Enkele mijlpalen uit de geschiedenis van syfilis
Open

Geschiedenis
18-03-2013
Tuong-Vi Nguyen, Erwin J.O. Kompanje en Marinus C.G. van Praag

De geschiedenis van syfilis is complex en heeft sterk zijn stempel gedrukt op de gehele geneeskunde. De oorsprong van syfilis is een belangrijk historisch en medisch-wetenschappelijk vraagstuk. De columbiaanse hypothese, die ervan uitgaat dat syfilis zijn oorsprong heeft in de Nieuwe Wereld (‘Amerika’) en dat de ziekte door Christoffel Columbus en zijn bemanning na hun ontdekkingsreis in 1493 geïmporteerd is naar de Oude Wereld (‘Europa’), is de meest geaccepteerde theorie. Misinterpretaties van ethisch niet verantwoorde experimenten naar de oorzaak van syfilis en van gonorroe heeft in de periode van de 17e tot de eerste decennia van de 19e eeuw geleid tot nosologische misvattingen. In de late 19e eeuw en in de 20e eeuw kwamen de grote doorbraken op het gebied van microbiologie, diagnostiek en therapie.

Syfilis, of lues, is een zeer complexe multisysteemziekte indien deze onbehandeld blijft. Er is geen orgaansysteem in het menselijk lichaam dat niet door syfilis aangedaan kan worden. De ziekte heeft veel overeenkomsten met andere aandoeningen en wordt daarom ook wel ‘de grote imitator’ genoemd. Het betreft een seksueel overdraagbare aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Treponema pallidum. Wereldwijd worden jaarlijks 10-12 miljoen mensen gediagnosticeerd met syfilis; in Nederland treft de ziekte jaarlijks circa 480 personen.1

De naam ‘syfilis’ vindt zijn oorsprong in een oude Griekse mythe over een schaapherder genaamd Syphilus, die de zonnegod Apollo beledigde en daarom werd gestraft met een vreselijke ziekte. In 1530 gebruikt Girolamo Fracastoro (1478-1553) voor het eerst de formulering ‘syfilis’ in zijn gedicht ‘Syphilis sive morbus gallicus’, dat Latijn is voor ‘Syfilis of de Franse ziekte’.2

In de 16e en 17e eeuw schaamde men zich voor de ziekte. De gewoonte ontstond deze te noemen naar het land waarmee men, al dan niet met regelmaat, oorlog voerde of waaraan men op historische gronden een hekel had gekregen. Duitsers en Engelsen noemden syfilis ‘de Franse pokken’, de Russen ‘de Poolse ziekte’, de Polen ‘de Duitse ziekte’, de Fransen ‘de Napolitaanse ziekte’, de Nederlanders, de Portugezen en de Noord-Afrikanen ‘de Spaanse pokken’ en de Japanners ‘de Chinese zweer’.3 Syfilis was een volksziekte die in alle lagen van de samenleving voorkwam.4

Van een aantal bekende mensen in de geschiedenis wordt op goede of minder goede gronden vermoed dat zij aan syfilis hebben geleden (tabel 1).

Oorsprong van syfilis

De oorsprong van syfilis behoort tot de belangrijkste historische en wetenschappelijke vraagstukken in de geschiedenis van de geneeskunde. Onderzoek naar de herkomst van syfilis is voornamelijk gebaseerd op skeletonderzoek.5,6 De belangrijkste 2 hypothesen zijn: (a) de columbiaanse hypothese, die ervan uitgaat dat syfilis zijn oorsprong heeft in de Nieuwe Wereld (‘Amerika’) en door Christoffel Columbus (1451-1506) en zijn bemanning na hun ontdekkingsreis in 1493 geïmporteerd is naar de Oude Wereld (‘Europa’), en (b) de precolumbiaanse hypothese, die stelt dat treponemale ziekten al vóór 1493 aanwezig waren in de Oude Wereld.

