'Debriefing' van psychisch getraumatiseerden
Open

Commentaar
17-06-1997
I.V.E. Carlier en B.P.R. Gersons

Vanuit de crisistheorie is bekend dat mensen na het meemaken van traumatische ervaringen, zoals rampen, van nature de behoefte hebben om na afloop hun ervaringen en emoties met elkaar te delen. Deze natuurlijke sociale behoefte aan steun en opvang wordt ook wel aangeduid als de terugslagfase.1 Het vermoeden is dat dit natuurlijke opvangproces vaak niet op gang komt. Zo wordt er verondersteld dat traumagevoelige beroepen zoals die bij de politie, de brandweer, het leger et cetera onvoldoende gelegenheid bieden tot natuurlijke opvang, bijvoorbeeld ten gevolge van een ‘machocultuur’. Hierdoor ontstond de wens om geprofessionaliseerde opvang – hier ‘debriefing’ genaamd – te ontwikkelen ter preventie van posttraumatische stressstoornis (PTSS). Deze wens had mede te maken met het feit dat PTSS, een stoornis die vroeger werd aangeduid als traumatische neurose, nogal berucht is geworden ten gevolge van de vele financiële claims van getroffenen na traumatische ervaringen. Overheden en legers, diensten als de politie en de brandweer, maar ook andere bedrijven waar werknemers het risico lopen van psychisch trauma hebben daarom veel belangstelling getoond voor de gedachte dat een geprofessionaliseerde opvang latere psychische schade zou kunnen tegengaan.

WAT IS DEBRIEFING?

Debriefing is een meestal eenmalige groepsbijeenkomst die wordt geleid door 2 deskundigen, zogenaamde debriefers; de bijeenkomst wordt bij voorkeur georganiseerd binnen 48 à 72 uur na een calamiteit en heeft een gemiddelde duur van 2 à 3 uur. Alhoewel debriefing oorspronkelijk werd ontwikkeld voor de eerste psychosociale opvang van groepen, wordt deze techniek ook gebruikt voor individuen, koppels en gezinnen. Debriefing is bepaald geen nieuwe techniek,2 maar de populariteit ervan is groeiende sinds de jaren tachtig. Het debriefingsmodel van Mitchell wordt wereldwijd het meest toegepast,3 en vele anderen hebben een min of meer aangepaste versie hiervan ontwikkeld.4 In principe zijn de verschillen tussen debriefingsmodellen relatief gering en gaat het telkens om dezelfde kernaspecten: binnen een vertrouwelijk-steunende omgeving krijgen deelnemers aan een debriefing de gelegenheid om alle opgehoopte innerlijke spanning die het gevolg is van de traumatische gebeurtenis kwijt te raken en emotioneel stoom af te blazen. Debriefing zou er verder toe bijdragen dat participanten de cognitieve controle over zichzelf bewaren, bijvoorbeeld doordat zij zich een realistisch beeld van de gebeurtenissen vormen en doordat zij, ter geruststelling, worden voorgelicht over posttraumatische stressverschijnselen.

In het algemeen worden bij debriefing 7 fasen doorlopen: (1) de introductiefase, waarin de debriefers de spelregels uiteenzetten; (2) de feitenfase, ten behoeve van een antwoord op de vraag: ‘Wat is er precies gebeurd?’; (3) de gedachtenfase, waarin deelnemers naar hun eerste reactie wordt gevraagd betreffende het ingrijpendste aspect van de gebeurtenis; (4) de emotiefase, waarin de deelnemers kunnen discussiëren over hun emotionele reacties op de gebeurtenis; (5) de symptomenfase, waarin de debriefers de lichamelijke en psychologische stresssymptomen sinds de gebeurtenis bij de deelnemers inventariseren; (6) de educatiefase, waarin de deelnemers voorlichting krijgen over nuttige ‘coping’-strategieën, en over mogelijke posttraumatische stressreacties, die door de debriefers tot normale, hanteerbare proporties worden teruggebracht; en (7) de afsluitfase, waarin de laatste vragen worden beantwoord en waarin de debriefers informatie geven over verdere nazorgmogelijkheden bij aanhoudende stressklachten.5

Twijfel aan effectiviteit.

De genoemde fasen lijken goed aan te sluiten bij de natuurlijke steunbehoefte van mensen na rampen. De gedachte dat debriefing zou leiden tot de preventie van PTSS was derhalve aanvankelijk, ook voor ons, aannemelijk. Vanuit de wetenschappelijke hoek is echter onmiskenbare twijfel gerezen over de psychologische effectiviteit van debriefing.6 Hierna volgt een samenvattend overzicht van onderzoeken naar debriefing, waarbij wij ons hebben beperkt tot gepubliceerde, controleerbare bronnen.

