Dames en Heren,
Vandaag hebben we het over ‘frozen shoulder’ (adhesieve capsulitis), een veelvoorkomende schouderaandoening. Patiënten met een frozen shoulder ervaren pijn en toenemende stijfheid van het schoudergewricht die soms jaren aanhoudt. Aan de hand van 2 casussen beschrijven wij de verschillende fasen van deze aandoening en doen wij suggesties voor de behandeling per fase.
Samenvatting
‘Frozen shoulder’ of adhesieve capsulitis is een pijnlijke en invaliderende schouderaandoening die in verband wordt gebracht met een verscheidenheid aan comorbiditeiten. Hoewel het ziektebeeld vaak van voorbijgaande aard is, kunnen de klachten wel tot 3 jaar aanhouden. Bij sommige patiënten blijven de klachten chronisch. Klinisch wordt een frozen shoulder ingedeeld in 3 fasen: een vriesfase met voornamelijk pijnklachten, een bevroren fase met vooral stijfheid, en een ontdooifase waarin de klachten langzaam verbeteren. In de vriesfase is het lastig om een frozen shoulder vast te stellen, doordat de symptomen overlappen met andere veelvoorkomende schouderaandoeningen. Huidige behandelopties bestaan uit pijnstilling, fysiotherapie, glucocorticoïdinjecties, hydrodilatatie, doorbewegen onder narcose en een artroscopische ‘release’ van het gewrichtskapsel. Op de lange termijn lijken alle behandelopties even effectief te zijn. Conservatief beleid heeft de voorkeur en kan een tijdelijke symptoomreductie geven. Operatieve behandeling kan worden overwogen bij patiënten die klachten houden ondanks langdurige conservatieve therapie.
Kernpunten
- Denk ook aan een ‘frozen shoulder’ bij hevige aspecifieke schouderpijn.
- In de vroege fase van de ziekte is het lastig om de diagnose te stellen, doordat de symptomen overlappen met andere veelvoorkomende schouderaandoeningen.
- Het pathofysiologische mechanisme van een 'frozen shoulder' is niet volledig opgehelderd; er is dan ook geen therapie die aangrijpt op de onderliggende oorzaak.
- Na een follow-upperiode van 1 jaar zijn de invasieve en conservatieve behandelingen even effectief, terwijl invasieve interventies gepaard gaan met een aanzienlijk risico op complicaties.
- De behandeling van een 'frozen shoulder' bestaat met name uit conservatieve behandelopties, aangevuld met voorlichting en begeleiding van de patiënt.
- Invasieve therapie kan overwogen worden wanneer langdurige conservatieve therapie in de bevroren fase geen effect heeft.
artikel
Patiënte A, een 58-jarige vrouw met een blanco voorgeschiedenis, kwam bij de huisarts vanwege toenemende pijn en bewegingsbeperking van de linker schouder. De klachten waren ruim 3 maanden eerder begonnen; er was geen trauma aan voorafgegaan. De patiënte kon de arm maximaal tot schouderhoogte heffen. De klachten beperkten haar aanzienlijk bij de dagelijkse activiteiten, zoals bij aan- en uitkleden. Ook ’s nachts had zij pijn. Pijnstilling met paracetamol en NSAID’s hielp onvoldoende. Differentiaaldiagnostisch dacht de huisarts aan het subacromiaal pijnsyndroom (SAPS) of een beginnende frozen shoulder. 5 maanden nadat de klachten waren begonnen werd de patiënte voor verdere analyse en behandeling verwezen naar een orthopedisch chirurg.
Bij actief bewegingsonderzoek zagen wij een fors beperkte bewegingsuitslag van de linker schouder (referentiewaarden tussen haakjes): anteflexie 60° (170°), abductie 60° (170°) en exorotatie in adductie 20° (65°). Ook de passieve bewegingsuitslagen waren beperkt: anteflexie 80°, abductie 80° en exorotatie in adductie 30°. Bij schouderbewegingen in alle richtingen ontstond een hevige, herkenbare pijn. Op röntgenfoto’s van de linker schouder waren geen afwijkingen zichtbaar. De werkdiagnose luidde: frozen shoulder.