De columbiaanse hypothese is het meest geaccepteerd, hoewel deze nog steeds controversieel is.2 Het wachten is op nieuwe moleculair-biologische technieken om de oorsprong van de syfilis verder te kunnen ontrafelen.

Syfilis door de eeuwen heen

Eind van de 15e en de 16e eeuw De beschrijvingen en de illustraties van het klinisch beeld van huidziekten uit de 16e eeuw zijn summier. In het boek ‘De Guajaci medicina et morbo gallico’ van Ulrich von Hutten (1488-1523) uit 1519 geeft de auteur als een van de eersten een nauwkeurige beschrijving van de huidafwijkingen (nattende ulceraties, zwellingen en induraties) en de klinische symptomen (ernstige pijn, rillingen en koorts) bij syfilis; in de laatste 15 jaar van zijn leven leed Von Hutten namelijk zelf aan de ziekte. Het is duidelijk dat het klinisch beeld van syfilis in de middeleeuwen verschilde met de symptomen die later werden waargenomen. Von Hutten beschrijft tevens het gunstige effect van het tot poeder gemalen Zuid-Amerikaanse guajakhout en adviseert dit als behandeling van syfilis. Guajakhout werd door de indianen gebruikt voor verschillende kwalen; in Europa kreeg het hout vanwege de toepassing bij ‘de grote pokken’ (syfilis) de naam ‘pokhout’. De wetenschappelijke naam van guajakhout is ‘Lignum vitae’, wat ‘levenshout’ betekent.2

17e tot het begin van de 19e eeuw In de late renaissance waren er speculaties over de mogelijke verwekker en de onderliggende symptomen van syfilis, wat leidde tot misinterpretaties en verkeerde nosologische opvattingen. Hierdoor werden diagnostische en therapeutische ontwikkelingen vertraagd. John Hunter (1728-1793) was in het midden van de 18e eeuw een autoriteit op het gebied van venerische ziekten. Hij was van mening dat de druiper (gonorroe) en syfilis (lues venerea) beide veroorzaakt werden door hetzelfde ‘venerische gif’; dit is de zogenoemde ‘identiteitsleer’.7 In 1767 voerde Hunter daarom het volgende experiment uit: hij doopte een lancet in ‘venerisch gif’ en voerde daarmee een tweetal puncties uit in de penis van een man. Deze ontwikkelde een druiper, een sjanker, lymfomen en later de systemische symptomen van syfilis. Dit was voor Hunter het bewijs dat het ‘venerische gif’ zowel de druiper als syfilis had veroorzaakt. Velen meenden dat Hunter het experiment op zichzelf uitvoerde, maar enig bewijs hiervoor ontbreekt.8 Anderen, zoals Benjamin Bell (1749-1806), lukte het daarentegen niet om een sjanker uit gonorroïsche etter te verkrijgen.

Gedurende circa een eeuw werden de verschijnselen van een sjanker en die van een druiper beschouwd als verschillende stadia van dezelfde ziekte met 1 verwekker. De Franse arts Philippe Ricord (1800-1888) toonde aan dat syfilis en gonorroe echter 2 verschillende ziekten zijn. Daarnaast maakte hij een indeling in primaire, secundaire en tertiaire syfilis. Ricord entte bij een patiënt op verschillende plaatsen gonorroïsche etter, maar er ontstond nimmer een sjanker en gegeneraliseerde syfilis; bij entingen met sjankerpus gebeurde dit wel. Daarnaast auto-inoculeerde hij meer dan 2000 syfilispatiënten. Alleen bij patiënten met primaire syfilis ontstond op een andere plaats opnieuw een sjanker, terwijl dit bij patiënten met secundaire of tertiaire syfilis niet gebeurde (figuur 1). Ricord weigerde om ethische redenen patiënten zonder syfilis te besmetten met sjankerpus. Op basis van zijn waarnemingen bij syfilispatiënten nam Ricord het standpunt in dat secundaire en tertiaire syfilis niet besmettelijk waren.17-19 Léon Bassereau (1810-1887), een leerling van Ricord, beschreef vervolgens in 1852 dat syfilis, gonorroe en de zachte sjanker (ulcus molle) 3 verschillende ziekten waren.9

