Diagnostiek en therapie bij patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie
Open

Richtlijnen
29-04-1998
A.R.M.M. Hermus en P.M.J. Zelissen

De meeste klinische verschijnselen van bijnierschorsinsufficiëntie zijn aspecifiek, hetgeen het stellen van de diagnose bemoeilijkt. Vaak is een stimulatietest nodig om de diagnose met zekerheid te stellen.

In geval van secundaire bijnierschorsinsufficiëntie kan vrijwel altijd worden volstaan met glucocorticoïdsubstitutie. Patiënten met primaire bijnierschorsinsufficiëntie dienen echter behalve met glucocorticoïden ook met mineralocorticoïden te worden behandeld. Een standaarddosis van hydrocortison 30 mg per dag als glucocorticoïdsubstitutie is voor veel patiënten te hoog. Een standaarddosis van fludrocortison 0,1 mg als mineralocorticoïdsubstitutie is voor sommige patiënten te laag.

Patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie behoren adequate informatie en instructies te krijgen over hoe te handelen bij (koortsende) ziekte, trauma, en andere vormen van stress.

De duur en de ernst van de suppressie van de hypofyse-bijnieras ten gevolge van gebruik van (farmacologische doseringen) glucocorticoïden zijn individueel zeer variabel. Wanneer langer dan 3 weken farmacologische doseringen glucocorticoïden (> 7,5 mg prednison per dag) gegeven zijn, is een klinisch relevante suppressie van de hypofyse-bijnieras mogelijk, die kan aanhouden tot 1 jaar na beëindiging van de glucocorticoïdtoediening.