De overlijdensverklaring

Klinische praktijk
H.J.J. Leenen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1430-1
Download PDF

In zijn artikel herhaalt prof. Enschedé zijn in het Nederlands Juristenblad geuite mening, dat bij euthanasie een verklaring van natuurlijk overlijden mag worden afgegeven1. Deze van de wet en gangbare leer afwijkende opvatting berust op het speciale standpunt dat Enschedé ten aanzien van handelingen als abortus en euthanasie inneemt. Hij beschouwt deze als normale medische behandeling, terwijl de wetgever en veelal ook de rechtsleer van een andere gedachte uitgaan.

Vanuit deze speciale benaderingswijze van Enschedé is zijn opvatting over de invulling van de overlijdensverklaring begrijpelijk. Bij overlijden binnen het normale medische handelen op grond van de medisch-professionele standaard mag inderdaad een verklaring van natuurlijke dood worden afgegeven. Terecht noemt Enschedé dan ook pijnbestrijding met het secundaire gevolg van levensverkorting en het staken van een medisch zinloze behandeling. Iedereen in Nederland is het er nu wel over eens, dat het daarbij gaat om normaal medisch handelen en dat deze handelingen niet onder het begrip euthanasie en de daarop betrekking hebbende wetgeving vallen. Enschedé nu begrijpt in afwijking van de gangbare leer euthanasie ook onder deze normale medische handelingen.

Tegen deze opvatting zijn ernstige bezwaren aan te voeren. Ik wil niet in herhaling treden van de daarover al gevoerde discussie en volsta met enkele opmerkingen.

In de eerste plaats heeft de wetgever abortus provocatus en euthanasie uitdrukkelijk als handelingen beschouwd waarover het oordeel niet aan de medische professie, maar aan de samenleving toekomt. Normaal medisch handelen wordt in het algemeen niet door de wetgever gereguleerd. Nadat Enschedé in 1966 een soortgelijk standpunt had ingenomen ten aanzien van abortus provocatus als nu ten opzichte van euthanasie, heeft de wetgever zich daarvan uitdrukkelijk gedistantieerd door in 1981 een Abortuswet in het leven te roepen. Eenzelfde gang van zaken is zichtbaar met betrekking tot euthanasie. Het feit dat artsen bij dergelijke handelingen zijn betrokken, maakt deze nog niet tot medische handelingen. Dat is overigens ook het standpunt van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, de beroepsorganisatie van artsen. Het verzwakt Enschedé's standpunt dat degenen naar wier competentie hij verwijst, hem in zijn opvatting niet volgen. Doch ook los daarvan, artsen verrichten vaak handelingen die niet medisch-professioneel maar maatschappelijk zijn genormeerd. Daartoe behoort ook euthanasie. Het gaat daarbij om een ethische vraag in de samenleving, waarover de meningen van artsen evenveel divergeren als in die samenleving. Ook al om die reden is een verwijzing naar de medisch-professionele standaard nauwelijks dienend.

Euthanasie is een strafbaar feit in de wet en het is een maatschappelijke discussie of die wet moet worden gewijzigd. Wie naar de realiteit ziet, kan constateren dat ook feitelijk de discussie over euthanasie een maatschappelijke discussie is. Enschedé gaat aan die realiteit voorbij. Niemand zou de zeggenschap over de geoorloofdheid van euthanasie aan de medische professie willen overlaten en het vraagstuk geheel medicaliseren, zoals Enschedé in feite doet. Wie bovendien de kamerstukken over de abortuswet en over de wetsontwerpen euthanasie naleest, kan constateren dat zowel aan de regeringstafel als in de Kamer een onderscheid is gemaakt tussen medische handelingen en maatschappelijk genormeerde handelingen welke door artsen worden verricht. De bedoeling van de wetgever in dit opzicht is duidelijk.

Consequentie van een en ander is dat de stelling van Enschedé dat bij euthanasie een verklaring van natuurlijke dood mag worden ingevuld, niet opgaat. Dat blijkt trouwens ook uit de memorie van antwoord op het ontwerp wet lijkbezorging, uit de opvattingen van de regering en, blijkens het regeerakkoord 1986, waarschijnlijk ook van de toekomstige regering, uit uitlatingen van het openbaar ministerie, uit de opvattingen van de KNMG en van de gangbare rechtsleer. De rechtbank te Rotterdam d.d. 20 maart 1985 (Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1985, 44) heeft dan ook terecht, een arts veroordeeld die bij euthanasie een onjuiste verklaring van overlijden had ingevuld. Aan dit vonnis gaat Enschedé voorbij. Ik adviseer er niet op te vertrouwen dat openbaar ministerie en rechtspraak de opvatting van Enschedé zullen volgen. Er is zelfs reden om aan te nemen, dat het vervolgingbeleid ten aanzien van de overlijdensverklaringen zal worden verscherpt.

