Dioxine; een norm aanbevolen door de Wereldgezondheidsorganisatie
Open

Commentaar
20-05-1991
R.M.C. Theelen, A.G.A.C. Knaap en B. Sangster

Dioxinen staan al jaren – en in toenemende mate – zowel in de wetenschappelijke als in de publieke belangstelling. In 1984 werd in dit tijdschrift een caput selectum aan dat onderwerp gewijd.1 De gevolgen van de dioxinevervuiling van het Nederlandse milieu werden in 1989 weer duidelijk, toen dioxinen in onaanvaardbare concentraties werden aangetoond in melkvet van koeien die hadden gegraasd in de buurt van de Afvalverwerking Rijnmond.2 Een opmerkelijke consequentie van deze verontreiniging van koemelk was bijvoorbeeld een tijdelijk verbod van rundvleesexport naar Italië. Het werd daarbij duidelijk, dat er zowel binnen de Europese Gemeenschap als mondiaal geen eenduidige politiek ten aanzien van dioxinen werd gevolgd. Om die reden verzocht de Nederlandse overheid bij monde van de toenmalige staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om op basis van de recentste gegevens een aanbeveling te doen omtrent de hoeveelheid dioxine die bij dagelijkse inname toelaatbaar is; daarbij koesterde de overheid de hoop, dat deze aanbeveling mondiaal overgenomen zou worden.

BESTAANDE NORMEN

Diverse landen hebben een eigen norm of richtwaarde, terwijl een aantal landen in het geheel geen norm heeft. Een fundamenteel verschil in normering van ‘dioxine’, het 2,3,7,8-tetrachloor-dibenzo-dioxine (TCDD), bestaat tussen de V.S. en andere geïndustrialiseerde landen. Omdat het TCDD in de V.S. als een ‘carcinogen’ wordt beschouwd, is de norm aldaar gebaseerd op een extrapolatie met een aanvaardbaar kankerrisico van 1 op een miljoen. In de praktijk resulteerde dat in een getal van 0,006 pg TCDD per kg lichaamsgewicht per dag.3 4 Een aantal Europese landen en Canada hebben voor TCDD en verwante verbindingen een toelaatbare dagelijkse inname (TDI) gekozen volgens het principe van de ‘no effect level’ bij proefdieren in combinatie met de toepassing van veiligheidsfactoren. Omdat de no effect level bij de mens niet per se overeenstemt met die bij proefdieren, wordt een veiligheidsfactor tussen de no effect level bij proefdieren en de mens gehanteerd. De grootte van de veiligheidsfactor hangt af van de variaties in gevoeligheid binnen de populatie, de duur van het experiment waaruit de no effect level is afgeleid en het specifieke effect waarop de no effect level is gebaseerd.

Ten gevolge van verschillen in de interpretatie van resultaten uit relevante experimenten zijn diverse no effect levels van onderling verschillende variabelen vastgesteld. Canada bijvoorbeeld heeft een ‘no observed adverse effect level’ van 1 ngkg lichaamsgewichtdag met een veiligheidsfactor van 100, hetgeen resulteert in een TDI van 10 pgkg lichaamsgewicht.5 De Scandinavische landen hanteren een ‘no observed effect level’ van 1 ngkg lichaamsgewichtdag en een veiligheidsfactor van 200, maar adviseren een toelaatbare inname van maximaal 35 pgkg lichaamsgewichtweek, in de plaats van een inname van 5 pgkg lichaamsgewichtdag. Daarbij wordt de toelaatbaarheid van tijdelijke overschrijdingen beklemtoond.6 Nederland heeft in 1982 een marginaal effect level van 1 ngkg lichaamsgewichtdag gepostuleerd, gebaseerd op hepatotoxische effecten met een veiligheidsfactor van 250, hetgeen een TDI van 4 pgkg lichaamsgewicht opleverde.7 Soortgelijke benaderingen in het Verenigd Koninkrijk,8 Duitsland en Zwitserland resulteerden in richtwaarden van 1 tot 10 pgkg lichaamsgewicht dag. Daarbij werden no effect levels gesteld voor carcinogeniteit, effecten op de reproduktie en immunotoxicologische effecten.

