De erectiepil

Opinie
A.A.B. Lycklama à Nijeholt
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:2332-3
Abstract
Download PDF

Zie ook de artikelen op bl. 2333, 2337 en 2348.

Het is terecht dat in dit tijdschrift aandacht wordt geschonken aan de introductie van sildenafil (Viagra) op de Nederlandse markt. Of de introductie in Nederland met dezelfde orkaankracht gepaard zal gaan als in de Verenigde Staten, zal binnenkort duidelijk zijn. In dat land werden binnen korte tijd meer dan 4 miljoen recepten verstrekt. Nog nooit werd een nieuw geneesmiddel in de eerste periode na introductie zo frequent voorgeschreven. Is deze opvallende publieke aandacht vooral een gevolg van de onderschatte prevalentie van erectiestoornissen en de onderschatte gevolgen van deze seksuele stoornis of is de introductie van deze erectiepil wel degelijk een wezenlijke sprong voorwaarts?

Over de incidentie en de prevalentie van erectiestoornissen is in Nederland weinig bekend. In Amerika wordt vaak het Massachusetts-onderzoek aangehaald.1 Hierbij werd een prevalentie gevonden van 52 in de leeftijdsgroep van 40-70 jaar. In deze gevallen ging het om 10 ernstige, 25 matige en 17 minimale erectiestoornissen. Opgesplitst voor leeftijden nam de prevalentie van ernstige stoornissen toe van 5 bij 40-jarigen tot 15 bij 70-jarigen.1 Onlangs werd in de Verenigde Staten de incidentie voor 40-70-jarigen bepaald op 2,6. Dat betekent dat in de Verenigde Staten er jaarlijks een miljoen mannen bijkomt met een erectiestoornis.

De gevolgen van een erectiestoornis voor de individuele patiënt laten zich moeilijk peilen. Bovendien treft het probleem zowel de patiënt als diens partner. Buiten deze vertrouwde kring zal vaak niemand anders er weet van hebben. Eind vorig jaar werd in Nederland een zogenaamd schaamteonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat seksuele disfunctie met afstand het hoogst scoort als een moeilijk met de dokter bespreekbaar probleem (16), gevolgd door urine-incontinentie (8), depressie (6) en prostaatklachten (4).2

In welke mate de komst van een erectiepil een toename zal opleveren van de hulpvraag, is ongewis. Eind vorig jaar kreeg een artikel in Cicero, het nieuwsblad van het Leids Universitair Medisch Centrum, over een uit te voeren onderzoek met een erectiepil veel aandacht in de media. Toen vrijwilligers voor dit onderzoek werden gezocht, stond de telefoon gedurende enige dagen roodgloeiend. Nadien werd een vragenlijst gestuurd naar 200 respondenten.3 Uit deze vragenlijst bleek dat 70 van de mannen al eens met het erectieprobleem bij de huisarts was geweest en 63 bij de specialist; 84 van de specialistenbezoeken gold de uroloog. Van de respondenten gaf 30 aan slechts in een erectiepil geïnteresseerd te zijn, 33 was eventueel geïnteresseerd in andere behandelingsvormen bij onvoldoende werking en 37 van de mannen wilde sowieso geholpen worden en was daarom in iedere behandelingsvorm geïnteresseerd. De resultaten van de vragenlijst duiden enerzijds niet op een ongebreidelde toename van de hulpvraag, maar geven anderzijds aan dat de meeste mannen de erectiestoornis serieus nemen.

Ongewis is wat de erectiepil teweeg zal brengen bij oudere mannen met een erectiestoornis. Leeftijd blijkt, zoals ook Meuleman et al. aanhalen,4 een van de belangrijkste oorzakelijke factoren voor een erectiestoornis. Het is echter mogelijk dat onder de noemer ‘ouderdom’ detecteerbare afwijkingen schuilgaan, bijvoorbeeld cardiovasculaire, die de ware oorzaak zijn voor de erectiestoornis. Mannen op hogere leeftijd kunnen in samenspraak met hun seksuele partner zelf beslissen of zij wel of geen behandeling meer wensen voor het erectieprobleem. Bij een in Nederland uitgevoerd onderzoek betreffende injectietherapie was het overigens opvallend dat oudere mannen minder vaak met de behandeling stopten dan jongere.5

