Freud, Charcot en de neurologische visie op de hysterie
Open

Geschiedenis
28-10-1995
P.J. Koehler

Van oktober 1885 tot eind februari 1886 bezocht Sigmund Freud (1856-1939) de kliniek van Jean-Martin Charcot (1825-1893) in Parijs. Over de relatie tussen Freud en Charcot, over Charcots invloed op de ontwikkeling van theorieën over hysterie en over zijn invloed op Freud is reeds veel geschreven. Sommige historici geven aan dat Charcot voornamelijk een organisch denkend neuroloog was, terwijl anderen bij hem de oorsprong leggen van het moderne denken over hysterie en van de psychoanalyse.

In dit artikel wordt nagegaan hoe Charcot ertoe kwam de hysterie te bestuderen en welke methode hij hierbij hanteerde. Vervolgens wordt bezien welke invloed Charcot persoonlijk had op Freud en in hoeverre zijn werk invloed heeft gehad op de ontwikkeling van Freuds ideeën over hysterie. Ter illustratie wordt hierbij onder meer ingegaan op Freuds artikel over de differentiaaldiagnose met betrekking tot hysterische en organische verlammingen.1 Dit artikel neemt een belangrijke plaats in in de overgangsfase van het neuropathologische naar het psychopathologische werk van Freud.

CHARCOT: HYSTERIE EN HYPNOSE

De wetenschappelijke carrière van Jean-Martin Charcot (figuur 1) wordt wel in twee perioden verdeeld: het eerste deel met voornamelijk klinisch-anatomisch onderzoek (1862-1872) en het tweede gedeelte met de meer controversiële studie van hysterie en hypnose.2

Hysterie.

Hysterie had een belangrijke plaats in het werk van Charcot. Door een toevallige omstandigheid zag Charcot veel patiënten met hysterie. Sainte-Laure, een van de gebouwen binnen het complex van de Salpêtrière, bevond zich in een zodanige staat van verval dat de bewoners, krankzinnigen, epileptici en hysterici, rond 1870 geëvacueerd moesten worden. De niet-krankzinnige epileptici en hysterici – beide typen patiënten leden aan convulsieve aanvallen – werden bij elkaar gevoegd op een nieuwe afdeling ‘Quartier des Epileptiques simples’, die aan de zorg van Charcot werd toevertrouwd.34

Van 1872 tot 1878 verrichtte hij voornamelijk beschrijvend werk betreffende de hysterie: door nauwgezet onderzoek bij vele patiënten trachtte hij patronen te isoleren en het ziektebeeld in fasen te verdelen, zoals hij dit ook bij andere zenuwziekten had gedaan. Er werd getracht ‘types’ te onderscheiden en vervolgens werden de hiervan afwijkende variaties (‘formes frustes’) onderzocht. Aldus probeerde Charcot een nosografische categorie ‘hysterie’ te construeren volgens de principes van de Franse klinische geneeskunde (bl. 132-8).56

Vanaf 1878 zocht Charcot vooral naar de oorzaak van hysterie en ontstond er een verschuiving in methodologie van klinische observatie naar fysiologisch experiment. Onder Charcots hoede werden patiënten getest met elektrische apparaten om sensibele symptomen op te sporen. Er werd getracht door middel van metalen en magneten hysterische symptomen over te brengen van de ene naar de andere zijde van het lichaam7 (bl. 174-5).8 Minder bekend, maar voor deze studie van belang, is Charcots werk met betrekking tot de hysterie bij mannen, die hij vanaf 1878 bestudeerde.9 Mede door het concept van de mannelijke hysterie had Charcot een belangrijk argument tegen de genitale theorieën, op grond waarvan in die tijd nog diverse gynaecologische operaties ter behandeling van hysterie in zwang waren. Hij brak met de aloude uterus-theorieën, die in de eerste helft van de 19e eeuw weer aan aanhang hadden gewonnen. Daarmee ontstond meer ruimte voor primair neurologische en psychologische verklaringen. Alhoewel Charcot tegen de genoemde operatieve ingrepen was, werkte hij aanvankelijk nog wel met fysieke manipulaties van de genitalia (bijvoorbeeld met de ovariële compressiegordel).