Tot slot nog een commentaar van feitelijk aard. Enschedé spreekt in zijn artikel van lijkschouwer waar ook de behandelende arts is bedoeld. Dit kan verwarring wekken. De situatie is de volgende. Een verklaring van natuurlijke dood kan worden afgegeven door de behandelende arts of de gemeentelijke lijkschouwer, bijvoorbeeld als er geen behandelende arts bekend is. Kan de behandelende arts geen verklaring van natuurlijke dood afgeven, dan wordt de gemeentelijke lijkschouwer ingeschakeld. Deze brengt verslag uit aan de officier van justitie. In het ontwerp wet lijkbezorging hoeft dat alleen als de lijkschouwer meent niet zelf alsnog een verklaring van overlijden te kunnen afgeven. De officier kan dan verder beslissen en na bijvoorbeeld gerechtelijke sectie volgt begraving op grond van de verklaring van geen bezwaar van de officier van justitie, die ook Enschedé noemt.

Literatuur
  1. Enschedé ChJ. De doodsbriefjes. Ned. TijdschrGeneeskd 1986; 130: 1411-2.

Auteursinformatie

Prof.dr.H.J.J.Leenen, Oosterpark 46, 1092 AN Amsterdam.

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.
Ch.

's-Gravenhage, augustus 1986,

Ik wil over dit juridische geschil met Leenen in dit medische tijdschrift (1986;1430-1) zo duidelijk mogelijk zijn zonder te lang te worden. Leenen en ik hebben wel een gemeenschappelijk uitgangspunt: ter zake van medische handelingen is de arts niet strafbaar, ook al beantwoorden die aan een delictsomschrijving in de strafwet. Het enkele feit dat de dood van de patiënt mede is veroorzaakt door zo'n medische handeling, staat de afgifte van de overlijdensverklaring niet in de weg.

Onze wegen scheiden zich waar ik betoog (1986;1411-2), dat naar geldend recht ook euthanasie – het doen of laten sterven van een patiënt overeenkomstig diens verlangen of in diens belang – medisch handelen kàn zijn. Leenen betwist dat. Hij is in goed gezelschap: van de Staatscommissie, de regering, de Raad van State. Toch deugt zijn standpunt niet.

De narigheid is, dat de Staatscommissie in haar rapport het euthanasievraagstuk voetstoots als een strafrechtelijk vraagstuk behandelt, en daarbij voorts een met het systeem van ons strafrecht onverenigbare opvatting van de betekenis der strafbepalingen hanteert. Dat brengt dan weer mee, dat er volgens haar rapport naar geldend recht geen toelaatbare, rechtmatige euthanasie bestaat, zodat nog slechts de vraag rest of en in hoeverre de strafwet gewijzigd moet worden om euthanasie toelaatbaar te maken.

Maar de werkelijkheid is anders. De euthanasie behoort en heeft altijd behoord tot de praktijk van de geneeskundige aan het ziek- of sterfbed. Altijd ook hebben daarna bonafide lijkschouwende artsen overlijdensverklaringen afgegeven. Net zoals zij dat ook deden na pijnstillen met levenverkortend gevolg. Zo'n verschijnsel roept voor de jurist pertinente vragen op. Want het recht beïnvloedt het handelen van de mensen in de dagelijkse levenspraktijk, maar ook het omgekeerde geldt: die dagelijkse praktijk beïnvloedt het geldende recht. Uitgedrukt in woorden die ik ontleen aan Bronkhorst, raadsheer in de Hoge Raad: recht is niet slechts een stelsel van abstracte normen, maar ook een gebeuren: recht geschiedt. Wetten zijn dan ook vaak geabstraheerd uit de vloeiende werkelijkheid van het recht dat in het recht-doen, niet alleen van de rechter maar van ieder mens, geschiedt (Op gezag van..., Ars Aequi 1985, bl. 664).

