De doodsbriefjes

Perspectief
Ch.J. Enschedé
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1411-2
Download PDF

De arts heeft na de schouw van het lijk van zijn patiënt of als gemeentelijk lijkschouwer te maken met de zgn. doodsbriefjes A en B. Wat is nu eigenlijk vanuit het recht gezien precies de aard, waarde en werking van die documenten?

De namen ‘doodsbriefje A’ en ‘doodsbriefje B’ komen in de wet niet voor. Ze suggereren een verwantschap die niet bestaat. De in de wet op de lijkbezorging voorziene verklaring van overlijden (doodsbriefje A) is een schriftelijke rechtshandeling, een akte met rechtsgevolgen. Dat rechtskarakter is kort geleden in de algemene pers aan de orde gesteld.1 Doodsbriefje B is een op de wet regelende de uitoefening der geneeskunst steunende feitelijke opgave ten behoeve van de statistiek, een papier zonder rechtswaarde. Het verschil kan men aldus aanduiden: bij de overlijdensverklaring kan men vragen: is zij juist?, bij de statistiekopgave: is zij waar?

De verklaring van overlijden

Jaarlijks sterven er in ons land zo'n 120.000 mensen. Hoeveel van hen kwamen aan hun eind als gevolg van, of in samenhang met strafbaar handelen van iemand anders, bijvoorbeeld door opzettelijk lichamelijk geweld of onvoorzichtigheid, of nadat iemand hen aanzette tot of hielp bij zelfmoord? Zodat mèt het lijk ook sporen van strafbare feiten aan vernietiging worden prijsgegeven ten koste van het justitiële belang van de handhaving der rechtsregels?

Helemaal te voorkomen is dat niet. Men kan niet alle lijken openen op zoek naar sporen van delicten. Dat zou ook onwenselijk zijn. Zonder concrete aanleiding verdraagt zo'n ingreep zich niet met de piëteit die ook de justitie past ten opzichte van overledenen en vooral ook de rouw van nabestaanden die daardoor kan worden verstoord. Nee, alleen bij gerucht van laakbare onregelmatigheden wint het justitiële belang het van piëteit. Daarom bepaalt de wet op lijkbezorging, dat alle lijken door geneeskundigen uitwendig (dus oppervlakkig) met het oog op de doodsoorzaak worden geschouwd, en dat begraving of verbranding afhankelijk is van verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, verleend op een verklaring van overlijden van de lijkschouwer.

De wet geeft voor die verklaring een kort, strak formulier. Dientengevolge worden lijken zonder verder beraad begraven of verast, wanneer een arts na schouwing heeft verklaard ‘ervan overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden’. Meer dan een grove zeef is dat alles niet. De overlijdensverklaring kan niet meer zijn dan een persoonlijke mening van de lijkschouwer op basis van beperkte gegevens. Lijkschouwing scheidt alleen maar de grote massa van de sterfgevallen waarin men wel van een natuurlijke dood mag uitgaan, van de veel schaarser gevallen waarin men met de mogelijkheid van strafbaar feit moet rekenen. De gevallen dus, waarin piëteit wellicht moet wijken voor justitiebelang, waarin uitstel van de lijkbezorging, inbeslagneming van het lijk en obductie nodig kunnen zijn. Met alle verdriet dat dat voor nabestaanden kan meebrengen. Geeft de lijkschouwer die overlijdensverklaring niet af, dan treedt daarvoor in de plaats een verklaring van geen bezwaar van de officier van justitie. Uit deze regeling in de wet alleen al blijkt, dat de lijkschouwing slechts het justitiële belang, deel van het algemeen belang, dient.

Dit stelsel van een strak geformaliseerde overlijdensverklaring na schouw is in 1955 in de wet neergelegd, uitsluitend ter bescherming van het medisch geheim, dat de arts ook na het overlijden van zijn patiënt moet respecteren. De ambtenaar van de burgerlijke stand verneemt alleen maar dat de doodsoorzaak een natuurlijke was. Meer heeft hij ook niet nodig. Het staat de arts dan ook niet vrij, in, naast of in plaats van de overlijdensverklaring aan wie dan ook verdere mededelingen over de doodsoorzaak te doen; ook niet aan de officier van justitie. Dat wordt tegenwoordig nogal eens uit het oog verloren.