Charcots werk werd populair gemaakt als ‘la névrose fin-de-siècle’. Het centrale thema bij Charcot bleef de klinische beschrijvende neurologie en niet de theoretische, dynamische psychiatrie. ‘La théorie c'est bon, mais ça n'empêche pas d'exister’ was zijn bekende motto. De klinische observatie stond voorop; deze moest blijven tegenover de theoretische geneeskunde (bl. 42).10 Achteraf betreurde Charcot zijn werk over de hysterie en had hij plannen de grondslagen van zijn theorie te vernieuwen (bl. 111).11

Hypnose.

Na bestudering van het werk van de Engelse arts James Braid (1795-1860), maar vermoedelijk ook onder invloed van de door Victor Burq geïntroduceerde metalloscopie en -therapie introduceerde Charcot in 1878 de in medische kringen heftig omstreden hypnose in de Salpêtrière. Hij zag de hypnotische toestand echter als ‘hystérie artificielle’. In het begin gebruikte hij hypnose daarom alleen als diagnosticum (bl. 238).12

Hij hield kort na het aanvaarden van zijn leerstoel ‘kliniek van de ziekten van het zenuwstelsel’, op 13 februari 1882, een lezing over hypnose voor de Académie des Sciences.13 Hij stelde dat hypnose een kunstmatig geïnduceerde verandering in het zenuwstelsel is die alleen bij hysterische patiënten kan worden opgewekt en waarbij afzonderlijke fasen met herkenbare fysiologische tekens kunnen worden onderscheiden (catalepsie, lethargie en somnambulisme). Hij was in staat door middel van hypnose fysische en psychologische symptomen te laten verschijnen en verdwijnen en kon aldus de hysterie bestuderen. In bepaalde medische kringen verbaasde men zich erover dat Charcot zich hiermee bezighield. Charcot week steeds verder af van de klinisch-anatomische logica die zijn vroegere werk kenmerkte (bl. 109-22).11 Op de fysiologische experimenten bij hysterici is veel wetenschappelijke kritiek geuit: het amfitheater kon door diverse medici, maar ook door niet-medici bezocht worden. Ook het feit dat de experimenten bij een klein aantal patiënten telkens werden herhaald is ongetwijfeld van invloed geweest op de patiënten en de onderzoeksresultaten.2 Volgens Trillat waren de eineloze hypnoseprocedures circulair en versterkten ze zichzelf, ondanks het feit dat de toepassing ervan op serieuze positivistische wetenschap geleek (bl. 138-47).56 Charcot heeft in de jaren na 1880 zelf nooit een patiënt gehypnotiseerd of supervisie over de experimenten uitgeoefend, reden waarom hij de onvolkomenheden en de eventuele bron van fouten niet heeft kunnen aanwijzen.314

Hij kreeg in de jaren tachtig felle kritiek van de zogenaamde school van Nancy, vooral van de arts Ambroise Auguste Liébauld (1823-1904) en de hoogleraar Hyppolyte Bernheim (1837-1919), die hypnose meer beschouwden als een niet pathologisch, algemeen menselijk vermogen, stoelend op suggestie, en die hypnose voor de behandeling gebruikten.