Met de komst van de erectiepil zullen meer artsen, vooral huisartsen, geconfronteerd worden met erectiestoornis en met seksuele disfunctie in het algemeen. Hengeveld maakt zich, mijns inziens onterecht, zorgen dat de erectiepil zal leiden tot somatisering van de erectiestoornis.6 Wel zal de huisarts in staat moeten zijn om het onderscheid te maken tussen erectiefalen als symptoom van maatschappelijke of seksuele stoornissen (bijvoorbeeld opwindingsstoornissen) enerzijds en erectiestoornis als ziekte anderzijds. In het eerste geval moet de aandacht in eerste instantie uitgaan naar de onderliggende oorzaak van de seksuele disfunctie, in het tweede verdient de erectiestoornis zelf behandeling. In dat geval zal sildenafil vaak het middel van eerste keus zijn.

Over de werkzaamheid van sildenafil zijn voldoende positieve gegevens bekend. Wel ontstond in Amerika kort na de introductie angst bij het publiek over de veiligheid van dit middel. Deze angst was gebaseerd op meldingen van overlijden na inname van sildenafil. Meuleman et al. stellen terecht dat de enige absolute contra-indicatie voor sildenafil het gebruik van nitraten is. Bij gelijktijdig gebruik kunnen namelijk ernstige bloeddrukdalingen optreden. Hypertensie als zodanig of gebruik van antihypertensiva vormt echter geen bezwaar. Wel moet men bedenken dat hernieuwde seksuele activiteiten bij mannen op hogere leeftijd soms een cardiaal risico kunnen betekenen. Zo vormt nitraatgebruik een absolute contra-indicatie en matige cardiale conditie een relatieve contra-indicatie voor gebruik van sildenafil.

Zal sildenafil voor iedere erectiestoornis een oplossing zijn? Onlangs werden tijdens een wereldcongres betreffende erectiestoornis, gehouden in Amsterdam, voorlopige resultaten gemeld van de toepassing van sildenafil bij patiënten die reeds behandeld werden met injectietherapie. Hierbij werden positieve resultaten gemeld bij 72-90 van de mannen.7 Veel wijst erop dat de komst van sildenafil wel degelijk een zeer belangrijke stap voorwaarts betekent bij de behandeling van erectiestoornissen. De spreekwoordelijke Hollandse nuchterheid en de resultaten van de al eerdergenoemde vragenlijst geven mij evenwel het vertrouwen dat de introductie in Nederland niet gepaard zal gaan met orkaankracht. Wel zal er met de komst van dit middel een nieuwe frisse wind gaan waaien.

Literatuur
  1. Feldman HA, Goldstein I, Hatzichristou DG, Krane RJ,McKinlay JB. Impotence and its medical and psychosocial correlates: resultsof the Massachusetts male aging study. J Urol 1994;151:54-61.

  2. Rapport ‘Schaamte in Nederland’. Den Haag:Burson-Marsteller, 1997.

  3. Roeleveld TA, Lycklama à Nijeholt AAB. In: MeulemanEJH, Lycklama à Nijeholt AAB, Schueren D van der, et al., editors.Enormous response after media reported of a selective PDE 5 inhibitor for thetreatment of erectile dysfunction: results of a questionnaire. The 8th worldmeeting on impotence research. Bologna: Monduzzi Editore,1998:275-7.

  4. Meuleman EJH, Berkel JThH van, Rabsztyn P, Damen L.Sildenafil (Viagra) voor de behandeling van erectiestoornissen.Ned Tijdschr Geneeskd1998;142:2337-41.

  5. Witjes WPJ, Meuleman EJH, Lycklama à Nijeholt AAB,Driel MF van, Leliefeld HHJ, Kropman RF, et al. The efficacy and acceptanceof intracavernous autoinjection therapy with the combination ofpapaverine/phentolamine. Int J Impotence Res 1992;4:65-72.

  6. Hengeveld MW. Somatisering van erectiestoornissen door dekomst van sildenafil. Ned TijdschrGeneeskd 1998;142:2333-6.

  7. Porst H. The potential of sildenafil for salvage therapyin severe male impotence. Int J Impotence Res 1998;10S67:489.

Auteursinformatie

Leids Universitair Medisch Centrum, afd. Urologie, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Dr.A.A.B.Lycklama à Nijeholt, uroloog.

Gerelateerde artikelen

Reacties