Wij informeerden de patiënte over het natuurlijke beloop en de behandelopties. In deze pijnlijke fase stelden wij voor om een intra-articulaire infiltratie te verrichten met een lidocaïne 1%-oplossing met 40 mg methylprednisolon (verhouding: 5:1). Daarnaast adviseerden wij haar om de schouder te blijven bewegen binnen de pijngrenzen, eventueel onder begeleiding van een fysiotherapeut. De patiënte ging akkoord met de intra-articulaire injectie. Ze besloot de fysiotherapie uit te stellen. Bij telefonische controle 6 weken later was de pijn afgenomen, maar was de bewegingsuitslag van de schouder onveranderd.
6 maanden later zagen wij de patiënte terug. De pijn was afgenomen, maar de stijfheid was toegenomen. Wij adviseerden patiënte om met oefentherapie te beginnen onder begeleiding van een fysiotherapeut om de schouderfunctie te verbeteren. Na enkele maanden oefentherapie was de schouderfunctie aanzienlijk verbeterd. Ruim 20 maanden na het begin van de klachten was zij klachtenvrij.
Patiënt B, een 53-jarige man met insulineafhankelijke diabetes mellitus (type 1), kwam naar de polikliniek Orthopedie vanwege een aanhoudende frozen shoulder van de rechter schouder. De patiënt had al 19 maanden klachten en kon hierdoor zijn werk als schilder niet uitvoeren. Hij ervoer dagelijks nachtpijn en de bewegingsuitslag van de schouder was erg beperkt. Patiënt had tot dan toe diverse behandelingen gehad via de huisarts: pijnstilling met NSAID’s, tweemaal een glucocorticoïdinjectie en langdurige fysiotherapie. Sinds enkele maanden had de patiënt minder pijn, maar de stijfheid van de schouder hield aan. Hij maakte zich veel zorgen over de klachten, vooral vanwege zijn beroep.
Bij lichamelijk onderzoek zagen wij een fors beperkte bewegingsuitslag van de schouder, zowel bij actieve als passieve bewegingen: anteflexie 50°, abductie 50° en exorotatie in adductie 10°. De bewegingen van schouder waren in alle richtingen pijnlijk in de eindstand.
Wij bespraken het natuurlijke beloop van een frozen shoulder en de beschikbare behandelopties. Vanwege de langdurige klachten, ondanks uitgebreide conservatieve therapie, stelden wij voor om de schouder door te bewegen onder algehele anesthesie. De patiënt ging daarmee akkoord.
2 maanden na de manipulatie onder narcose waren de bewegingsuitslagen van de schouder aanzienlijk verbeterd: anteflexie 130°, abductie 110° en exorotatie in adductie 40°. Patiënt was tevreden aangezien de schouderfunctie na maanden eindelijk was vooruitgegaan. Hij besloot om weer te beginnen met fysiotherapie. Na ruim 2,5 jaar had de patiënt geen pijn en kon hij activiteiten in het dagelijks leven probleemloos uitvoeren, ondanks dat de rechter schouder nog stijver was dan de linker. De patiënt accepteerde dit, aangezien hij zijn werk kon hervatten.
Beschouwing
Onze 2 patiënten hadden beiden een frozen shoulder, maar presenteerden zich in verschillende fasen van het ziektebeeld. Daardoor verschilden hun klinisch beeld en het verdere ziektebeloop. Hieronder geven wij een overzicht van het natuurlijke beloop van een frozen shoulder en de beschikbare behandelopties.
Epidemiologie
Frozen shoulder is een bekende oorzaak van schouderpijn en treft meestal patiënten van 40-65 jaar.1 De geschatte prevalentie van frozen shoulder in de algemene bevolking is 2-5%.2 Patiënten ervaren progressieve pijn en later bewegingsbeperking van de schouder, waardoor zij aanzienlijk beperkt worden bij hun dagelijkse activiteiten. Alhoewel het ziektebeeld grotendeels van voorbijgaande aard is, kunnen de symptomen gemiddeld 1-3 jaar aanhouden.1 De langdurige pijn en bewegingsbeperking leiden tot aanzienlijke maatschappelijke en gezondheidskosten, bijvoorbeeld door werkverzuim.3 Ook houdt een aanzienlijk deel van de patiënten schouderklachten op langere termijn en ontwikkelt 6-34% van de aangedane patiënten een frozen shoulder aan de contralaterale zijde.2 Verder wordt frozen shoulder in verband gebracht met een verscheidenheid aan comorbiditeiten (tabel 1). Van deze uitgebreide lijst van risicofactoren is diabetes mellitus de voornaamste, aangezien de incidentie van frozen shoulder bij mensen met diabetes varieert van 10 tot 31%.2 Daarnaast is het beloop bij mensen met diabetes mellitus vaak hardnekkiger (zoals bij patiënt B).