THEORIEVORMING OVER HYSTERIE

Charcot heeft nimmer een algemene theorie geschreven over hysterie. Zijn werk is in feite een compilatie van ziektegeschiedenissen. De theoretische achtergrond moet hieruit worden afgeleid.9

Hij zag de oorzaak van de hysterie als een combinatie van constitutionele factoren (‘tare nerveuse’) en kortdurende triggers (‘agents provocateurs’). Hij veronderstelde dat hysterie een degeneratieve aandoening was van het zenuwstelsel, met quasi neurologische symptomen, een vluchtig evolutiepatroon en een ongunstige prognose. De erfelijkheid zou verlopen via de moeder. De Franse psychiatrie werd in die tijd gedomineerd door een hereditair determinisme met als toonaangevende theoretici en nosologen Benedict Morel en Valentin Magnan. In zijn Leçons de Mardi (1887-8) schrijft Charcot: ‘Bien souvent, je vous ai parlé de ce que j'ai proposé d'appeler la familie neuropathologique. Sous ce nom, j'ai l'habitude de désigner toutes les affections du système nerveux central et du système neuro-musculaire, organiques ou, au contraire, sans lésions anatomiques appréciables, qui sont reliées entre elles par l'hérédité...’ (bl. 38,10 bl. 410).15 1617

Er waren zeer veel triggers, waarvan alcoholisme en traumata als belangrijkste werden gezien (zie Guinon, Charcots leerling).918 De agents provocateurs waren bij mannen en vrouwen verschillend. Bij vrouwen ging het vaak om emotioneel overweldigende ervaringen, meestal in huiselijke omstandigheden, bij mannen om fysieke traumata – waarbij Charcot onder meer refereerde aan het Engelse concept van de ‘railway spine’19 – en venerische aandoeningen.

Charcot worstelde met het probleem van de ontbrekende pathologisch-anatomische laesie, en hij postuleerde een functionele, dynamische laesie. Hierbij dient men zich te realiseren dat de term ‘functioneel’ toen, in tegenstelling tot in de 20e eeuw, nog behoorde tot het organische paradigma. De pathofysiologie bleef speculatief. Het zou gaan om een diffuse, fysiologische afwijking van het zenuwstelsel, die niet direct opgespoord kon worden, maar toch een fysiek, waarschijnlijk corticaal substraat had.9 Charcot verwachtte dat de organische oorzaak vroeg of laat gevonden zou worden.

De voornaamste primaire symptomen van hysterie waren volgens Charcot niet de convulsies, maar de anesthesieën, hyperesthesieën, verlammingen en contracturen.6 Van belang voor ons onderwerp is dat Charcot bemerkte dat de sensorische stoornissen geen anatomische verdeling hadden. De klachten en verschijnselen correspondeerden beter met de populaire voorstellingen van het lichaam. Hierdoor neigde Charcot minder naar een strikt somatische interpretatie.

Belangrijk is dat Charcot niet alleen aan het fysieke trauma op zich, maar ook aan de begeleidende emotionele en psychische ervaringen een rol toekende. Alhoewel hij gecombineerde ‘hystero-organische’ vormen van hysterie kende, zag hij als de beslissende aanleiding ‘le grand ébranlement psychique’ (de grote psychische shock)9 (bl. 305).20 Aldus behoorde Charcot tot degenen die bijdroegen tot een progressieve psychologisering van het traumaconcept aan het einde van de 19e eeuw. Sommige historici hebben echter de psychologische component in Charcots werk overtrokken.9

De pathologische invloed van de traumatische ervaringen kon begrepen worden naar analogie van sommige hypnotische fenomenen. In traumatische omstandigheden kon het vóórkomen dat het normale bewustzijn niet werkzaam was, zoals tijdens hypnose. De patiënt kon in dergelijke situaties niet ontkomen aan de autosuggestieve invloeden uitgeoefend door zijn idee dat hij ernstig gewond was, evenals hij tijdens hypnose niet kan ontsnappen aan de invloed van de suggestie van de hypnotiseur (bl. 218).10 Dit was volgens Charcot een psychisch mechanisme.

