Dwaalwegen in de geneeskunde
Open

Media
30-12-2005
C. Renckens en H.C. Walvoort
C.Renckens, Dwaalwegen in de geneeskunde. Over alternatieve geneeswijzen, modeziekten en kwakzalverij. 461 bl., fig., tabellen. Bert Bakker, Amsterdam 2004. ISBN 90-351-2655-6. Prijs: geb. € 30,–.

Zonder twijfel heeft Renckens een belangrijk boek geschreven over niet-reguliere geneeskunde in Nederland. Het betreft de handelseditie van zijn proefschrift. Maar het is lastig om over dit boek een oordeel te geven. Is het een wetenschappelijk werk? Het is tenslotte een proefschrift. In dat opzicht stelt het boek teleur.

Op diverse plaatsen is Renckens bepaald bevooroordeeld. Ik noem hier de ‘modeziekten’. Dat zijn volgens hem geen ziekten. Maar waarom zou een ziekte niet mogen opkomen en vervolgens in de loop van de tijd weer verdwijnen? Betekent dit automatisch dat het om een ‘substraatloze aandoening’ gaat? Is RSI inderdaad geen ziekte, of het Golfsyndroom, of bekkeninstabiliteit, of postnatale depressie? Mag een aandoening de naam ‘ziekte’ niet dragen omdat deze actueel of in de mode is? Bovendien spreekt er een vooringenomen, schoolmeesterige toon uit dit proefschrift: ik, Renckens, weet wat een dwaalweg in de geneeskunde (lees: ‘kwakzalverij’) is, en daar moet jij, lezer, tegen zijn. Is dit wetenschap? Waar is de reflectie?

Door dit soort zaken begreep ik het proefschrift aanvankelijk niet. Bovendien word ik opstandig als iemand anders mij voorschrijft hoe ik als wetenschapper moet denken. Het lijkt wel of Renckens niet weet hoe lang er soms wordt rondgetast – door integere en intelligente wetenschappers – voordat een complex patroon van symptomen en afwijkingen wordt ontrafeld en begrepen. In die termen is ook de ziekte van Crohn nog steeds een modeziekte.

Voor mij kwam het antwoord aan het eind, in het ‘Slotwoord van de schrijver’. Dat is een biografisch gedeelte, waarin Renckens uitlegt hoe hij tot zijn strijd tegen de kwakzalverij is gekomen, hoe hij ‘extremist’ is geworden. Ik geef daarvan hier iets weer.

Als jong tropenarts in Zambia leerde Renckens dat westerse geneeskunde een universele waarde en geldigheid heeft, dat samenwerking met toverdokters onmogelijk is en dat de medische professie geen gesloten bolwerk is om eigen belangen te behartigen, maar een zegen voor de mensheid. Door televisieprogramma’s ontdekte hij later dat de reguliere geneeskunde haar vanzelfsprekende autoriteit had verloren en dat er ruimte was voor alternatieven. Hij meldde zich aan bij de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Door veranderde wetgeving eind jaren zeventig van de vorige eeuw mocht iedereen, zonder medische opleiding of zelfkritiek, zich opeens opwerpen als genezer en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunde (KNMG) bood hiertegen geen verzet. Zelfs artsen gingen zich verdiepen in alternatieve geneeswijzen en kregen sympathie van parlement, verzekeraars en publieke opinie. Over hen zegt Treub, Renckens’ leermeester: ‘Hun titel geeft hun slechts het recht om geneeskunst uit te oefenen, niet om met leugens aan de kost te komen.’

Renckens schrijft: ‘Ik heb niet veel talent voor objectiviteit’ en ‘Ik besef een volledige academische distantie niet te hebben bereikt’. Hierdoor wordt veel duidelijk: het gaat hier niet om een ‘gewoon’ proefschrift.

Men doet Renckens echter tekort door zijn boek af te doen als een pamflet tegen de kwakzalverij. Hij geeft namelijk wel een goed beeld van de alternatieve geneeswijzen in Nederland na 1970. Op de achterflap wordt een Volkskrant-recensie van een eerder boek aangehaald: ‘Eenzaam tegengif op rijk beladen tafels met new-age-uitgaven’. Dat geldt onverkort voor dit werk.

Als de doctorsgraad betekent dat men Renckens vanaf nu nog serieuzer neemt in zijn strijd tegen wat hij zelf elders ‘het Grote Kwaad van de kwakzalverij’ noemt, dan is de promotie geslaagd. Renckens verdient zeker de doctorstitel, maar voor mij was het zuiverder geweest als dat niet een regulier doctoraat, maar een eredoctoraat was geweest. Dat behoort overigens nog tot de mogelijkheden.