Japan kent een risicoschatting op basis waarvan een richtwaarde van 100 pgkg lichaamsgewichtdag geformuleerd is. Hierbij werd gebruik gemaakt van waargenomen klinische effecten op patiënten, die in het verleden aan met dioxinen verontreinigde consumptie-olie waren blootgesteld. Omdat het onderzoek bij mensen betrof, is de veiligheidsfactor per definitie kleiner.9

AANBEVELING VAN DE WHO

Zoals in de landelijke pers te lezen was, vond van 3 tot en met 7 december 1990 jl. een WHO-bijeenkomst plaats met als onderwerp: ‘Consultation on tolerable daily intake (TDI) from food of PCDD and PCDF’. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) in Bilthoven trad hierbij als gastheer op. In grote lijnen werd de volgende werkwijze gevolgd om tot een aan te bevelen internationale norm te komen. Eerst werden experimentele gegevens geëvalueerd en no effect levels voor de diverse effecten bij proefdieren gesteld. Daarnaast werden concentraties TCDD in serum van aan deze stof blootgestelde mensen uit Seveso in verband gebracht met klinische gegevens van deze groep. Hierbij bleek dat bij deze groep concentraties TCDD in het serum aanwezig waren die bij proefdieren effecten tot gevolg zouden hebben gehad, terwijl bij deze personen zelf geen eenduidige klinische veranderingen werden waargenomen.10 Daarom werd geheel voorbarig in de landelijke pers ook al gesuggereerd, dat de mens ‘immuun’ voor dioxine zou zijn. Uit een modelmatige berekening bij proefdieren en mensen bleek bij een gesimuleerde levenslange blootstelling aan TCDD de concentratie van deze stof in de lever bij de mens veel hoger dan bij de proefdieren. Hieruit werd voor TCDD bij de mens een no effect level voor levenslange blootstelling van 100 pgkg lichaamsgewichtdag berekend. Omdat uit de Seveso-gegevens echter niet voldoende informatie kon worden verkregen over mogelijke effecten op de voortplanting en over de individuele variatie in gevoeligheid, werd een veiligheidsfactor van 10 gebruikt, zodat men kwam tot een aan te bevelen TDI van 10 pg TCDDkg lichaamsgewicht.

Een volgende berekening toonde aan, dat een levenslange dagelijkse inname van 10 pgkg lichaamsgewicht resulteert in een maximaal serumgehalte van 125 ngkg serum, ofwel 125 ppt (‘parts per trillion’), bij de mens. In Seveso bedroeg het gemiddelde serumgehalte van TCDD bij patiënten met chlooracne 15.000 ppt; een gemiddelde serumconcentratie van 10.000 ppt kon niet in verband worden gebracht met klinische afwijkingen. Er zijn dus bij een levenslange blootstelling aan 10 pg TCDDkg lichaamsgewicht geen effecten te verwachten.

Tijdens de bijeenkomst werd expliciet gesteld, dat de aanbeveling enkel betrekking heeft op het 2,3,7,8TCDD. Verwante verbindingen, zoals andere dioxinen en furanen en tegenwoordig ook enige vlakke polychloorbifenylen (PCB's), worden door een aantal landen, waaronder Nederland, als TCDD-toxische-equivalenten (TEQ) beoordeeld.11 Zodoende kan voor de aanbeveling van 10 pg TCDD als TDI ook een TDI voor verwante verbindingen van 10 pg TEQ gelezen worden. Op de WHO-bijeenkomst concludeerde men dat TEQ's in een interimbenadering gebruikt kunnen worden, maar dat men er waarschijnlijk het risico mee overschat.

MOEDERMELK

Ten aanzien van dioxine in moedermelk als mogelijk probleem voor de zuigeling werd gezegd, dat de berekende no effect level en de TDI niet op de zuigeling dienen te worden toegepast, vanwege de kortdurende blootstelling van zuigelingen aan moedermelk. Bovendien bleek uit resultaten van onderzoek dat de concentraties dioxine en verwante verbindingen in de lever van zuigelingen aanzienlijk lager zijn dan met de huidige farmacokinetische berekeningen wordt voorspeld.12 Ze zijn zelfs nooit hoger dan die van volwassenen, ondanks de relatief grote blootstelling. Wellicht is een lagere resorptie de oorzaak van een verminderde opname. Daarnaast kan de snelle groei van het vetcompartiment een daling van de concentraties in het vetweefsel tot gevolg hebben. Als een gelijke gevoeligheid voor dioxine en verwante verbindingen bij zuigelingen en volwassenen wordt verondersteld, zouden zuigelingen zelfs in het geheel geen risicogroep vormen. Voor deze laatste veronderstelling zijn echter nog niet voldoende gegevens beschikbaar.