FREUD IN PARIJS (1885-1886)

In oktober 1885 ging de toen 29-jarige Freud naar Parijs (figuur 2). Zijn doel was om zijn neuropathologische studie voort te zetten, vooral de studie van secundaire atrofie en degeneratie na hersenaandoeningen bij kinderen. Hij had al diverse neurologische en neuropathologische studies gepubliceerd.2122 Als argumenten voor zijn reis noemde hij de grote collectie van ‘klinisch materiaal’, de aanwezigheid van Charcot en het ontbreken van nieuws aan de Duitstalige universiteiten sinds het onderricht van zijn leermeester Theodor Meynert (1833-1892) en Carl Wilhelm Hermann Nothnagel (1841-1905).23

Freud had nog betrekkelijk weinig klinische ervaring met zenuwpatiënten en was vooral een laboratoriumwetenschapper, na zijn training bij de fysioloog Ernst Wilhelm von Brücke (1819-1892) en bij Meynert. Von Brücke was een fysioloog uit de Berlijnse school (met onder anderen DuBois-Reymond, Von Helmholtz en Ludwig), die meende dat alle processen in het lichaam beschouwd konden worden als fysisch-chemische. Frankrijk had, na een aanvankelijke voorsprong in het begin van de eeuw, een achterstand in de fysiologie opgelopen ten opzichte van Duitsland, zoals Claude Bernard in 1867 geconstateerd had. Meynert was vooral bekend als hersenanatoom en als psychiater in de traditie van Griesingers hersenpsychiatrie, een somatische stroming binnen de psychiatrie. Tezamen met de Berlijnse psychiater Westphal (1833-1890) en de neuroloog Erb (1840-1921) in Heidelberg had hij een belangrijke invloed op de Duitse neurologie. Door zijn opleiding bij Brücke en Meynert had Freud dus vooral een fysiologisch en anatomisch georiënteerde achtergrond. In Parijs lag de nadruk eerder op de klinisch-anatomische samenhang en de functielokalisatie.

Met een onzekere toekomstverwachting kwam hij in Parijs aan, alwaar hij constateerde dat, hoewel het neuropathologische ‘materiaal’ waardevol was, het laboratorium minder geschikt was voor de ontvangst van externe medewerkers. Al in december 1885 overwoog hij naar Wenen terug te keren. Hij voelde zich eenzaam en had moeite met de Franse taal: ‘Ik heb niemand om mee te praten en het lijkt of ik elke dag meer moeite heb met het uitspreken van deze ellendige klanken.’24 De ontmoeting met Charcot echter veranderde de situatie. Zelfs zijn oorspronkelijke argumenten voor het bezoek aan Parijs veranderden achteraf: de rechtvaardiging concentreerde zich geheel op Charcot en diens behoefte aan een vertegenwoordiger in Wenen. De medisch historicus Gelfand stelde: ‘He constructed a Charcot to suit his current purposes and needs.’24 In een brief opgesteld door een vriendin – Madame Richetti, echtgenote van een rijke arts, die Freud overhaalde in Parijs te blijven – bood hij Charcot aan om diens boeken in het Duits te vertalen. Charcot stemde toe. Uiteindelijk zou Freud twee boeken van Charcot vertalen: het derde deel van Leçons sur les maladles du système nerveux, waarbij hij het woord ‘hysterie’ aan de titel toevoegde,25 en later, in afleveringen, Leçons de Mardi (1e deel).26

Door de voorgenomen vertaling, maar ook door de affiniteit die Charcot en Freud beiden hadden met Shakespeare, buitenlandse reizen, musea en sigaren, ging Freud zich identificeren met de ongeveer dertig jaar oudere Charcot. ‘Ik trof daar Charcot aan, een leermeester zoals ik me die altijd had voorgesteld’, schreef Freud aan zijn Weense collega Carl Koller (1857-1944).24 De ontmoeting heeft een bijzondere indruk op Freud gemaakt: ‘...geen ander menselijk wezen heeft mij op dezelfde manier geraakt’. Het betekende voor hem een enorme intellectuele en emotionele omwenteling, het schiep verwarring en ambivalentie, en wekte zelfs gevoelens van onvolwaardigheid. ‘Charcot houdt danig huis in al mijn doelen en meningen... Hij put mij uit.’24

In januari en februari 1886 was Freud regelmatig te gast aan de Boulevard St. Germain 217, waar het ‘hôtel’ van de Charcots gelegen was. Doordat Charcot hem toestond het boek te vertalen, werd hij ook gemakkelijk opgenomen in de groep assistenten, van wie hij Marie, Babinski en Gilles de la Tourette met name noemde.

