in die afweging, zoals afstand, toegankelijkheid en wachttijd. De toenemende omvang van de groep patiënten met dementie kan de insteek zijn voor verder beleid. Deze toename zal ertoe leiden dat de druk op huisartsen en geheugenpoliklinieken toeneemt, maar de toename zorgt er ook voor dat er steeds meer kennis en ervaring komt.

In deze studie werd begeleiding van mensen met dementie vanuit de geheugenpolikliniek vergeleken met begeleiding door de huisarts en daarmee zijn beide alternatieven min of meer tegenover elkaar geplaatst. Een mogelijk alternatief is verdere samenwerking tussen huisarts en geheugenpolikliniek na te streven. Dit kan vorm krijgen in samenwerkingsmodellen, waarbij in bepaalde fasen van de dementie en voor bepaalde aspecten de huisarts de zorg draagt en voor andere aspecten of in andere fasen de geheugenpolikliniek meer bij de zorg betrokken is. Nader onderzoek zal moeten aantonen of het op structurele wijze bundelen en integreren van eerste- en tweedelijnsdementiezorg verder kan bijdragen aan duurzame zorg voor de groter wordende groep patiënten met dementie en hun mantelzorgers.

Leerpunten

  • Het aantal geheugenpoliklinieken is de laatste decennia sterk gestegen.

  • Het is bewezen dat geheugenpoliklinieken effectief zijn als diagnostische faciliteit.

  • Er is geen verschil gevonden in effectiviteit tussen geheugenpoliklinieken en huisartsen bij de behandeling en zorgcoördinatie van patiënten met dementie in het eerste jaar na de diagnose.

  • De voorkeur van de patiënt en de mantelzorger, de kosten of een politieke afweging om dementiezorg te centreren zullen bepalen of er wordt gekozen voor de geheugenpolikliniek, de huisarts of allebei om zorg te leveren na de diagnose.

Literatuur
  1. Wright N, Lindesay J. A survey of memory clinics in the british isles. Int J Geriatr Psychiatry. 1995;10:379-85. doi:10.1002/gps.930100506

  2. Ramakers IH, Verhey FR. Development of memory clinics in the Netherlands: 1998 to 2009. Aging Ment Health. 2011;15:34-9 Medline. doi:10.1080/13607863.2010.519321

  3. Psychogeriatrische ziektebeelden, in het bijzonder dementie, depressie en delirium. ‘s-Gravenhage: Gezondheidsraad; 1988.

  4. Logiudice D, Waltrowicz W, Brown K, Burrows C, Ames D, Flicker L. Do memory clinics improve the quality of life of carers? A randomized pilot trial. Int J Geriatr Psychiatry. 1999;14:626-32 Medline. doi:10.1002/(SICI)1099-1166(199908)14:83.0.CO;2-5

  5. Wolfs CA, Kessels A, Dirksen CD, Severens JL, Verhey FR. Integrated multidisciplinary diagnostic approach for dementia care: randomised controlled trial. Br J Psychiatry. 2008;192:300-5 Medline. doi:10.1192/bjp.bp.107.035204

  6. Nourhashemi F, Andrieu S, Gillette-Guyonnet S, et al. Effectiveness of a specific care plan in patients with Alzheimer’s disease: cluster randomised trial (PLASA study). BMJ. 2010;340:c2466 Medline. doi:10.1136/bmj.c2466

  7. Living well with dementia: a National Dementia Strategy. London: Department of Health; 2009.

  8. Cahill S. Developing a national dementia strategy for Ireland. Int J Geriatr Psychiatry. 2010;25:912-6 Medline. doi:10.1002/gps.2597

  9. Connelly P. Scottish dementia strategy editorial. Int J Geriatr Psychiatry. 2010;25:908-11 Medline. doi:10.1002/gps.2596

  10. Eriksson S. Developments in dementia strategy. Int J Geriatr Psychiatry. 2010;25:885-6 Medline. doi:10.1002/gps.2592

  11. Melis RJ, Meeuwsen EJ, Parker SG, Olde Rikkert MG. Are memory clinics effective? The odds are in favour of their benefit, but conclusive evidence is not yet available. J R Soc Med. 2009;102:456-7 Medline. doi:10.1258/jrsm.2009.090259

  12. Meeuwsen EJ, Melis RJ, Adang EM, et al. Cost-effectiveness of post-diagnosis treatment in dementia coordinated by Multidisciplinary Memory Clinics in comparison to treatment coordinated by general practitioners: an example of a pragmatic trial. J Nutr Health Aging. 2009;13:242-8 Medline. doi:10.1007/s12603-009-0066-1

  13. Boomsma LJ, De Bont M, Engelsman C, et al. Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraak Dementie. Huisarts Wet. 2005;48:124-6.

  14. NHG-Standaard Dementie M21. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap; 2003.

  15. NHG-Standaard Dementie M21. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap; 2012.

  16. Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie. Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO. Richtlijndiagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie. Alphen aan den Rijn: Van Zuiden Communications; 2005.