Diagnostiek
Frozen shoulder is een klinische diagnose en wordt dus vastgesteld op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek. Het klinische beloop wordt vaak ingedeeld in 3 fasen: de vriesfase, de bevroren fase en de ontdooifase. De vriesfase wordt gekenmerkt door een pijnlijke inflammatie van het gewrichtskapsel, waarbij patiënten veel pijn ervaren, zowel in rust (nachtpijn) als bij beweging. In de bevroren fase is er fibrose van het gewrichtskapsel, waardoor een ernstige, invaliderende bewegingsbeperking van de schouder ontstaat. In deze fase is er minder pijn in rust, al kan er wel nachtpijn aanwezig zijn en zijn de uiterste bewegingsuitslagen in alle richtingen pijnlijk. In de ontdooifase neemt de contractuur van het schoudergewricht langzaam af, waarna bij de meeste patiënten de schouderfunctie volledig herstelt.
Omdat deze fasen klinisch kunnen overlappen en het ziektebeloop per patiënt sterk varieert, is het makkelijker om een onderscheid te maken tussen een fase met voornamelijk pijn en een fase met vooral stijfheid. De periode met klachten duurt gemiddeld 1-3 jaar (figuur), maar kan soms ook langer aanhouden.1
De ernst van de pijn en de mate van bewegingsbeperking zijn afhankelijk van de fase van de ziekte op het moment dat de patiënt zich presenteert. In de vriesfase staat met name pijn op de voorgrond, terwijl in de bevroren fase vooral bewegingsbeperking op de voorgrond staat. Bij bewegingsonderzoek wordt een frozen shoulder vooral gekenmerkt door een exorotatiebeperking. Bij lichamelijk onderzoek worden verschillende criteria gebruikt om een frozen shoulder te diagnosticeren, maar een officiële consensus ontbreekt. Vaak wordt – vergeleken met de contralaterale schouder – een bewegingsbeperking van > 50% in minstens 2 richtingen aangehouden, bijvoorbeeld exorotatie en abductie.
Tijdens de vriesfase kan het lastig zijn om een frozen shoulder vast te stellen, doordat er dan een aspecifieke pijn op de voorgrond staat. Differentiaaldiagnostisch moet er worden gedacht aan andere oorzaken van schouderklachten, zoals SAPS en glenohumerale artrose (tabel 2). Niet alleen komen deze ziektebeelden overeen met dat van een frozen shoulder, SAPS komt ook nog eens voor bij patiënten in dezelfde leeftijdscategorie. Daarnaast kunnen afwijkingen bij het lichamelijk onderzoek ook passen bij bovengenoemde aandoeningen. Een ernstige exorotatiebeperking in een later stadium maakt een frozen shoulder waarschijnlijker. Bedenk wel dat gevorderde artrose of een chronische of gemiste posterieure schouderluxatie ook een exorotatiebeperking geeft. Om deze redenen is het erg belangrijk om het beloop van de klachten goed te volgen.
Met een röntgenfoto van de schouder kunnen andere oorzaken van bewegingsbeperking en pijn worden opgespoord, zoals gleno-humerale artrose. Verder aanvullend onderzoek – echografie of een MRI-scan – is alleen aangewezen wanneer er op basis van het lichamelijk onderzoek een andere oorzaak wordt vermoed, zoals een scheur van de ‘rotator cuff’, of bij twijfel over de diagnose.