CHARCOT DE VADERFIGUUR; AMBIVALENTE HOUDING

Bewondering.

De ontmoeting met Charcot heeft bij Freud op zijn minst de overgang van organisch-neuropathologisch naar psychopathologisch werk gestimuleerd, maar er zijn argumenten naar voren gebracht die het aannemelijk maken dat Charcot meer betekende voor Freud. Freud zag zichzelf als Charcots leerling en uit later genoteerde gedachten blijkt dat hij in algemene en in psychoanalytische zin de intieme leermeester als substitutie-vaderfiguur beschouwde. Freud zou zijn eerstgeboren zoon later Jean-Martin noemen. Opvallend is de ‘psychologisch interessante blunder’, zoals hij het zelf noemde, om een grote som geld uit te geven aan een abonnement op Charcots tijdschrift, inclusief een aantal reeds verschenen delen, terwijl hij slechts een enkel artikel wilde kopen.24 Ook is van betekenis dat Freud een kopie van ‘Une leçon clinique à la Salpêtrière’ van de schilder Brouillet meenam naar Wenen en later naar Londen, alwaar de afbeelding in het Freud Museum nog steeds boven ‘de bank’ hangt (figuur 3).27

Kritiek.

Na het verblijf van Freud in Parijs hebben hij en Charcot nog tot in 1892 met elkaar gecorrespondeerd, onder meer over de vertaling van een deel van Charcots werk. De correspondentie, die recentelijk werd gepubliceerd, bevat niet alleen beleefdheidsfrasen. Freud had namelijk kritiek geleverd op Charcots opvattingen betreffende de etiologie van zenuwziekten; Charcot beschouwde die, zoals wij zagen, hoofdzakelijk als hereditair.

In een brief aan Freud reageerde Charcot als volgt op diens kritiek:28 ‘...ik ben verbaasd te zien in welke mate de theorie betreffende de syfilitische aard van tabes en van dementia paralytica thans huishoudt in de beste geesten.’ Charcot zag syfilis slechts als agent provocateur. ‘Voilà mon opinion; j'y suis, j'y reste – malgré les 90 – et “prevalabit” (zij (namelijk Charcots opinie) zal zegevieren; ref.) un jour ou l'autre ...’28

In 1896, drie jaar na Charcots dood, volgde meer kritiek op diens visie met betrekking tot de herediteit bij neurosen29 (bl. 142-56).30 Freuds bezwaren berustten op feitelijke en speculatieve argumenten (bl. 143).30 Hij benadrukte het nut van statistisch onderzoek in dezen en gaf voorbeelden van ziekten waarvan men meende dat ze een erfelijke oorzaak hadden, terwijl dit niet zo bleek te zijn (bl. 156).30

FREUDS ARTIKEL OVER ORGANISCHE EN HYSTERISCHE VERLAMMINGEN (1893)

In 1893 publiceerde Freud het artikel ‘Quelques considérations pour une étude comparative des paralysies motrices organiques et hystériques’.1 Om twee redenen ga ik op dat artikel in: het geeft een leerzame differentiaaldiagnose van organische en hysterische neurologische verschijnselen, en het neemt een belangrijke plaats in in Freuds werk. Het artikel heeft een lange voorgeschiedenis en op diverse plaatsen in het werk van Freud worden verschillende verklaringen van de oorsprong gegeven.