ONDERZOEK NAAR HET EFFECT VAN DEBRIEFING

Om te beginnen heeft men de tevredenheid (satisfactie) bij deelnemers aan debriefing onderzocht. Dit werd gewoonlijk nagegaan met vragen zoals: ‘Hoe tevreden bent u over deze opvang?’ en (of): ‘Hoe effectief vond u de debriefing?’ Op grond van deze satisfactieonderzoeken kan worden geconcludeerd dat het merendeel van de deelnemers min of meer tevreden was over debriefing: de satisfactiepercentages varieerden van ongeveer 68,78 tot 81,9 meteeen enkele uitschieter naar onder,10 of naar boven.11

De resultaten aangaande de psychologische effectiviteit van debriefing met betrekking tot posttraumatische stresssymptomen zijn minder eenduidig. In ongecontroleerde onderzoeken werd bij personen die uitsluitend aan debriefing hadden deelgenomen, ondanks deze opvang een min of meer aanzienlijke hoeveelheid posttraumatische symptomen gevonden.81213 Dit staat in contrast met de resultaten van 2 andere onderzoeken,1415 waarin getraumatiseerden voor en na debriefing werden onderzocht. In beide onderzoeken werd bij de nameting een daling in posttraumatische stress geconstateerd. De interpretatie hiervan wordt bemoeilijkt door het gebrek aan een controlegroep en door het zeer late tijdstip van de debriefing (4 tot 6 maanden na het incident); deze opvang was overigens niet eenmalig, maar omvatte telkens meerdere sessies.

De resultaten van onderzoeken waarin wél een controlegroep gebruikt werd, zijn als volgt. In enkele onderzoeken vond men geen significante verschillen ten aanzien van posttraumatische stress tussen personen die wel en personen die niet aan debriefing hadden deelgenomen.16-18 Bohl constateerde dat deelnemers minder boosheid en depressieve gevoelens rapporteerden dan niet-deelnemers.19 In andere gecontroleerde onderzoeken werd bij deelnemers aan debriefing echter significant meer posttraumatische stress gevonden.1820-23

ENKELE VOORLOPIGE CONCLUSIES

De relatief grote tevredenheid van deelnemers aan debriefing staat in contrast met de teleurstellende resultaten van gecontroleerde onderzoeken naar de psychologische effectiviteit van debriefing ten aanzien van posttraumatische stress. Bij het informeren naar tevredenheid bij respondenten dient er rekening mee te worden gehouden dat sommigen sociaal wenselijke antwoorden geven. Tevredenheid van deelnemers kan ook impliceren dat debriefing voldoet aan de natuurlijke steunbehoefte van mensen vlak na een traumatisch incident. In 5 gecontroleerde onderzoeken vond men bij deelnemers aan debriefing significant meer posttraumatische stress dan bij niet-deelnemers. Dit impliceert dat schadelijke effecten van debriefing zoals die thans wordt toegepast niet kunnen worden uitgesloten. Dit noopt, mede gezien de wereldwijde toepassing van debriefing, tot verder onderzoek met gecontroleerde, gerandomiseerde opzet bij diverse traumapopulaties.

Interessant is dat er enigszins betere resultaten worden bereikt wanneer debriefing op een later tijdstip (een paar weken tot een paar maanden na het incident) plaatsvindt en tevens meer dan één sessie omvat.14152425 Maar hebben wij dan nog wel te maken met crisisinterventie of is hier eerder sprake van behandeling? In het laatste geval kunnen wij ons afvragen of alle getroffenen van calamiteiten aan debriefing dienen deel te nemen of uitsluitend de personen die extra risico lopen. In dit verband veronderstellen Bisson en Deahl dat gezonde getraumatiseerden met een adequaat sociaal netwerk doorgaans geen geprofessionaliseerde opvang zullen behoeven.26 Ook deze veronderstelling vraagt om verder wetenschappelijk onderzoek.

Het onderzoek in het Academisch Medisch Centrum naar het effect van debriefing werd mogelijk gemaakt door de financiering van het Praeventiefonds, het ministerie van Binnenlandse Zaken, het Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid, de hoofdinspectie voor de Geestelijke Volksgezondheid, alsmede de gemeente Amsterdam. Het volledige rapport is op te vragen bij de eerste auteur.