Pathofysiologie
Het pathofysiologische mechanisme van een frozen shoulder is tot op heden niet helemaal opgehelderd, waardoor er nog geen therapie is die aangrijpt op de onderliggende oorzaak. Zowel op macroscopisch als op microscopisch niveau is er inflammatie en fibrose van het glenohumerale kapsel zichtbaar.4 Bij beeldvormend onderzoek en bij artroscopie van de schouder kan een strak, verdikt glenohumeraal kapsel worden gezien, met afname van het gewrichtsvolume.4 Histopathologisch onderzoek van het glenohumerale kapsel en het synovium laat een chronisch ontstekingsinfiltraat zien met fibrose, waarin pro-inflammatoire cytokinen, groeifactoren en immuuncellen aanwezig zijn, de hoeveelheid collageen is toegenomen en de vascularisatie is verhoogd.4 Het blijft echter onduidelijk waardoor deze inflammatie en fibrose ontstaat en vooral waardoor het vaak vanzelf geneest. Dit laatste maakt het schoudergewricht uniek: artrofibrose in andere gewrichten en fibrose in andere organen zijn doorgaans irreversibel; denk daarbij bijvoorbeeld aan longfibrose.
Behandeling
Er zijn talloze fysiotherapeutische, medicamenteuze en chirurgische behandelopties beschreven voor frozen shoulder; een duidelijke behandelstrategie is er echter niet.5,6 Naast deze behandelopties zijn voorlichting en begeleiding van de patiënt erg belangrijk, aangezien het ziektebeeld bij een deel van de patiënten lang kan aanhouden en patiënten stress en slaapproblemen kunnen ervaren.7 Hieronder zetten we kort de meest geschikte behandelopties per fase uiteen.
In de vriesfase is pijnstilling een van de belangrijkste behandelopties (tabel 3). Er wordt begonnen met paracetamol, eventueel in combinatie met orale ontstekingsremmers (NSAID’s). NSAID’s kunnen een tijdelijk pijnstillend effect hebben; er is geen bewijs voor de effectiviteit opioïden bij een frozen shoulder.3,5,6 Omdat een frozen shoulder een langdurig probleem is en het risico bestaat dat de patiënt een afhankelijkheid ontwikkelt, kunnen opiaten beter vermeden worden. Glucocorticoïdinjecties werken anti-inflammatoir en moeten daarom in de vriesfase worden toegediend.3,5,6 Glucocorticoïden kunnen een tijdelijke pijnverlichting geven.3,5,6 Er is geen eenduidig bewijs over wat de beste locatie is voor de injectie, maar aangezien zowel intra-articulaire als subacromiale injecties een gunstig effect kunnen hebben, adviseren wij om de injectieplaats te kiezen waar de behandelaar zich het meest comfortabel bij voelt.6,8
Fysiotherapie kan breed worden ingezet in elke fase van de ziekte. Het schoudernetwerk Nederland (SNN) voor fysiotherapeuten heeft een richtlijn opgesteld voor de behandeling van een frozen shoulder die aansluit bij de ziektefase van de patiënt.9 Gedurende het hele traject moet de patiënt voorlichting en begeleiding krijgen (zie tabel 3). In de vriesfase is het belangrijk om binnen de pijngrenzen te blijven bewegen, met of zonder de begeleiding van een fysiotherapeut. In de bevroren en de ontdooifase kan er begonnen worden met hooggradige mobilisatietechnieken en spierversterkende of functionele oefentherapie. Fysiotherapie kan een gunstig effect hebben op de pijn en de schouderfunctie, een effect dat kortdurend is of kan aanhouden tot op middellange termijn.3,5,6,9 Daarnaast schijnt met fysiotherapie als aanvulling op NSAID’s of glucocorticoïdinjecties de schouderfunctie sneller te herstellen dan met elk van deze behandelopties afzonderlijk.3,5,6,9
Bij een patiënt met een frozen shoulder in de bevroren fase, bij wie conservatieve therapie niet heeft geholpen, kan invasieve therapie worden overwogen. Zo kan er een echogeleide injectie met een natriumchloride-oplossing worden gegeven in het fibrotische gewrichtskapsel (hydrodilatatie); het gewrichtskapsel wordt daarbij opgerekt door verhoging van de intra-articulaire druk.3,6 Deze behandeling kan een tijdelijke symptoomreductie geven, maar lijkt geen meerwaarde te hebben vergeleken met conservatieve behandelopties.3 De schouder kan ook worden doorbewogen onder algehele anesthesie (manipulatie) of het glenohumerale gewrichtskapsel kan worden losgemaakt tijdens een artroscopie van de schouder (artroscopische ‘release’).3,5,6
Wij geven de voorkeur aan manipulatie onder narcose, met als doel om het schouderkapsel op te rekken en daarmee de schouderfunctie te verbeteren.3,5,6 Deze interventies kunnen echter gepaard gaan met ernstige complicaties.6 Een recente gerandomiseerde studie waarin manipulatie onder narcose, een artroscopische release en fysiotherapie werden vergeleken, liet zien dat geen enkele interventie superieur was na een follow-upperiode van 1 jaar.10 Alhoewel de schouderfunctie in alle groepen verbeterde, was het risico op complicaties het hoogst bij patiënten die een artroscopische release hadden ondergaan en was manipulatie onder narcose het meest kosteneffectief.10 Op basis van deze resultaten kan invasieve therapie overwogen worden bij patiënten die klachten houden ondanks langdurige conservatieve therapie in de bevroren fase (zie tabel 3).
