Dermatitis door de eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea)
Open

Richtlijnen
11-08-1996
H.A.M. Neumann en W.J.J. Koekkoek

In 1878 heerste er een plaag van eikenprocessierupsen in het gebied tussen Nijmegen en Heesch, dat de autoriteiten daarop in zijn geheel voor mens en dier hebben afgesloten. Indertijd vraten de rupsen het gras voor de koeien weg, die daardoor afwijkingen aan de tong kregen. Een jaar later kwamen de rupsen niet terug. Het heeft meer dan een eeuw geduurd voordat de eikenprocessierups opnieuw in ons land ontdekt werd. In 1978 werd deze rups door amateur-insectenkundigen in de buurt van Reusel, iets ten zuiden van Hilvarenbeek, aan de Belgische grens in de Kempen opnieuw ontdekt. In 1990 kwam de Plantenziektekundige Dienst in Wageningen op de hoogte van de terugkeer van de eikenprocessierups. Vanaf dat moment wordt ieder voorjaar een groot gedeelte van Brabant en Noord-Limburg door deze rups geplaagd. De Peel en de Kempen zijn waarschijnlijk het meest getroffen. Opvallend is dat de rups nu al 6 jaar achtereen in steeds grotere getale terugkeert. Dit jaar kan van een ware plaag gesproken worden.

Huidafwijkingen als gevolg van (in)direct contact met de eikenprocessierups komen veelvuldig voor. Daarover is eerder in dit tijdschrift melding gedaan. Wat opvalt, is het gebrek aan informatie in de gangbare dermatologische literatuur. Zelfs in het databestand Physicians‘ SilverPlatter, dat de dermatologische literatuur van januari 1966 tot mei 1996 bestrijkt,1 kan van de 47 referenties met betrekking tot huidafwijkingen door toedoen van rupsen slechts één enkele referentie worden gevonden met betrekking tot de eikenprocessierups.2 In dit tijdschrift werd in 1988 en in 1993 aandacht aan erucisme (rupsenziekte) en met name aan pseudo-allergische reacties door behaarde rupsen gegeven.34

In dit artikel willen wij in het kort informatie geven over de eikenprocessierups en de huidafwijkingen die door contact met haren van deze rups kunnen ontstaan.

THAUMETOPOEA PROCESSIONEA

De eikenprocessierups is de larve van de processievlinder of Thaumetopoea processionea en behoort tot de orde van de Lepidoptera (figuur 1). Lepidoptera omvat vlinders en motten, die worden gekarakteriseerd door 2 paar vleugels waarvan de schilden gemakkelijk losraken en die meestal levendig gekleurd zijn in opvallende patronen. De ontwikkelingsfasen van ei via larve en pop naar imago corresponderen met gelijksoortige fasen van andere endopterygote insecten. De jonge rupsen overwinteren in eivorm op de boomstam. In het voorjaar worden zij actief en voeden zich met het blad van voornamelijk de inlandse eik. Na de derde vervelling krijgen de rupsen vele haartjes, tot 700.000, die als brandhaardjes bekend staan. Deze minuscule haartjes hebben een pijlvorm en zijn van een weerhaakje voorzien.5 Hierdoor zetten ze zich gemakkelijk in de huid vast. De natuurlijke vijand van de vlinder, een sluipwesp, komt nauwelijks in Nederland voor.

Het genus Thaumetopoea bestaat uit 8 verschillende soorten. De totale orde der Lepidoptera is buitengewoon groot en de schattingen bedragen tussen de 120.000 en de 165.000 soorten, waarvan voor 150 bekend is dat ze huidafwijkingen kunnen veroorzaken bij de mens.

De processievlinder wordt in het spraakgebruik als een nachtvlinder aangeduid, maar zou in het Nederlands als een mot moeten worden benoemd. Hij vliegt van eind juli tot begin september en kent één generatie per jaar. Op zoek naar voedsel verplaatsen de rupsen zich achter elkaar, als in een processie. Dit verplaatsingsgedrag heeft de eikenprocessierups haar naam opgeleverd.