Literatuur

  1. Gersons BPR. Acute psychiatrie. Deventer: Van LoghumSlaterus, 1986.

  2. Salmon TW. The war neuroses and their lesson. N Y State JMed 1919;51:993-4.

  3. Mitchell JT. When disaster strikes. J Emerg Med Services1983;8:36-9.

  4. Armstrong K, O'Callahan W, Marmar C. Debriefing RedCross disaster personnel: the Multiple Stressor Debriefing Model. J TraumaStress 1991;4:581-94.

  5. Mitchell JT, Bray GP. Emergency service stress. EnglewoodCliffs, N.J.: Prentice Hall, 1990.

  6. Raphael B, Meldrum L. Does debriefing after psychologicaltrauma work? BMJ 1995;310:1479-80.

  7. Shapiro D, Kunkler J. Summary of a report on psychologicalsupport for hospital staff initiated by clinical psychologists in theafter-math of the Hillsborough disaster. Sheffield, England: SheffieldAuthority Mental Health Services Unit, 1990.

  8. Flannery jr RB, Fulton P, Tausch J, DeLoffi AY. A programto help staff cope with psychological sequelae of assaults by patients. HospCommunity Psychiatry 1991;42:935-8.

  9. Turner SW, Thompson J, Rosser RM. The King's Crossfire: early psychological reactions and implications for organizing a‘phase-two’ response. In: Wilson JP, Raphael B, editors.International handbook of traumatic stress syndromes. New York: Plenum Press,1993:451-9.

  10. Jenkins SR. Social support and debriefing efficacy amongemergency medical workers after a mass shooting incident. J Soc Beh Pers1996;11:477-92.

  11. Robinson RC, Mitchell JT. Evaluation of psychologicaldebriefings. J Trauma Stress 1993;6:367-82.

  12. Sloan P. Post-traumatic stress in survivors of anairplane crash-landing: a clinical and exploratory research intervention. JTrauma Stress 1988;1:211-29.

  13. Sutker PB, Uddo M, Brailey K, Vasterling JJ, Errera P.Psychopathology in war-zone deployed and nondeployed Operation Desert Stormtroops assigned graves registration duties. J Abnorm Psychol1994;103:383-90.

  14. Stallard P, Law F. Screening and psychological debriefingof adolescent survivors of life-threatening events. Br J Psychiatry1993;163:660-5.

  15. Chemtob CM, Thomas S, Law W. Post disaster psychologicalintervention: a field study of the impact of debriefing on psychologicaldistress. Am J Psychiatry 1997;154:415-7.

  16. Hytten K, Hasle A. Fire fighters: a study of stress andcoping. Acta Psychiatr Scand 1989;355 Suppl:50-5.

  17. Deahl MP, Gillham AB, Thomas J, Searle MM, Srinivasan M.Psychological sequelae following the Gulf War. Factors associated withsubsequent morbidity and the effectiveness of psychological debriefing. Br JPsychiatry 1994;165:60-5.

  18. Kenardy JA, Webster RA, Lewin TJ, Carr VJ, Hazell PL,Carter GL. Stress debriefing and patterns of recovery following a naturaldisaster. J Trauma Stress 1996;9:37-49.

  19. Bohl N. The effectiveness of brief psychologicalinterventions in police officers after critical incidents. In: Reese TT, HornJM, Dunning C, editors. Critical incidents in policing. Washington, D.C.:U.S. Department of Justice, 1991:31-7.

  20. McFarlane AC. The aetiology of post-traumatic stressdisorders following a natural disaster. Br J Psychiatry1988;152:116-21.

  21. Griffith J, Watts R. The Kerisey and Grafton bus crashes:the after-math. East Lismore: Instructional Design Solutions, 1994.

  22. Doctor RS, Curtis D, Isaacs G. Psychiatric morbidity inpolicemen and the effect of brief psychotherapeutic intervention: a pilotstudy. Stress Med 1994;10:151-7.

  23. Carlier IVE, Lamberts RD, Uchelen JJ van, Gersons BPR.Het lange-termijn effect van debriefen. Een vervolgonderzoek bij deAmsterdamse politie naar aanleiding van de Bijlmerramp. Amsterdam: AcademischMedisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, 1995.

  24. Foa EB, Hearst-Ikeda D, Perry KJ. Evaluation of a briefcognitive-behavioral program for the prevention of chronic PTSD in recentassault victims. J Consult Clin Psychol 1995;63:948-55.

  25. Yule W. Post-traumatic stress disorder in child survivorsof shipping disasters: the sinking of the ‘Jupiter’. PsychotherPsychosom 1992; 57:200-5.

  26. Bisson JI, Deahl MP. Psychological debriefing andprevention of post-traumatic stress. More research is needed. Br J Psychiatry1994;165:717-20.