In het artikel zelf stelde Freud dat Calarcot hem in 1886, tijdens zijn bezoek aan de Salpêtrière, had verzocht een vergelijkende studie te maken van organische en hysterische verlammingen, gebaseerd op observaties uit de Salpêtrière. In een noot in zijn vertaling uit 1894 vermeldde Freud dit nogmaals (bl. 268).26 In zijn autobiografie laat hij het echter voorkomen alsof het meer zijn eigen initiatief was (bl. 13-4).31

De eerste drie delen van het artikel zijn geheel ‘neurologisch’; ze zijn vermoedelijk in 1888 geschreven.32 Het vierde deel dateert waarschijnlijk van 1893, al is het alleen maar vanwege de referentie naar Breuers en Freuds ‘Vorläufige Mitteilung...’33 In dit vierde deel herkent men de nieuwe ideeën van Breuer en Freud over onder andere verdringing, zonder dat ze expliciet worden genoemd.

In het eerste deel gaat Freud in op de organische verlammingen en maakt hij onderscheid tussen ‘gedetailleerde’ perifere verlammingen, bijvoorbeeld de aangezichtsverlamming van Bell, en ‘massale’ centrale paresen van een groep spieren met een bepaalde functie. Freud stelde nu dat hysterische symptomen alleen de kenmerken hebben van de massale centrale verlamming.

Toch zijn er enkele kenmerken waardoor de hysterische verlammingen zich van de cerebrale, organische onderscheiden. Bij organische verlammingen zijn de distale spieren meestal meer aangedaan dan de proximale, terwijl bij hysterische verlammingen de schouder of bil soms meer verlamd is dan de hand of voet. De symptomen van de organische verlammingen treft men bij de hysterische verlammingen dikwijls ‘versnipperd’ aan: monoplegie in plaats van hemiparese, geïsoleerde motorische afasie in plaats van globale, of geïsoleerde globale afasie van een bepaalde taal, ‘comme j'ai observé dans quelques cas inédits’; hiermede verwijst Freud ongetwijfeld naar Breuers casus Anna 0. (bl. 164)32 (bl. 25 en 42).34

Deze dissociatie is volgens Freud opvallend. Indien er een ongelijkmatige uitval van meerdere functies bestaat bij organische symptomen, is de meest complexe functie, welke het laatst verkregen is, het meest aangedaan. De hysterische parese en sensibiliteitsstoornis kenmerken zich vooral door de precieze beperking (‘limitation exacte’) en overmatige intensiteit (‘intensité excessive’). Hierin contrasteren ze nog het meest met de organische. Een organische verlamming kan immers niet absoluut zijn en zich tegelijkertijd tot een lidmaat beperken. Freud stelt dat hysterische verlammingen zich volledig onafhankelijk van de anatomie van het zenuwstelsel gedragen.

Het vierde en laatste deel van het artikel handelt over de oorzaak van hysterische verschijnselen. Hier gaat Freud over van een neurologische naar een psychologische verklaring. Hij wil aantonen dat er een functionele verandering kan plaatsvinden zonder dat er sprake is van een organische laesie. Hij vraagt daarvoor ‘la permission de passer sur le terrain de la psychologie, qu'on ne saurait éviter quand on traite de l'hystérie’.

CHARCOTS INVLOED OP FREUDS WERK

Volgens sommigen droeg Charcots concept van de traumatische neurose in belangrijke mate bij aan de vroege psychoanalytische theorie. In Freuds werk van de vroege jaren negentig verschuift het idee van de traumatische etiologie geleidelijk van een secundaire (agent provocateur) naar een primaire plaats, en wordt het verbonden met de theorie van de psychoseksuele motivatie en onbewuste repressie.35 Bij Charcot was het trauma een aanleiding.9 Freuds verblijf in Parijs viel precies samen met het hoogtepunt van Charcots studie van de traumatische neurose. Freuds vertaling uit 1886: Neue Vorlesungen über die Krankheiten des Nervensystems insbesondere über Hysterie,25 die nog verscheen vóór de Franse versie, bevat tien lezingen over traumatische hysterie, en verschillende van Charcots gevallen laten de evolutie zien naar een psychologische verklaring van fysieke symptomen, dat wil zeggen een theorie van conversie.35 Freud en Breuer erkenden Charcots aandeel hierin: ‘Door het psychische mechanisme van hysterische fenomenen bloot te leggen, hebben wij een nieuwe stap gezet op de weg die zo succesvol door Charcot was ingeslagen met zijn verklaring voor de hystero-traumatische paralysen.’3335

