De stille afhankelijkheid van jonge artsen

Sabine Voigt
Sabine Voigt
namens de NTVG-redactie
Leestijd
2 minuten
Citeren

artikel

We moeten zuinig zijn op elkaar, zeker nu de zorg kampt met structurele personeelstekorten. Van aniossen en aiossen tot fellows, promovendi en jonge stafleden: zij zitten vaak klem tussen grote verantwoordelijkheid en weinig autonomie. Zij dragen zorg voor patiënten, draaien diensten, doen onderzoek en geven onderwijs. Tegelijkertijd hangt hun opleiding, beoordeling en loopbaan af van opleiders en vakgroepen die beslissen over voortgang en vervolgposities. In zo’n context is het niet vanzelfsprekend om open te spreken over werkdruk, opleidingsklimaat of patiëntveiligheid.

Zolang toekomstige kansen samenvallen met dezelfde hiërarchische lijnen waarlangs kritiek moet worden geuit, blijft professionele moed geen abstract ideaal, maar een persoonlijk risico. Dit geldt niet alleen voor individuele artsen. Ook vertegenwoordigers van organisaties als De Jonge Specialist of aiossen in de Centrale Opleidingscommissie bewegen zich in hetzelfde spanningsveld: zij moeten belangen behartigen binnen dezelfde hiërarchie die ze bevragen. Als zelfs belangenbehartigers afhankelijk zijn van degenen over wie ze kritisch moeten zijn, raakt dat de kern van het probleem.

Een veilige cultuur begint bij machtsverhoudingen die je kunt benoemen én begrenzen

Dat spanningsveld voel je in alledaagse situaties. Een kritische opmerking over roosters, supervisie of onveilige situaties kan al snel worden uitgelegd als gebrek aan flexibiliteit of loyaliteit. Wie nog beoordeeld, aanbevolen of voorgedragen moet worden, weegt zijn woorden dubbel. Wat tot het professionele domein zou moeten behoren, krijgt zo een prijskaartje. In de praktijk zijn er veel voorbeelden: fellows die structureel diensten overnemen om zich te bewijzen, promovendi die onderzoek structureel in de avonduren en weekenden doen, aiossen die terughoudend zijn met grenzen stellen uit angst als ‘lastig’ te worden gezien.

Bijdragen aan een veilige cultuur hoort bij professioneel handelen. Er wordt gelukkig al veel geïnvesteerd in cultuurverandering, van bystandertraining tot veilige meldstructuren. Maar dat is onvoldoende zolang de onderliggende machtsverhoudingen onbenoemd blijven. Een veilige cultuur begint bij machtsverhoudingen die je kunt benoemen én begrenzen. De kernvraag is fundamenteler: hoe gaan we om met onze onderlinge afhankelijkheid? Want in die afhankelijkheid wordt elke dag opnieuw bepaald wat gezegd mag worden – en wat niet.

Reacties

Het artikel beschrijft afhankelijkheid van jonge artsen vooral als een vraagstuk van machtsverhoudingen. Daarmee blijft echter onderbelicht vanuit welk normatief kader die afhankelijkheid moet worden beoordeeld. Juist dat bepaalt wanneer een machtsverhouding legitiem is, wanneer zij ongewenst wordt en op grond waarvan zij moet worden begrensd.

De auteur beschrijft terecht de afhankelijkheid van jonge artsen binnen opleidings- en beoordelingsrelaties. Toch blijft de analyse onvolledig doordat de jonge arts vrijwel uitsluitend als kwetsbare partij wordt gepositioneerd. Afhankelijkheid is zelden eenrichtingsverkeer. Ook opleiders en vakgroepvoorzitters zijn afhankelijk van de inzet, het oordeel en de professionele verantwoordelijkheid van jonge collega's. Bovendien is de nieuwkomer niet alleen afhankelijk — hij is ook toekomstig lid van de groep. Aanpassing aan groepsnormen is daarom niet alleen bescherming, maar ook eigenbelang: een route naar acceptatie. 

De positie van jonge artsen is allang onderwerp van discussie. In Medisch Contact, NRC en visiedocumenten als Medisch Specialist 2035 worden werk-privébalans, duurzame inzetbaarheid en werkplezier uitgebreid behandeld. Wat veel minder expliciet wordt besproken is vanuit welk belang die discussie uiteindelijk wordt gevoerd.

Juist daar ligt het belangrijkste bezwaar. Het artikel voegt twee verschillende normatieve kaders ongemerkt samen. Het professionele kader van de geneeskunde kent één referentiepunt: het belang van de patiënt, zoals verwoord in de artseneed. Het arbeidsrechtelijke kader kent een ander referentiepunt: de verhouding tussen werkgever en werknemer, met legitieme aandacht voor arbeidsvoorwaarden en werkdruk. Beide kaders zijn legitiem, maar niet gelijkwaardig: de artseneed is de grondslag voor de medische praktijk, de cao regelt de voorwaarden waaronder die professionele verantwoordelijkheid kan worden uitgeoefend. Wanneer beide door elkaar lopen, wordt onduidelijk vanuit welk belang machtsverhoudingen moeten worden beoordeeld en begrensd.

Daarom is het opvallend — en veelzeggend — dat de meest afhankelijke partij in de analyse ontbreekt: de patiënt. Hij heeft geen positie in de hiërarchie, geen cao, geen loopbaanbelang en geen stem in het debat. Toch vormt zijn belang de bestaansgrond van de professie. In de terminologie van MacIntyre is dat het interne goed waarop de praktijk van de geneeskunde is gericht — het goed waaraan institutionele belangen uiteindelijk dienstbaar behoren te zijn.²

De vraag is daarom niet alleen hoe wij jonge artsen beschermen tegen ongewenste afhankelijkheid. De fundamentelere vraag is vanuit welk normatief kader wij die afhankelijkheid beoordelen. Pas wanneer dat referentiepunt expliciet is, kunnen machtsverhoudingen werkelijk worden begrensd — en blijft degene om wie de professie draait in beeld: de patiënt.

 

Hans Verheul
Literatuur

1. Verheul H. Wilt u een arts of een zorgverlener? NRC, 21 mei 2026.

2. MacIntyre A. After Virtue. Notre Dame: University of Notre Dame Press; 1981.

Gratis Ask NTVG uitproberen?

Maak met 2 klikken een gratis account aan

Account aanmaken

Heb je al een account of een abonnement? Inloggen

Altijd toegang tot alle publicaties van het NTVG?

Abonneer vandaag nog!

Online toegang tot alle artikelen
Gepersonaliseerde alerts voor artikelen en dossiers
Artikelen voor opleiding en nascholing mét geaccrediteerde toetsen
Onbeperkt luisteren naar de NTVG-podcast
Antwoorden op al je vragen via de AI-toepassing 'Ask NTVG'

Neem het digitaal ntvg abonnement

€ 15,93 per maand!

Ik wil digitaal
NTVG nummer 5 2026
NTVG nummer 6 2026
NTVG nummer 7 2026