HUIDREACTIES

Schade aan de menselijke huid of het slijmvlies wordt veroorzaakt door contact met en penetratie van de huid of het slijmvlies door de giftige haartjes of stekels van de larven (rupsen). Dit gegeven is sinds de Romeinse tijd al bekend.6 De huidreactie die het gevolg is van dit contact is een niet-allergische reactie, een irritatiereactie (orthoergische reactie). Er kan direct contact tussen de rups en de huid zijn, ofwel als gevolg van opzettelijk aanraken, ofwel per ongeluk, bijvoorbeeld wanneer de rups op iemand valt die onder een boom staat. Contact kan ook indirect zijn, wanneer haartjes of stekels door de wind worden meegevoerd, waardoor een zogenaamde ‘airborne’ dermatitis ontstaat. Het verspreiden van irritantia en allergenen door de lucht is geen onbekend fenomeen in de dermatologie. Bij planten uit de familie der composieten is dit een veel voorkomende verspreiding van het antigeen.7 In Bordeaux worden met de pollentellingen ook de haartjes van Thaumetopoea pityocampa Schiff., die nauw verwant is met de eikenprocessierups, meegenomen.8

Ook nog lange tijd nadat de rups ontpopt is, kunnen er huidreacties ontstaan door het aanraken van cocons of webben waar de larve haartjes of stekels in heeft geweven en door het aanraken van dode larven, verloren stukjes huid en lichamen van volgroeide rupsen waarop tijdens het verlaten van de cocon haartjes of stekels zijn achtergebleven of die zelf irriterende haartjes hebben. Vanwege het feit dat de irriterende stof, afkomstig van de rupshaartjes, door de lucht wordt verspreid, kan ook stof dat neerkomt op bedden, kleding, wasgoed en bekleding – tenzij er speciale voorzorgsmaatregelen zijn genomen –, elk lichaamsdeel aantasten dat met deze goederen in contact komt.

De klinische reactie van de huid op deze giftige haren heeft een zekere uniformiteit bij vrijwel alle soorten behaarde rupsen. Het betreft een dermatose die vooral wordt gekarakteriseerd door jeuk. De jeuk wordt in veel gevallen snel gevolgd door het verschijnen van kleine, rozerode maculopapuleuze erupties of papulae van 2 tot 5 mm doorsnede (figuur 2). Een centrale vesicula, die echter zelden pustuleus wordt, kan veelal worden opgemerkt. De grotere laesies lijken het gevolg te zijn van intiemer contact met de rups.9 Touraine merkte op dat bij Thaumetopoea de papels met spitse punt, die lichtelijk oedemateus zijn, op een erythemateuze bodem, het meest jeuken; daarop komen later kleine sereuze korsten wanneer eraan wordt gekrabd (de zogenaamde strofulus).10 Deze korsten vallen na ongeveer 3 dagen af, waarna de jeuk ook minder wordt. De papels, waarvan er honderden kunnen zijn, nemen na circa 34 dagen af en laten vage, bruine maculae achter (zie figuur 2), die na nog eens 5 tot 8 dagen verdwijnen.

Laesies op het slijmvlies kunnen de huidlaesies begeleiden door contact met haartjes van één van de schadelijke rupssoorten. Rinitis en tracheïtis kunnen in zeldzame gevallen voorkomen,11 terwijl scherpe pijn aan lippen en neusvleugels is geconstateerd bij entomologen die bezig waren met het dissecteren van Hylesia-motten.12 Conjunctivitis is naast de huidafwijkingen ook een voorkomende klacht.

Bij histopathologisch onderzoek van een huideruptie vindt men in alle gevallen focale veranderingen, die samenhangen met de aanwezigheid van giftige haartjes. Rond deze haartjes bevindt zich celnecrosis en superficiële bullaformatie ten gevolge van het oedeem. Dit wordt gevolgd door een zich snel ontwikkelende spongiose in de rete Malpighii. De superficiële dermis laat dilatatie van anders normale bloedvaten zien. In alle gevallen is er een perivasculair mononucleair ontstekingsinfiltraat, waarin ook eosinofiele granulocyten kunnen voorkomen.