In diezelfde periode begon Joseph-Alexandre Auzias-Turenne (1812-1870) dierproeven met apen; hij stelde dat syfilis een ziekte was die niet tot mensen beperkt bleef. Hij stond alleen in deze overtuiging.10 Later ontwikkelde hij het idee van ‘syfilisatie’: herhaalde auto-inoculatie leidde volgens hem tot het geleidelijk ontstaan van kleinere ulcera totdat er op een bepaald moment geen ulcera meer ontstonden. Hij meende dat het overenten van syfilis veelbelovend was voor het opwekken van immuniteit en dat dit mogelijk van waarde zou kunnen zijn bij de behandeling van patiënten met syfilis. Hij werd echter niet geloofd; zijn grootste tegenstander was de invloedrijke Ricord.10 Auzias-Turenne en anderen voerden in tegenstelling tot Ricord wel experimenten uit bij patiënten zonder syfilis, namelijk bij maagden met faciale lupus vulgaris. Alle vrouwen die geïnoculeerd waren met sjankerpus ontwikkelden syfilis. Ricord moest uiteindelijk toegeven dat syfilis ook in latere stadia besmettelijk was.11

De Parijse arts Alfred Fournier (1832-1914) en zijn zoon Edmond Fournier (1864-1938) hebben de grootste invloed gehad op de kennis rond syfilis aan het einde van de 19e eeuw.12 Een van de belangrijkste ontdekkingen was de syfilitische oorsprong van de tabes dorsalis.13 Edmond Fournier heeft veel bijgedragen aan de kennis van erfelijke syfilis.14,15 Hij heeft experimenten op patiënten zonder syfilis altijd sterk veroordeeld en noemde deze ‘zeer onethisch’.

Vooral in de Franse taal is het aantal boeken, proefschriften en publicaties over syfilis uit de 19e eeuw enorm. Over elk aspect van de ziekte verscheen wel een monografie. Deze leveren ons nu een onschatbare bron van kennis over syfilis in vorige eeuwen. Met name Franse en Duitse artsen publiceerden niets verhullende en rijk geïllustreerde atlassen over syfilis. In de atlassen van Cullerier, Ricord, Cazenave en Mracek werden de gruwelijke gevolgen van syfilis op onverbloemde wijze en vaak op ware grootte afgebeeld (figuur 2). De meeste van de atlassen zijn iconografische hoogtepunten in de geschiedenis van de geneeskunde.

De ontdekking van de verwekker

In 1903 introduceerde August Kohler (1866-1948) de ‘gouden standaard’ voor het bevestigen van syfilis in een genitaal ulcus, door het direct aantonen van spirocheten met een donkerveldmicroscoop. De zoöloog John Siegel (1861-1941) vond in februari 1905 protozoën in het bloed van syfilislijders, die hij ‘Cytorrytes luis’ noemde. In maart van dat jaar controleerden Fritz Schaudinn (1871-1906), zoöloog, en Erich Hoffmann (1868-1959), veneroloog, deze observatie; zij vonden geen protozoën, maar wel een spirocheet die zij‘Treponema pallidum’ noemden en die de verwekker van syfilis bleek te zijn. Tabel 2 geeft een korte weergave van de geschiedenis van de diagnostiek van syfilis.2