Dat gegeven: dat bonafide artsen sinds jaar en dag euthanasie uitvoeren en daarna de overlijdensverklaring afgeven hebben we, eerst in het Nederlands Juristen Blad van 22 juni 1985, daarna samen met Langemeijer, Mulder en Van Veen in NRC/Handelsbladvan 22 april 1986, en tenslotte in dit tijdschrift (1986;1411-2), zijn plaats in het ongeschreven recht aangewezen. Ik ben Leenen dankbaar dat hij daarop reageert. Leenen volgt de Staatscommissie; dat blijkt uit de twee kernzinnen in zijn reactie: de wetgever heeft ‘euthanasie (...) uitdrukkelijk als handelingen beschouwd waarover het oordeel niet aan de medische professie, maar aan de samenleving toekomt’ en ‘Euthanasie is een strafbaar feit in de wet en het is een maatschappelijke discussie of die wet moet worden gewijzigd.’ Hij leidt kennelijk uit het feit dat euthanasie een strafbaar feit in de wet is af, dat alle euthanasie ontoelaatbaar of onrechtmatig is.

Maar zo steekt de strafrechtelijke vork niet aan de steel. Wettelijke strafbepalingen houden zich namelijk niet bezig met de vraag, welke handelingen wel en welke niet rechtmatig of toelaatbaar zijn. Zij wijzen slechts de handelingen aan die, indien onrechtmatig, ook strafbaar zijn. Door het enkele feit dat een handeling strookt met een wettelijke delictsomschrijving staat, anders gezegd, die ontoelaatbaarheid nog niet vast. Ook het zo net beschreven uitgangspunt dat Leenen en mij verbindt, is daarop gebaseerd.

De strafbaarheid van een handeling is dus afhankelijk van ten minste twee noodzakelijke en onafhankelijke voorwaarden: primo, de handeling moet stroken met een delictsomschrijving; secundo, zij moet onrechtmatig zijn. De rechter heeft, is de delictsomschrijving vervuld, nog niet meer in handen dan een vermoeden van onrechtmatigheid van dat handelen. Daarom moet hij rechtens steeds ambtshalve (dus ook als de verdediging geen beroep op straffeloosheid doet) nagaan of er een rechtvaardigingsgrond is, dat wil zeggen: of er een omstandigheid is die dat vermoeden ontzenuwt. Leenens beroep op de wetgever faalt dus: enkel uit de wettelijke strafbaarstelling is de onrechtmatigheid niet af te leiden.

Tegen Leenens opvatting is ook nog ander bezwaar. In het recht is er geen tegenstelling tussen het oordeel van de medische professie en van de samenleving, tussen medisch-professionele en maatschappelijke normering. Want de medische stand is deel van, functioneert, is geïntegreerd in de samenleving, in de maatschappij. Het recht trekt daarvan partij bij de ordening van de verhoudingen tussen artsen, patiënten, cliënten, en bedient zich zo van de specifieke bekwaamheden van de medici. Die vormen immers bij uitstek het deskundig forum van de maatschappij dat, beter dan wie ook, aan de regels van de kunst – medisch-technisch, ethisch, juridisch – gestalte kan geven.

Dat alles neemt niet weg dat uiteindelijk het laatste woord bij het recht blijft: altijd kan de rechter de euthanasie en de regels van de kunst, van de medisch-professionele standaard, toetsen aan wet, openbare orde, goede zeden. Het verwijt dat ik het euthanasievraagstuk medicaliseer is misplaatst. Ik beschrijf alleen het geldende recht, en dat kent geen wettelijke euthanasieregels. Die beschrijving is nodig, omdat de openbare euthanasiediscussie door de misvatting dat het recht euthanasie verbiedt (terwijl in waarheid de wet alleen ontoelaatbare euthanasie strafbaar stelt) en dat euthanasie altijd een overlijdensverklaring in de weg staat (terwijl alleen ontoelaatbare euthanasie dat doet) vele bonafide artsen criminaliseert. En omdat voor een verstandig besluit over wijziging van het euthanasierecht kennis van het bestaande euthanasierecht vereist is. Anders weet men niet wat men doet. We moeten weten waarover we het eigenlijk hebben.

Leenen wijst nog op een rechtbankvonnis. Maar die zaak loopt nog in hoger beroep. Laten we eerst de cassatie afwachten. In de ontwikkeling van het strafrechtsysteem speelt de lagere rechtspraak nauwelijks een rol. Leenen zoekt ook nog steun bij Kamerstukken van een nog niet beklonken wet. Zo'n bron kan tot kennis van het geldend recht niet bijdragen.

Volgens Leenen heb ik een afwijkende opvatting, neem ik een speciaal standpunt in. Het zij zo; ik ben lang niet de enige, bevind me niet alleen in gezelschap van juristen als Langemeijer, Mulder en Van Veen, maar ook in dat van vele fatsoenlijke artsen die sinds jaar en dag met een gerust geweten ook na euthanasie de overlijdensverklaring afgeven. Het laatste woord daarover is aan de Hoge Raad.

Ch.J. Enschedé