CONCLUSIE

Nadat Charcot gedurende een tiental jaren diverse neurologische ziektebeelden met succes had bestudeerd volgens de Franse klinisch-anatomische methode, probeerde hij de hysterie op dezelfde wijze te beschrijven. Hij stuitte daarbij op het probleem van de ontbrekende anatomische laesie, maar hij verwachtte dat deze later nog wel zou worden gevonden. Het deterministische hereditair-degeneratieve model, ‘famille névropathique’, bood hem een gedeeltelijke oplossing. Charcots ideeën met betrekking tot de hysterie en vooral zijn klinische experimenten met behulp van hypnose ontvingen veel kritiek, vooral na zijn dood. Pas enkele tientallen jaren later, bij hernieuwde bestudering van zijn werk, zag men dat bepaalde aspecten, in het bijzonder zijn beschrijving van de mannelijke hysterie en de traumatische neurose, van groot belang zijn geweest.

Freud bezocht Charcot op het moment dat diens studie met betrekking tot de hysterie op het hoogtepunt was. Volgens Strachey, de redacteur en commentator van Freuds verzamelde werk, maar ook volgens Freuds officiële biograaf Ernest Jones en anderen na hem, was het contact dat Freud met Charcot had van cruciaal belang voor de oorsprong van de psychoanalyse.2436 Behalve op Freuds werk heeft Charcot een belangrijke invloed gehad op de persoon Freud en op diens verdere carrière. Er bestond een ambivalente relatie tussen Freud en Charcot: Freuds bewondering werd gevolgd door kritiek, vooral op Charcots concept van de hereditaire etiologie van neurosen.

De negen jaren na het bezoek aan Parijs, tot aan Studien über Hysterie, kunnen beschouwd worden als een overgangsfase. Een artikel, gepubliceerd in 1893, over de differentiaaldiagnose aangaande hysterische en organische verlammingen,1 is kenmerkend voor deze fase en vormt de overgang van Freud, de neuroloog en laboratoriumonderzoeker, naar Freud, de psychopatholoog en klinisch onderzoeker.

Literatuur

  1. Freud S. Quelques considérations pour uneétude comparative des paralysies motrices organiques ethystériques. Arch Neurol (Paris) 1893;26:29-43.

  2. Goetz C. Charcot: scientifique bifrons. Rev Neurol (Paris)1994;150: 485-9.

  3. Guillain G. Il est injustifié et erronéd'oublier l'oeuvre de J.-M. Charcot. Semin Hôp Paris1949;25:147-60.

  4. Marie P. Centenaire de la naissance de Charcot. Eloge deJ.M.Charcot. Rev Neurol (Paris) 1925;32:731-45.

  5. Trillat E. Histoire de l'hystérie. Paris:Seghers, 1986.

  6. Micale MS. Hysteria and its historiography: a review ofpast and present writings (II). Hist Sci 1989;27:319-51.

  7. Babinski J. Recherches servant á établir quecertaines manifestations hystériques peuvent êtretransférées d'un sujet à un autre sousl'influence de l'aimant. Paris: Delahaye & Lecrosnier,1886.

  8. Harrington A. Medicine, mind, and the double brain.Princeton: University Press, 1987.

  9. Micale MS. Charcot and the idea of hysteria in the male:gender, mental science, and medical diagnosis in late nineteenth-centuryFrance. Med Hist 1990;34:363-411.