  17. Logsdon RG, Gibbons LE, McCurry SM, Teri L. Assessing quality of life in older adults with cognitive impairment. Psychosom Med. 2002;64:510-9 Medline.

  18. Vernooij-Dassen M, Kurz X, Scuvee-Moreau J, Dresse A. [The measurement of sense of competence in caregivers of patients with dementia] (Frans). Rev Epidemiol Sante Publique. 2003;51:227-35 Medline.

  19. Yesavage JA. Sheikh JI. Geriatric Depression Scale (GDS) Recent Evidence and Development of a Shorter Violence. Clinical Gerontologist. 1986;5:165-173.

  20. Kaufer DI, Cummings JL, Ketchel P, et al. Validation of the NPI-Q, a brief clinical form of the Neuropsychiatric Inventory. J Neuropsychiatry Clin Neurosci. 2000;12:233-9 Medline. doi:10.1176/appi.neuropsych.12.2.233

  21. Teunisse S, Derix MM. Meten van het dagelijks functioneren van thuiswonende dementiepatiënten: ontwikkeling van een vragenlijst. [Measurement of activities of daily living in patients with dementia living at home: development of a questionnaire.] Tijdschr Gerontol Geriatr. 1991;22:53-9 Medline.

  22. Radloff LS. The CES-D Scale: a Self-Report Depression scale for research in the general population. Appl Psychol Meas. 1977;1:385-401. doi:10.1177/014662167700100306

  23. Spielberger CD, Gorsuch RL, Lushene RE. STAI Manual for the State-Trait Anxiety Inventory. Consulting Psychologists Press; 1970.

  24. Eysenck SB, Eysenck HJ. The questionnaire measurement of psychoticism. Psychol Med. 1972;2:50-5 Medline. doi:10.1017/S0033291700045608

  25. Pearlin LI, Schooler C. The structure of coping. J Health Soc Behav. 1978;19:2-21 Medline. doi:10.2307/2136319

  26. Van Dam-Baggen CMJ, Huiskes CJAE, Kraaimaat FW. Inventarisatielijst Sociale Betrokkenheid: ISB (Inventory for Measuring Social Involvement). Utrecht: Academic Hospital Utrecht; 1986.

  27. Unnebrink K, Windeler J. Intention-to-treat: methods for dealing with missing values in clinical trials of progressively deteriorating diseases. Stat Med. 2001;20:3931-46 Medline. doi:10.1002/sim.1149

  28. Graff MJ, Vernooij-Dassen MJ, Thijssen M, Dekker J, Hoefnagels WH, Rikkert MG. Community based occupational therapy for patients with dementia and their care givers: randomised controlled trial. BMJ. 2006;333:1196 Medline. doi:10.1136/bmj.39001.688843.BE

Auteursinformatie

* Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in British Medical Journal (2012;344:e3086) met als titel ‘Effectiveness of dementia follow-up care by memory clinics or general practitioners: randomised controlled trial’. Afgedrukt met toestemming.

UMC St Radboud, Nijmegen.

Afd. Geriatrie/Radboud Alzheimer Centrum: drs. E.J. Meeuwsen en dr. R.J.F. Melis, onderzoekers; prof.dr. M.G.M. Olde Rikkert, klinisch geriater.

Afd. Epidemiologie, Biostatistiek en HTA: dr. E.M.M. Adang, onderzoeker.

Catharina Ziekenhuis, afd. Geriatrie, Eindhoven.

Drs. G.C.H.M. van der Aa, klinisch geriater.

Rijnstate ziekenhuis, afd. Geriatrie, Arnhem.

Drs. G.A.M. Golüke-Willemse, klinisch geriater.

Elkerliek ziekenhuis, afd. Geriatrie, Helmond.

Drs. B.J.M. de Leest, klinisch geriater.

GGZ Oost-Brabant, Centrum Land van Cuijk, Boxmeer.

Drs. F.H.J.M. van Raak, psycholoog.

Slingeland Ziekenhuis, afd. Geriatrie, Doetinchem.

Dr. C.J.M. Schölzel-Dorenbos, klinisch geriater.

Ziekenhuis Gelderse Vallei, afd. Geriatrie, Ede.

Drs. D.C.M. Verheijen, klinisch geriater.

Maastricht UMC+, afd. Psychiatrie en Neuropsychologie/Alzheimer Centrum Limburg, Maastricht.

Prof.dr. F.R.J. Verhey, zenuwarts; dr. C.A. Wolfs, onderzoeker.

VU medisch centrum, afd. Neurologie/Alzheimer Centrum Amsterdam, Amsterdam.

Dr. M.C. Visser, neuroloog.

