De media als boeman en als zondebok
Open

Commentaar
24-09-2012
Hans van Maanen

Beïnvloeden moderne media de interpretatie van wetenschap krachtig, zoals De Jongh et al. beweren in de titel van hun artikel elders in dit tijdschrift (De krachtige invloed van moderne media op de interpretatie van wetenschap)? Het zou kunnen, maar zij leveren er weinig bewijsmateriaal voor aan. Wat hun stuk veeleer laat zien is het onbegrip dat bij hen, en wellicht bij meer academici, leeft over de rol en de werking van de journalistiek, van persberichten en van ‘hoor en wederhoor’. Daar kom ik later in dit commentaar op terug, van belang is eerst de gang van zaken door te nemen.

Lijdende vorm

De auteurs besteden een kwart van hun ruimte aan het herhalen van de bevindingen van hun onderzoek, waar een verwijzing naar de conclusie van het artikel misschien zou volstaan: ‘These results indicate that HEMS does not have a positive impact on survival.’, waarbij HEMS staat voor Helikopter-Mobiel Medisch Team. Voor hun schets van de gebeurtenissen kiezen de auteurs de lijdende vorm. ‘Kort na elektronische publicatie van het artikel in het tijdschrift Injury, verscheen in een elektronische nieuwsbrief voor een beperkt publiek een bericht met de titel Traumahelikopter heeft geen meerwaarde. (…) Naast het gebrek aan nuance bevatte het bericht ook enkele feitelijke onjuistheden.’ Auteur van dat bericht blijkt een van de promotoren van De Jongh, prof.dr. A.J.P. Schrijvers. Hij maakte op 12 februari 2012 een berichtje voor zijn Nieuwsbrief Zorginnovatie, een (niet-besloten) wekelijks vlugschrift vanuit het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Het begint: ‘Bij een ernstig verkeersongeval zijn er twee soorten hulp mogelijk. Of er verschijnt een traumahelikopter met een medisch team die ter plekke hulp verleent. Of er verschijnt een medisch team per ambulance. Uit onderzoek van mijn promovendus Mariska de Jongh blijkt, dat bij gelijke letsel van de patiënt een helikopter geen meerwaarde heeft boven een ambulance. Dat komt omdat het langer duurt voordat de heli er is. De ambulance is sneller. Daardoor is de kans op overleving van de patiënt bij het inschakelen van deze laatste hoger dan bij het laten komen van een helikopter.’ Waarna gegevens over onderzoek en onderzoekster volgen. Zo’n kattebelletje biedt inderdaad weinig ruimte voor nuance, maar wat de feitelijke onjuistheden zijn waardoor het vervolgens zo ernstig misging, lichten De Jongh et al. niet toe. Schrijvers erkent in een reactie inmiddels volmondig dat het bericht ‘te kort en daarom onvolledig’ was, maar van feitelijke onjuistheden weet ook hij niet: ‘Mijn interpretatie van de feiten was anders.’

Moderne media

Dan komen de media in beeld. Schrijvers zette zijn bericht niet alleen in de nieuwsbrief, maar ook op de website Medicalfacts.nl, waaraan hij regelmatig bijdraagt. Daar werd het opgepikt door wetenschapsjournalist Jop de Vrieze. De Jongh et al. stellen dat Schrijvers’ stukje zonder verificatie werd overgenomen, maar uit het bericht op NU.nl blijkt al dat de journalist Injury erbij gepakt moet hebben. Hij herinnert zich dat ook: ‘Ik heb daarop het bijgevoegde artikel doorgespit, op basis waarvan ik het nieuwsbericht heb geschreven. Al vrij snel merkte ik dat de kwestie erg gevoelig was en dat het bericht onder meer op Twitter heftige reacties opwekte. Omdat ik van mening was dat ik het artikel kritisch gelezen had en de conclusies niet had overdreven, te meer omdat de onderzoekers ze zelf ook hadden getrokken in het Medicalfacts-artikeltje, zag ik geen aanleiding om iets aan te passen.’ Dat de casus toont dat er door de media ‘geen inhoudelijke toets wordt gehanteerd waardoor snel een grote doelgroep wordt bereikt’, lijkt mij een ongeverifieerde aantijging. Ten slotte kwam het, aldus De Jongh et al., ‘zelfs’ tot ‘maar liefst 6’ Kamervragen, ten koste van € 22.500. Een Kamervraag bestaande uit 6 subvragen telt als 1 vraag in de statistieken. Het antwoord van de minister was in zoverre genuanceerd, dat zij het een studie vond ‘op basis van een relatief oude en beperkte onderzoekspopulatie’, waarbij ‘nog wel andere opmerkingen te maken waren’. Welke, vermeldt zij niet, en de Kamerleden vroegen niet door.

Zondebok

Ik zal de laatste zijn om te beweren dat alles altijd goed gaat in de journalistiek, maar deze casus laat voor mij vooral zien hoe onderzoekers de media tot zondebok proberen te maken als het allemaal niet loopt zoals zij willen. De Jongh lijkt, allereerst, de regie wel erg uit handen te hebben gegeven. Bij haar promotie was geen aandacht, zegt zij, maar dat kwam ook doordat er geen persbericht was uitgegaan. Die aandacht kwam pas toen haar promotor een berichtje op het web zette. De journalist van NU.nl verdiepte zich echter, zoals het hoort, in de oorspronkelijke publicatie, en trok zijn eigen conclusies. Andere journalisten deden eveneens redelijk hun werk en vroegen de onderzoekster om nadere toelichting waardoor zij voor de ‘broodnodige nuancering’ kon zorgen. Onder academici is, nu we het er toch over hebben, veel verwarring over ‘hoor en wederhoor’. Dit is een journalistiek begrip dat betekent dat wij, als iemand beschuldigingen uit, ook een weerwoord van de beschuldigde horen en meewegen, ongeveer zoals ik heb gedaan door uit te zoeken wie er achter al die anonymi in het artikel van De Jongh et al. schuilgingen teneinde ze een reactie te vragen. Zo proberen we achter de ware toedracht te komen. Het betekent niet dat wij bij het beschrijven en eventueel bekritiseren van een wetenschappelijke studie steevast de onderzoekers moeten bellen. Niet iedere journalist is het met mij eens, maar ik beschouw een wetenschappelijk artikel als een zelfstandig product dat op eigen benen moet kunnen staan. Ook bij filmrecensies wordt de regisseur niet om nadere explicatie gevraagd, ook bij literaire kritiek bellen wij de auteur niet om te horen of het zo goed is.

Strategie

Ten slotte nog even terug naar die persberichten. Aan het eind van hun stuk verwijzen de auteurs naar een studie van Schwartz en Woloshin in British Medical Journal. Daaruit bleek niet, zoals De Jongh et al. schrijven, dat het eerste bericht of persbericht een grotere impact heeft dan menig onderzoeker en lezer zich realiseert, maar dat in wetenschappelijk opzicht kwalitatief hoogstaande persberichten een grotere kans hebben om tot goede krantenberichten te leiden, en slechte persberichten – zonder onderzoeksopzet, absolute aantallen, effectmaten, informatie over belangenverstrengelingen – tot slechte krantenberichten. Daar ben ik het, uiteraard met nog wat journalistieke reserves, van harte mee eens: een helder en eerlijk persbericht is in vele opzichten het halve werk. Het vergt inderdaad wat inzicht, voorbereiding en strategie, zoals de onderzoekers van de traumavluchten hebben ondervonden, maar zo moeilijk is het niet, de pers bespelen.