CONCLUSIE

Complete rapportage van de WHO-bijeenkomst is in voorbereiding; deze zal in de Journal of Toxicology and Environmental Health plaatsvinden. Het ‘summary report’ is zojuist gepubliceerd.13 Er dient te worden opgemerkt dat de TDI van 10 pg TCDDkg lichaamsgewicht een uit de WHO-bijeenkomst voortgekomen aanbeveling is, welke geen formele status heeft binnen de nationale staten. Iedere natie kan zich aan deze aanbeveling conformeren, maar zal – al dan niet met behulp van de overige aanbevelingen waartoe men tijdens de bijeenkomst is gekomen – zelf een TDI kunnen stellen en zelf mogelijke afgeleide normen kunnen formuleren. Interpretatie van de TDI-aanbeveling van 10 pg TCDD als een mogelijke TDI van 10 pg TEQ wordt ook aan de landen zelf overgelaten. In Nederland is de TDI nog niet door het WHO-voorstel vervangen, maar dat zal op korte termijn in overweging worden genomen. Dan zal ook een nieuwe norm voor dioxine en verwante verbindingen in koemelk krachtens de Warenwet geformuleerd kunnen worden. Hiervoor is echter behalve de toxicologische norm ook nog informatie noodzakelijk over het voorkomen van dioxine in andere voedingsmiddelen. De onzekerheid hieromtrent bestond al ten tijde van de ‘Lickebaert’-affaire, hetgeen de reden is van het tijdelijke karakter van de huidige Warenwet-norm. Ook om die reden is het RIVM in 1990 begonnen met een uitgebreid onderzoek naar dioxine en verwante verbindingen in voedingsmiddelen. De resultaten hiervan zullen in het voorjaar van 1991 bekend worden en zullen naast de nieuwe toxicologische aanbeveling van de WHO de basis dienen te vormen van nieuwe richtlijnen en normen voor dioxine in Nederland.

Wat betekent dit alles nu voor de dagelijkse praktijk? In wezen niets nieuws, want de feitelijke blootstelling aan dioxine en verwante verbindingen verandert niet. De WHO heeft aanbevelingen geformuleerd die geen vrijbrieven voor meer milieuverontreiniging zijn, en zij pleit ervoor dat beleidsmatige controle hierop ook in de toekomst door zal gaan. Wel mag men concluderen, dat er meer zekerheid is dat de huidige achtergrondblootstelling van de Nederlandse bevolking aan dioxine geen relevant risico oplevert voor de volksgezondheid. Bovendien blijkt uit de nieuwe gegevens over met de borst gevoede kinderen dat nog steeds geen aanleiding bestaat borstvoeding te ontraden, ondanks het voorkomen van dioxine in moedermelk.

Literatuur

  1. Heijden CA van der, Sangster B. Dioxinen.Ned Tijdschr Geneeskd 1984; 128:1989-95.

  2. Theelen RMC, Heijden CA van der, Sangster B. Dioxinen,milieu en gezondheid. Ned TijdschrGeneeskd 1990; 134: 627-31.

  3. Kimbrough RD, Falk H, Stehr P, Fries G. Healthimplications of 2,3,7,8-TCDD contamination of residential soil. J ToxicolEnviron Health 1984; 14: 47-93.

  4. Roberts L. Dioxin risks revisited. Science 1991; 251:624-6.

  5. Grant DL. Approach to risk assessment of PCDDs and PCDFsin Canada. Discussion paper for WHO, 29 november 1990.

  6. Ahlborg UG, Hakansson H, Waern F, Hanberg A. Nordiskdioxinriskbedömning. Miljörapport 7. Stockholm: NordiskaMinisterradet, 1988.

  7. Heijden CA van der, Knaap AGAC, Kramers PGN, Logten MJvan. Evaluatie van de carcinogeniteit en mutageniteit van 2,3,7,8-TCDD;classificatie en normstelling. Bilthoven: RIVM, 1982.

  8. Interdepartmental working group on PCDD and PCDF. Dioxinsin the environment. Pollution paper 27. London: Department of theEnvironment, 1989.

  9. Masuda Y. Toxic evaluation of PCBs and PCDFs by Yusho,approach to risk assessment of PCDDs and PCDFs in Japan. Discussion paper forWHO, 29 november 1990.

  10. Mocarelli P, Needham LL, Marocchi A, et al. Serumconcentrations of 2,3,7,8-TCDD and test results from selected residents ofSeveso, Italy. J Toxicol Environ Health (ter perse).

  11. Zorge JA van, Wijnen JH van, Theelen RMC, Olie K, Berg Mvan den. Assessment of the toxicity of mixtures of halogenateddibenzo-p-dioxins and dibenzofurans by use of TEF. Chemosphere 1989; 19:1881-95.

  12. Beck H, Dross A, Kleemann WJ, Mathar W. PCDD and PCDFconcentrations in different organs from infants. Chemosphere 1990; 20:903-10.

  13. WHOEURO. Summary report: Consultation on tolerabledaily intake from food of PCDDs and PCDFs. Bilthoven 4-7 December 1990.Kopenhagen: WHOEURO, 1991.