Contact drs. E.J. Meeuwsen (E.Meeuwsen@ger.umcn.nl)

Verantwoording

De geheugenpoliklinieken die deelnamen aan de studie zijn: VUmc Amsterdam, Rijnstate ziekenhuis Arnhem, GGZ Oost-Brabant Boxmeer, Slingeland Ziekenhuis Doetinchem, Gelderse Vallei ziekenhuis Ede, Catharina Ziekenhuis Eindhoven, Elkerliek ziekenhuis Helmond, MUMC+ Maastricht en het UMC St Radboud Nijmegen.
Financiële ondersteuning: ZonMw en het UMC St Radboud. Belangenconflict : formulieren met belangenverklaring zijn beschikbaar bij dit artikel op www.ntvg.nl (zoeken op A6356; klik op ‘Belangenverstrengeling’).
Aanvaard op 30 mei 2013

Auteur Belangenverstrengeling
Els J. Meeuwsen ICMJE-formulier
René J.F. Melis ICMJE-formulier
Geert C.H.M. van der Aa ICMJE-formulier
Gertie A.M. Golüke-Willemse ICMJE-formulier
Benoit J.M. de Leest ICMJE-formulier
Frank H.J.M. van Raak ICMJE-formulier
Carla J.M. Schölzel-Dorenbos ICMJE-formulier
Desiree C.M. Verheijen ICMJE-formulier
Frans R.J. Verhey ICMJE-formulier
Marieke C. Visser ICMJE-formulier
Claire A. Wolfs ICMJE-formulier
Eddy M.M. Adang ICMJE-formulier
Marcel G.M. Olde Rikkert ICMJE-formulier
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Dementie

Gerelateerde artikelen

Reacties

Miriam
Eliel

 

 

Een boeiend artikel  van Meeuwsen et all. ook alleen al gezien het aantal mensen met dementie. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen bewijs gevonden is dat de geheugenpolikliniek in het eerste jaar na diagnose effectiever is dan de huisarts als het gaat om post-diagnostische behandeling en begeleiding van patieten met dementie.

 

Wat ik mij afvroeg is of op grond van data nog iets gezegd kan worden over de inzet van medicatie, begeleiding en thuiszorg al dan niet met casemanagement in de onderzochte groepen en de invloed daarvan op uitkomsten.

 

Daarnaast lijkt het ook interessant na te gaan hoe de kwaliteit van leven/ mantelzorgbelasting wordt ervaren als de dementie verder gevorderd is.

 

Is het niet te vroeg om de conclusie te trekken dat "dus de zorg/ begeleiding voor mensen met dementie na diagnose even goed bij de huisarts kan plaats vinden"?

 

Miriam Eliel, transmurale projecten Westfries Gasthuis

Matthea
Dijkshoorn

Boeiend artikel waar wij ook onze praktijk ervaring terug lezen, dat vooralsnog niet- medicamenteuze behandeling en begeleiding belangrijker is dan medicatie. Onze geheugenpoli (destijds GGZ OOst Brabant locatie Veghel/ziekenhuis Bernhoven locatie Veghel) heeft gekozen om niet mee te doen aan het onderzoek, vooral omdat huisartsen ook verwezen voor de niet-medicamenteuze behandeling en begeleiding door onze sociaal psychiatrisch verpleegkundigen. 
In de leerpunten noemen jullie alleen de keuze tussen dementiezorg via geheugenpoli of via huisarts. Wij vragen ons af of deze voldoende tijd hebben voor de complexe problematiek tijdens het gehele beloop van de ziekte en of zij de sociale kaart voldoende kennen. Gelukkig hebben jullie het ook over de noodzaak tot verder onderzoek. Wij denken dat de rol van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige,  behandelgroepen, de case manager en de specialist ouderengeneeskunde bij zo'n onderzoek betrokken zou moeten worden.
Wij hebben daar goede ervaringen mee. Naast eventuele medicamenteuze behandeling door een arts of, binnenkort, een verpleegkundig specialist hechten wij grote waarde aan niet-medicamenteuze behandeling. De niet-medicamenteuze behandeling en begeleiding liggen afhankelijk van de complexiteit bij de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van de GGZ of bij de regionale case manager dementie, deze laatsten worden gesuperviseerd door een specialist ouderengeneeskunde.  Daarnaast bieden we binnen de GGZ patiënten bij wie Mild Cognitive Impairment of beginnende dementie (met voldoende ziektebesef en -inzicht) is vastgesteld therapiegroepen aan (zoals de KOP groep en een dagbehandeling), de doelen daarvan zijn behoud en herstel van zelfwaardering en zelfvertrouwen, handhaven van bestaande vaardigheden, verbeteren van omgaan met beperkingen, bevorderen van sociale contacten en logtenotencontact.
Een ander argument om ook de GGZ zorg in nader onderzoek naar behandeling en zorgcoördinatie te betrekken zijn de kosten. In 2009 heeft de VGZ onderzoek gedaan naar zorgkosten van mensen met dementie, daarbij werd alleen AWBZ zorg vergeleken met AWBZ zorg met GGZ zorg, dit laatste gaf een besparing van gemiddeld 48.000 euro per klant (Rapportage onderzoek zorgkostenmonitor dementie(Zorgkantoren) Coöperatie VGZ, 2012).

 

Matthea Dijkshoorn, klinisch geriater, GGZ Oost Brabant

René Burghoorn, specialist ouderengeneeskunde, Brabantzorg

Patricia van Boxtel, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, GGZ Oost Brabant