Excessief huilen van zuigelingen: een probleem van kind én ouders (en slechts zelden veroorzaakt door koemelkallergie)

Opinie
P. Zwart
P.L.P. Brand
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:260-2
Abstract

Zie ook het artikel op bl. 257.

Alle zuigelingen huilen. De grens tussen ‘normaal’ en ‘excessief’ huilen is dan ook arbitrair. Hoewel referentiewaarden voor frequentie en duur van huilperioden bij zuigelingen bekend zijn, worden deze meestal niet gehanteerd bij de definitie van een ‘huilbaby’.1 De voor de praktijk relevantste definitie van een huilbaby is ‘een baby van wie de ouders vinden dat hij of zij excessief huilt’.2 Dat is immers ook de hulpvraag waarmee ouders zich tot de dokter wenden. Deze definitie van excessief huilen of huilbaby zal in dit artikel dan ook verder gebruikt worden.

oorzaken en behandeling

Net zo goed als de oorzaak van ‘gewoon’ huilen bij zuigelingen vaak onduidelijk is, geldt dat ook voor de oorzaken van excessief huilen.2 Het ontbreken van een uniforme definitie van excessief huilen bemoeilijkt de interpretatie van onderzoek naar prevalentie, oorzaken en behandeling van huilbaby's aanzienlijk: bevindingen van onderzoek…

Auteursinformatie

Isala klinieken, locatie Weezenlanden, afd. Kindergeneeskunde, Postbus 10.500, 8000 GM Zwolle.

Hr.P.Zwart en hr.dr.P.L.P.Brand, kinderartsen.

Contact hr.dr.P.L.P.Brand (p.l.p.brand@isala.nl)

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Veldhoven, februari 2004,

Naar aanleiding van het commentaar van de collega's Zwart en Brand (2004:260-2) wil ik enkele opmerkingen maken. De lezer zou de indruk kunnen krijgen dat opname in het ziekenhuis een goede therapie is om huilbaby's te behandelen, aangezien > 90% binnen enkele dagen zonder specifieke interventie een normaal huilgedrag vertoont. Ook zou men tussen de regels door kunnen lezen dat overbelasting van de ouders de oorzaak is van het excessief huilen van hun kind.

Vorig jaar hebben wij in Veldhoven alle moeders die gedurende een periode van 6 weken in ons ziekenhuis bevielen, 6 tot 8 weken na de bevalling gebeld met de vraag of hun kind ‘excessief’ huilde. Van de 150 kinderen konden wij van 27 de moeder niet bereiken, echter geen van hen had een kinderarts geconsulteerd in de ons omliggende ziekenhuizen. Van de overige 123 kinderen huilden 109 volgens de moeders niet excessief, 12 hadden veel gehuild, maar door adviezen van de huisarts en/of het consultatiebureau waren de problemen opgelost. Een kinderarts was 2 maal geconsulteerd. Het merendeel van de ouders van een excessief huilende zuigeling wordt dus door de 1e lijn goed begeleid en behoeft geen specialistische hulp.

Wat betreft de overbelasting van moeders en het effect daarvan op het huilgedrag van hun kind blijkt uit een systematisch overzicht van de literatuur dat stress en lichamelijke klachten tijdens de zwangerschap, onvrede met de relatie en problemen tijdens de geboorte samenhangen met het hebben van een excessief huilende zuigeling. De evidence voor een causale relatie tussen psychosociale problemen van de moeder en excessief huilen van haar kind was niet sterk. Wel bleek er een goede relatie te bestaan tussen de duur van het huilen en ongerustheid bij de moeder wanneer deze tegelijkertijd werden gemeten.1 Met andere woorden: excessief huilen veroorzaakt ongerustheid bij de moeder, maar er is geen evidence dat ongerustheid leidt tot veel huilen van de zuigeling.

W.E. Tjon A Ten
Literatuur
  1. Lucassen PLBJ, Assendelft WJJ, Eijk JThM van, Douwes AC. The etiology of infantile colic: a synthesis of the available evidence. Sociobehavioral factors. In: Lucassen PLBJ. Infantile colic in primary care. Occurrence, causes, treatments [proefschrift]. Amsterdam: Vrije Universiteit; 1999. p. 86-98.