Evolutie van de therapie

Vóór 1900 was kwik het – weinig effectieve – universele middel tegen syfilis. Na determinatie van T. pallidum in 1905 was de volgende stap om een geschikte therapie te vinden. Arsenicum en bismut werden geïntroduceerd. In 1909 deed Paul Ehrlich (1854-1915) samen met zijn assistent Sahachinro Hata (1873-1938) experimenten met meer dan 600 arseenverbindingen. Zij ontdekten de substantie ‘#606’, dat ook wel ‘Salvarsan’ wordt genoemd en dat erg effectief was tegen Spirochaeta pallida.2,16 Later bleek dat dit middel niet alleen effectief was tegen syfilis, maar ook tegen andere infecties; Salvarsan kan zodoende worden beschouwd als het eerste antimicrobiële geneesmiddel. Enkele jaren later modificeerde Ehrlich zijn formule vanwege de toxiciteit van Salvarsan en hij noemde het resultaat ‘neosalvarsan’.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam de grote doorbraak in de behandeling van patiënten met syfilis door de ontdekking van penicilline door Alexander Fleming (1881-1955) in 1929. Pas in 1943 werd penicilline voor het eerst geïntroduceerd. Fleming kreeg in 1945 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde voor zijn werk dat hij samen uitvoerde met Howard Walter Florey (1898-1968) en Ernst Boris Chain (1906-1979).

Conclusie

De oorsprong van syfilis is nog steeds niet opgehelderd. In dit kader is de columbiaanse hypothese het meest geaccepteerd. De geschiedenis van syfilis is complex en heeft sterk zijn stempel gedrukt op de gehele geneeskunde. Sir William Osler (1849-1919) vatte dit samen in zijn gevleugelde uitspraak: ‘He who knows syphilis, knows medicine.’

Literatuur

  1. Trienekens SC, Koedijk FD, van den Broek IV, et al. Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2011. Bilthoven: RIVM; 2012.

  2. Burg G. History of sexually transmitted infections (STI). G Ital Dermatol Venereol. 2012;147:329-40 Medline.

  3. Rothschild BM. History of syphillis. Clin Infect Dis. 2005;40:1454-63 Medline. doi:10.1086/429626

  4. Crissey JT, Parish LC. The dermatology and syphilology of the nineteenth century. New York: Praeger Scientific; 1981.

  5. Vorberg G. Über den Ursprung der Syphilis. Stuttgart: Julius Püttmann Verlag; 1924.

  6. Dutour O. L’origine de la Syphilis en Europe: avant ou après 1493? Parijs: Centre Archeologique du Var; 1994.

  7. Hunter J. A treatise on the venereal disease. Londen: Miller; 1786.

  8. Quist G. John Hunter’s alleged syphilis. Ann R Coll Surg Engl. 1977;50:205-9.

  9. Bassereau L. Traité des affections de la peau symptomatiques de la syphilis. Parijs: J.B. Baillière; 1852.

  10. Perett D. Ethics and error: the dispute between Ricord and Auzias-Turenne over syphilization, 1845-70. Stanford: Thesis Stanford University; 1977.

  11. Auzias-Turenne AJ. La syphilisation. Parijs: Balliere & Cie; 1878.

  12. Fournier A. Traité de la syphilis. Parijs: Rueff & Cie; 1906.

  13. Fournier A. De l’ataxie locomotrice d’origine syphilitique. Parijs: G. Masson; 1882.

  14. Fournier E. Les stigmates dystrophiques de l’hérédosyphilis. Parijs: Rueff & Cie; 1898.

  15. Fournier E. Syphilis hereditaire de l’age adulte. Parijs: Rueff & Cie; 1912.

  16. Driessen LH, van Everdingen JJ. Salvarsan. Ned Tijdschr Dermatol Venereol 2012;22:623-4.

  17. Ricord P. Traité practique des Maladies Vénériennes ou recherches critiques et expérimentales sur l’inoculation appliquée a l’étude de ces maladies, survies d’un résumé thérapeutique et d’un formulaire special. Brussel: Société Typographique Belge; 1838.

  18. Ricord P. Traité complet des Maladies Vénériennes clinique iconographique de l’Hospital des Vénérienns requeil d’observation, survies de considérations pratiques sur les maladies qui ont été traitées dans cet hopital. Parijs: Libraire Henri Aniéré; 1851.

  19. Ricord P. Lettres sur la syphilis. Parijs: J.B. Ballière & Fils; 1863.