Dames en Heren, ‘frozen shoulder’ is een langdurige schouderaandoening met een grote sociaaleconomische impact, waarvan de oorzaak nog niet volledig is opgehelderd. De aandoening kan invaliderend zijn, wat kan leiden tot werkverzuim. In de vroege fase van de ziekte is het lastig om een frozen shoulder vast te stellen, doordat de symptomen overlappen met andere veelvoorkomende schouderaandoeningen.
Ondanks de vele behandelopties, ontbreekt er een duidelijke behandelrichtlijn. Wij geven hier een handvat voor de behandeling van een frozen shoulder. Na een follow-upperiode van 1 jaar zijn de invasieve en conservatieve behandelingen even effectief, terwijl invasieve interventies gepaard gaan met een aanzienlijk risico op complicaties. Daarom moet de behandeling met name bestaan uit conservatieve behandelopties, aangevuld met voorlichting en begeleiding van de patiënt. Verwachtingsmanagement en gezamenlijke besluitvorming tussen de patiënt en de behandelaar zijn daarbij essentieel.
Literatuur
-
Hand C, Clipsham K, Rees JL, Carr AJ. Long-term outcome of frozen shoulder. J Shoulder Elbow Surg. 2008;17:231-6. doi:10.1016/j.jse.2007.05.009. Medline
-
Dawson J, Shepperd, S, Carr AJ. An overview of factors relevant to undertaking research and reviews on the effectiveness on treatment for frozen shoulder. Shoulder & Elbow. 2010;2:232-7. doi:10.1111/j.1758-5740.2010.00067.x.
-
Maund E, Craig D, Suekarran S, et al. Management of frozen shoulder: a systematic review and cost-effectiveness analysis. Health Technol Assess. 2012;16:1-264. doi:10.3310/hta16110. Medline
-
Cho CH, Song KS, Kim BS, Kim DH, Lho YM. Biological aspect of pathophysiology for frozen shoulder. BioMed Res Int. 2018;2018:7274517. doi:10.1155/2018/7274517. Medline
-
Rangan A, Hanchard N, McDaid C. What is the most effective treatment for frozen shoulder? BMJ. 2016;354:i4162. doi:10.1136/bmj.i4162. Medline
-
Cho CH, Bae KC, Kim DH. Treatment strategy for frozen shoulder. Clin Orthop Surg. 2019;11:249-57. doi:10.4055/cios.2019.11.3.249. Medline
-
Jones S, Hanchard N, Hamilton S, Rangan A. A qualitative study of patients’ perceptions and priorities when living with primary frozen shoulder. BMJ Open. 2013;3:e003452. doi:10.1136/bmjopen-2013-003452. Medline
-
Shang X, Zhang Z, Pan X, Li J, Li Q. Intra-articular versus subacromial corticosteroid injection for the treatment of adhesive capsulitis: a meta-analysis and systematic review. BioMed Res Int. 2019;2019:1274790. doi:10.1155/2019/1274790. Medline
-
Vermeulen HM, Schuitemaker R, Hekman KMC, van der Burg DH, Struyf F. De SchouderNetwerken Nederland-praktijkrichtlijn Frozen Shoulder voor fysiotherapeuten. SchouderNetwerken Nederland; 2017.