  10. Anderson O. Studies in the prehistory of psychoanalysis.Stockholm: Norstedts, 1962.

  11. Goetz C. Charcot The clinician. The tuesday lessons. NewYork: Raven Press, 1987.

  12. Veith I. Hysteria. The history of a disease. Chicago:University Press, 1965.

  13. Chertok L. A l'occasion d'un centenaireCharcot, l'hystérie et l'hypnose. Perspectivespsychiatriques 1983;21:81-9.

  14. Guillain G. JM Charcot, 1825-1893. Sa vie, son oeuvre.Paris: Masson, 1955.

  15. Charcot JM. Leçons du Mardi. Vol I. Paris:Delahaye & Lecrosnier, 1887.

  16. Féré C. La famille névropathique.Arch Neurol (Paris) 1884;7:1-43, 173-91.

  17. Gelfand T. Réflexions sur Charcot et la famillenévropathique. Hist Sci Med 1987;21:245-50.

  18. Guinon G. Les agents provocateurs del'hystérie. Paris: Delahaye & Lescrosnier, 1889.

  19. Erichsen JE. On railway and other injuries of the nervoussystem. London: Walton & Maberly, 1866.

  20. Charcot JM. Clinique des maladies du systèmenerveux. Vol I. Paris: Babé, 1892-1893.

  21. Jeliffe SE. Freud as a neurologist. J Nerv Ment Dis1937;85:696-711.

  22. Brun R. Sigmund Freud's Leistungen auf dem Gebieteder organische Neurologie. Schweiz Arch Neurol Psychiatr1936;37:200-7.

  23. Freud S. Report on my studies in Paris and Berlin. In:Strachey J, Freud A, Strachey A, Tyson A, editors. The standard edition ofthe complete psychological works of Sigmund Freud. London: Hogarth,1966:1:5-15.

  24. Gelfand T. Sigmund-sur-Seine. Fathers and brothers inCharcot's Paris. In: Gelfand T, Kerr J, editors. Freud and the historyof psychoanalysis. Hillsdale, N.J.: Analytic Press, 1992:29-57.

  25. Charcot JM. Neue Vorlesungen über die Krankheitendes Nervensystems insbesondere über Hysterie. Leipzig: Toeplitz &Deuticke, 1886.

  26. Charcot JM. Poliklinische Vorträge. Leipzig:Deuticke, 1894.

  27. Koehler PJ. Charcot en Brown-Séquard; decontroverse over de cerebrale lokalisatie.Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:2627-31.

  28. Gelfand T. ‘Mon cher docteur Freud’:Charcot's unpublished correspondence to Freud, 1888-1893. Bull Hist Med1988;62:563-88.

  29. Freud S. L'hérédité etl‘étiologie des névroses. Rev Neurol (Paris)1896;4:161-9.

  30. Freud S. Heredity and the aetiology of the neuroses. In:Strachey J, Freud A, Strachey A, Tyson A, editors. The standard edition ofthe complete psychological works of Sigmund Freud. London: Hogarth,1962;3:142-56.

  31. Freud S. An autobiography study. In: Strachey J, Freud A,Strachey A, Tyson A, editors. The standard edition of the completepsychological works of Sigmund Freud. London: Hogarth,1959;20:1-74.

  32. Freud S. Some points for a comparative study of organicand hysterical motor paralyses. In: Strachey J, Freud A, Strachey A, Tyson A,editors. The standard edition of the complete psychological works of SigmundFreud. London: Hogarth, 1953;1:157-74.

  33. Breuer J, Freud S. On the psychical mechanism ofhysterical phenomena: preliminary communication (1893). In: Strachey J, FreudA, Strachey A, Tyson A, editors. The standard edition of the completepsychological works of Sigmund Freud. London: Hogarth, 1955;2:3-17.

  34. Breuer J, Freud S. Studies on hysteria. In: Strachey J,Freud A, Strachey A, Tyson A, editors. The standard edition of the completepsychological works of Sigmund Freud. London: Hogarth,1955;2:19-306.

  35. Micale M. Charcot and les névroses traumatiques:historical and scientific reflections. Rev Neurol (Paris)1994;150:498-505.

  36. Jones E. Sigmund Freud. Life and work. Vol 1. The youngFreud. London: Hogarth, 1972.