HUIDIGE EPIDEMIOLOGIE EN BEHANDELING

Het zijn vooral de huisartsen in de Peel en de Kempen die de laatste jaren vanaf eind juni tot begin september veelvuldig met huiduitslag ten gevolge van de eikenprocessierups worden geconfronteerd. De zomer van 1996 lijkt alle voorafgaande jaren in dat opzicht te overtreffen. De huisartsen in het Peeldorp Asten (15.000 inwoners) stelden vanaf medio juni 1996 veelvuldig de diagnose ‘processierups-dermatitis’. In week 28 van 1996 liep de hulpvraag voor de eikenprocessierups-dermatitis op tot meer dan 100 per dag. Bij de behandeling werd gekozen voor triamcinolonacetonide 0,01 in carbomeerhydrogel. De aflevering van dit recept steeg vanaf medio juni 1996 met een factor > 50 (G.L.J.Hooyman, schriftelijke mededeling, 1996). Bovendien is er waarschijnlijk onderrapportage, daar vaak meerdere gezinsleden van ditzelfde middel gebruik zullen maken en bovendien ook veel niet aan een recept gebonden dermatica door patiënten zullen worden aangeschaft.

Hoewel de rupsdermatose een spontaan herstel kent, wordt juist door de heftige jeuk een adequate behandeling aanbevolen. Het klasse 2 (dat is: vrij sterk werkzame)-dermatocorticosteroïd triamcinolonacetonide is effectief bij de behandeling van de ontstekingscomponent. Carbomeerhydrogel verdient hier als basis de voorkeur, gezien het koelend effect; 3 maal daags appliceren lijkt voldoende. Het gebruik van antihistaminica is in principe niet nuttig.

Literatuur

  1. Physicians‘ SilverPlatter. Dermatology 1966-May 1996CD-ROM SP-278-010. Norwood: American Academy of Dermatology,1996.

  2. Lamy M, Novak F, Duboscq MF, Ducombs G, Maleville J. Lachenille processionaire du chene (Thaumetopoea processionea L.) etl'homme: appareil urticant et mode d'action. Ann Dermatol Venereol1988;115:1023-32.

  3. Jong MCJM de. Behaarde rupsen en pseudo-allergischereacties. Ned Tijdschr Geneeskd1988;132:1149-50.

  4. Erich HE, Meulenbelt J. Behaarde rupsen, een oprukkendeoorzaak van pseudo-allergische reactie in Nederland.Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:1672-3.

  5. Southcott RV. Lepidpterism in the Australian region. RecAdelaide Children's Hosp 1978;2:87-173.

  6. Phisalix M. Lépidoptères. In: Phisalix M,editor. Animaux vénimeux et venins. Paris: Masson,1922:343-57.

  7. Bossuyt LEG, Sanders CJG, Veraart JCJM, Neumann HAM.Compositae-dermatitis door contactallergie voor sesquiterpenelactonen.Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:2572-4.

  8. Werno J, Lamy M. Pollution atmosphériqued'origine animale: les poils urticants de la chenille processionaire dupin (Thaumetopoea pityocampa Schiff.). C R Acad Sci III1990;310:325-31.

  9. Blair CP. The browntail moth, its caterpillar and theirrash. Clin Exp Dermatol 1979;4:215-22.

  10. Touraine A. Dermatites par chenilles processionaires duchêne. Bull Soc Fr Dermatol Syphiligr 1947;7:202.

  11. Pesce H, Delgado A. Poisoning from adult moth andcaterpillars. In: Buchler W, Buckeley EE, editors. Venomous animals and theirvenoms. Vol III. Venomous invertebrates. New York: Academic Press,1971:343-57.

  12. Boyé R. La papillonite Guyanaise. Bull Soc PatholExot 1932;25: 1099-107.