-
Brealey S, Northgraves M, Kottam L, et al. Surgical treatments compared with early structured physiotherapy in secondary care for adults with primary frozen shoulder: the UK FROST three-arm RCT. Health Technol Assess. 2020;24:1-162. doi:10.3310/hta24710. Medline
Pijnbestrijding
In de klinische les over de fronzen shoulder (NTvG nr.17 29 april2022) van H.Gacaferi,e.a. wordt bij de behandeling geen aandacht besteed aan invasieve pijnbehandeling. Alleen medicamenteuze pijnbehandeling wordt kort besproken.
Dit is jammer omdat invasieve pijnbehandeling van de n. suprascapularis en zo nodig de n. axillaris bij de langer bestaande pijnklachten bij het frozen-shoulder syndroom heel goede resultaten geeft. De goede pijn stilling wat zowel actieve als passieve beweging beter mogelijk.
Niet als eerste stap maar wanneer orale pijnstilling onvoldoende is en of progressie onvoldoende is zeker te overwegen. Misschien nog meer dan intra-articulaire injecties
reactie auteurs
Geachte collega,
Dank voor uw reactie.
Wij erkennen dat een blokkade van de n. suprascapularis (en/of n. axillaris) ook een overweging kan zijn als een van de invasieve behandelopties, zeker wanneer de orale opties onvoldoende helpen. Dit schijnt ook zeker effectief te zijn op korte termijn (Jump et al. 2021). Bedankt voor deze aanvulling.
Aangezien dit een procedure is die door een pijnspecialist verricht wordt, zouden wij dit niet aanraden alvorens een subacromiale of intra-articulaire corticosteroïd injectie. Deze kan immers vaak door de huisarts zelf gegeven worden.
Jump CM, Waghmare A, Mati W, Malik RA, Charalambous CP. The Impact of Suprascapular Nerve Interventions in Patients with Frozen Shoulder: A Systematic Review and Meta-Analysis. JBJS Rev. 2021 Dec 22;9(12).
Injectietherapie bij frozen shoulder
Met meer dan gemiddelde belangstelling las ik het artikel van Gacaferi e.a. over de diagnostiek en therapie van de frozen shoulder. De auteurs geven aan dat het bij injecties met glucocorticoïden niet uitmaakt of de injectie intra-articulair of subacromiaal wordt toegediend. De auteurs verwijzen naar twee publicaties.[1, 2] In de eerste, van Cho e.a. staat slechts dat cytokines zowel in het gewricht als in de bursa mogelijk verantwoordelijk zijn voor de pijn bij een frozen shoulder. Zij beschrijven het als een mogelijkheid en zelfs als het klopt, bewijst deze bevinding niet dat injecties subacromiaal net zo goed werken als injecties intra-articulair. Het is wel zeker dat Cho dat ook niet heeft bedoeld, want dezelfde auteur publiceerde twee jaar daarvoor een RCT waarin hij met zijn collega’s aantoonde dat een intra-articulaire injectie een sterkere afname van pijn en functieverlies geeft bij een frozen shoulder dan een subacromiale injectie.[3]
De andere referentie die Gacaferi e.a. geven om hun stelling te onderbouwen is een review van Shang e.a.[2] In die review komt naar voren dat de meerwaarde van intra-articulaire injecties boven subacromiale injecties klein is. Dat neemt niet weg dat de meta-analyse laat zien dat de pijnafname op korte termijn significant beter is bij de intra-articulair toegediende injecties dan bij de subacromiale injecties.