Zwolle, februari 2004,

Wij danken collega Tjon A Ten voor zijn aanvullingen op ons commentaar. Hij heeft natuurlijk volkomen gelijk dat het merendeel van de ouders van excessief huilende zuigelingen goed in de 1e lijn begeleid kan worden. Toch komt Tjon A Ten, net als wij, regelmatig kinderen tegen die worden verwezen naar de 2e lijn omdat het excessieve huilen niet of onvoldoende reageert op de adviezen in de 1e lijn. Vanzelfsprekend kunnen wij alleen spreken over onze ervaringen met deze groep kinderen, zoals wij in ons commentaar ook duidelijk aangegeven hebben. Zoals Tjon A Ten terecht opmerkt, kunnen onze gegevens niet zonder meer geëxtrapoleerd worden naar de 1e lijn. De groep kinderen die wij zien met excessief huilen is waarschijnlijk op veel gebieden anders dan de groep kinderen met deze klachten in de 1e lijn.

Wij zijn bekend met het proefschrift van Lucassen waarin hij, in een systematisch literatuuronderzoek, inderdaad geen duidelijke relatie kon aantonen tussen psychosociale problemen van de moeder en het huilen van het kind. Net zoals het systematische onderzoek naar de behandeling van excessief huilen beperkingen kent,1 (2004:260-2) geldt dat ook voor het systematische onderzoek naar de oorzaken ervan dat Tjon A Ten aanhaalt.2 In dit onderzoek wordt namelijk de kwaliteit van de verschillende studies niet besproken, en ook niet de aantallen kinderen die onderzocht zijn of de setting (1e of 2e lijn). De conclusies die in dit overzicht getrokken worden, zijn dan ook voor andere onderzoekers niet eenvoudig te reproduceren.

In het overzicht wordt overigens aangegeven dat ongerustheid bij de moeder samenhangt met de aanwezigheid van buikkramp bij het kind. Wanneer Tjon A Ten dus stelt dat ongerustheid of spanning bij de moeder geen rol speelt bij het ontstaan van excessief huilen, is dit niet geheel evidence-based.

Sinds het verschijnen van dit overzicht is een aantal artikelen gepubliceerd waarin wél een relatie is gevonden tussen ‘stressfactoren’ bij ouders en kind enerzijds en excessief huilen anderzijds. Zo is beschreven dat excessief huilende kinderen extra gevoelig reageren op lichamelijke aanraking en onderzoek,3 en dat zij jaren later nog ‘hyperactief’ zijn.4 In de groep kinderen die door ons is onderzocht, waarbij vergelijkbare huildagboeken zijn gebruikt als door Tjon A Ten en Wolters in hun klinische les (2004:257-60), hangen problemen tijdens zwangerschap en partus sterk samen met de kans op excessief huilen. Deze gegevens worden momenteel bewerkt voor publicatie.

Al met al zijn er dus zowel aanwijzingen vóór als tegen een samenhang tussen excessief huilen en overbelasting van de ouders te vinden in de literatuur. Onze eigen ervaringen in de 2e lijn pleiten sterk voor een belangrijke rol van overbelasting bij de ouders bij het instandhouden van het excessieve huilen van hun kind. Of dit ook geldt in de 1e lijn, kan alleen door verder onderzoek duidelijk worden.

P. Zwart
P.L.P. Brand
Literatuur
  1. Lucassen PLBJ, Assendelft WJJ, Gubbels JW, Eijk JThM van, Geldrop WJ van, Knuistingh Neven A. Effectiveness of treatments for infantile colic: systematic review. BMJ 1998;316:1563-9.

  2. Lucassen PLBJ, Assendelft WJJ, Eijk JThM van, Douwes AC. The etiology of infantile colic: a synthesis of the available evidence. Sociobehavioral factors. In: Lucassen PLBJ. Infantile colic in primary care. Occurrence, causes, treatments [proefschrift]. Amsterdam: Vrije Universiteit; 1999. p. 86-98.

  3. St James-Roberts I, Goodwin J, Peter B, Adams D, Hunt S. Individual differences in responsivity to a neurobehavioural examination predict crying patterns of 1-week-old infants at home. Dev Med Child Neurol 2003;45:400-7.

  4. Wolke D, Rizzo P, Woods S. Persistent infant crying and hyperactivity problems in middle childhood. Pediatrics 2002;109:1054-60.