In deze review wordt helaas geen onderscheid gemaakt tussen blind gegeven injecties en injecties die gegeven zijn met behulp van echoscopie of röntgen. Dat lijkt wel van belang omdat het maar de vraag is of een injectie die bedoeld is als intra-articulair ook daadwerkelijk aankomt in het gewricht. Een review laat zien dat bij injecties zonder de hulp van echo of röntgen de kans groot is dat het middel het gewricht niet bereikt. In één studie was het percentage accuraat gegeven injecties zelfs maar 26,8%.[4] Van de injecties die wel in het gewricht belanden blijkt vaak dat er een aanzienlijk deel naast het gewricht belandt of uit het gewricht lekt. In één studie was dat zelfs het geval bij 51% van de injecties.[4] Bij een verkeerde techniek en/of lekkage komt het middel dus (deels) subacromiaal of intramusculair terecht. In twee van de negen studies in de meta-analyse van Shang e.a. werden de injecties blind gegeven en het zou logisch geweest als die buiten de analyse waren gehouden.
In een andere systematische review werden zeven studies geselecteerd van injecties die met behulp van echoscopie werden toegediend.[5] De auteurs stelden in een meta-analyse vast dat de pijnafname met intra-articulaire injecties groter was dan met subacromiale injecties. Dat was zowel het geval na één maand als na twee en drie maanden.
De in deze review geconstateerde meerwaarde van intra-articulaire injecties boven subacromiale is weliswaar klein, maar het gaat naar mijn idee te ver om daarom te stellen dat bij een frozen shoulder net zo goed subacromiaal kan worden geïnjecteerd.
reactie auteurs
Geachte collega,
Dank voor uw interesse in ons artikel.
Tijdens het schrijven van dit artikel hebben wij gediscussieerd over de beste locatie van een glucocorticoïd injectie. Echter, is de literatuur niet eenduidig. De eerste referentie van Cho e.a. (2019) die wij aanhalen, concludeert wel degelijk dat er geen duidelijk bewijs is wat betreft de beste locatie. (Let op: wij halen twee studies van Cho e.a. aan; u refereert hier naar de studie uit 2018). Cho e.a. (2019) baseren deze conclusie op drie gerandomiseerde studies, waarvan twee concluderen dat er geen significant verschil is in de effectiviteit tussen een intra-articulaire (IA) en een subacromiale (SA) injectie [1,2]. De derde studie (ook van Cho e.a.; de studie die u ook aanhaalt), laat dit daarentegen wel zien [3]. Deze drie gerandomiseerde studies zijn hier dus door auteur Cho zelf aangehaald om te laten zien dat er geen consensus bestaat in de literatuur.
Wel is het zo dat een IA injectie mogelijk een sneller effect kan hebben [1,2]. Dit neemt echter niet weg dat de effectiviteit op langere termijn vergelijkbaar is. Zo lijken beide injecties geen invloed te hebben op de totale ziekteduur, zoals ook andere beschikbare behandelopties. De meta-analyse die u hier aanhaalt uit 2018 laat inderdaad zien dat er een significante verbetering is op het gebied van pijn, maar niet op de schouderfunctie [4]. Daarnaast zijn er andere meta-analyses die géén significant verschil laten zien en recent zijn (zoals Shang e.a. 2019) [5]. Dit is uiteraard afhankelijk van de selectiecriteria en dus welke studies worden geïncludeerd. Om deze redenen hebben wij niet stellig een voorkeur voor een locatie. Ten slotte, zijn er ook studies die een combinatie van zowel een IA- als SA-injectie aanraden [2]. Deze discussie is echter te uitgebreid voor een klinische les, omdat hierdoor het artikel te lang wordt en de focus zich te veel richt op slechts één van de vele behandelopties. Om deze redenen hebben wij ook besloten om de discussie over wel of niet echo-geleid te prikken achterwege te laten.
De beste locatie en methode van glucocorticoïd injecties voor een frozen shoulder zorgt voor een interessante discussie die wij niet kwijt kunnen in een overzichtsartikel. Dit zou mogelijk zelfs voldoende discussiemateriaal geven voor een aparte NTvG artikel. Aangezien beide locaties tijdelijk een gunstig effect teweeg kunnen brengen, is het onzes inziens het beste om de keuze bij de behandelaar te laten. Zo kunnen er bijvoorbeeld huisartsen zijn die wel SA prikken, maar zich niet op hun gemak voelen bij het geven van een IA injectie. Het is dan onnodig om de patiënt weken tot maanden te moeten laten wachten voor een afspraak elders.