Sterven is een multicausaal proces, de dood de uitkomst van een groot aantal samenlopende causale reeksen. Het formulier doet daaraan geen recht, verlangt dat de lijkschouwer één oorzaak als dè oorzaak – juristen zeggen: als de relevante oorzaak – aanvaardt. Het komt voor, dat een arts desbewust zijn patiënt heeft doen of laten sterven; dat kàn de lijkschouwer zelf zijn. Staat dat aan een overlijdensverklaring in de weg? Dat hangt af van de aard van het geval. Vaak veroorloven de regels van de medische kunst dat aan de arts, ook al kan hij het leven nog wel verlengen. Doen sterven: zo mag de arts in bepaalde omstandigheden de pijn van zijn patiënt bestrijden met middelen die, naar hij weet maar niet bedoelt, diens leven bekorten. Laten sterven: zo behoort een arts een levenverlengende behandeling die niet meer kan dienen tot genezing of verlichten van lijden, te beëindigen.

Zulk doen of laten beantwoordt, letterlijk genomen, aan de omschrijving van moord in ons strafrecht. Brengt dat nu mee dat de oorzaak van de dood een niet-natuurlijke is en de arts dus geen overlijdensverklaring mag afgeven? Niemand heeft dàt in die gevallen ooit beweerd. Natuurlijk niet: iedereen weet dat er in deze gevallen van enig delict geen sprake is. Zulk handelen is medisch handelen omdat en in zover als het beantwoordt aan de regels van de kunst, aan de medisch-professionele standaard. Welnu: medisch handelen is onstrafbaar handelen, omdat alleen onrechtmatig handelen strafbaar kan zijn, ook al beantwoordt het letterlijk aan een strafrechtelijke delictsomschrijving: de onrechtmatigheid ontbreekt.

Niet dit doen of laten is dan de relevante oorzaak van de dood. De lijkschouwer kan daarom de overlijdensverklaring voor zijn rekening nemen. En dan behóórt hij die ook af te geven: dat brengt zijn rechtsfunctie als wisselwachter tussen justitiebelang en piëteit mee. Lijkschouwing dient alleen het redden van sporen van delicten. En, gelet op dat doel van de ganse regeling, kan van een niet-natuurlijke oorzaak slechts sprake zijn in geval van een strafbare, criminele, misdadige oorzaak.

Dit alles geldt ook voor euthanasie. In zijn arrest van november 1984 heeft de Hoge Raad de mogelijkheid voorzien dat actieve euthanasie onder omstandigheden strookt met de medisch-professionele standaard. In zo'n geval is euthanasie dan als medisch handelen onstrafbaar en in het licht van de overlijdensverklaring als oorzaak van de dood niet relevant.

Een waarschuwing tot slot van deze beschouwingen over de overlijdensverklaring. Het hier uiteengezette recht is na 1955 vrijwel in het vergeetboek geraakt. Vele uitlatingen van regeerders, politici, juristen en van de KNMG staan daarmee op gespannen voet. Daarentegen strookt de door vele lijkschouwende artsen na euthanasie gevolgde praktijk wel degelijk met de voorschriften: indien zij eerlijk overtuigd zijn een toelaatbare euthanasie te hebben uitgevoerd, behoren zij de piëteit te laten prevaleren: medische euthanasie is geen relevante doodsoorzaak.

Statistiek van doodsoorzaken

Over de statistische opgave kan ik korter zijn. Ook hier treffen we een voorgeschreven formulier aan. Maar dat dient niet het medische geheim; het wil slechts de benodigde medische informatie gieten in een statistisch verwerkbare vorm. Toch heeft de wetgever ook hier oog voor het geheim. In het formulier komen de personalia van de overledene niet voor; de arts verstrekt de informatie in een gesloten enveloppe die, ontdaan van een strook met die personalia, pas op het Centraal Bureau voor de Statistiek door een medicus wordt geopend. De lijkschouwer behoort dat formulier in al zijn feitelijkheid volledig en naar waarheid in te vullen. Daarvan is de waarde van de statistiek der doodsoorzaken afhankelijk, en daarmee ook het daarop gebaseerde overheidsbeleid en wetenschappelijk medisch en sociaal onderzoek.

Maar stel, dat er later omtrent zo'n sterfgeval vermoeden van een strafbaar feit rijst. Kunnen dan die op het CBS voorhanden gegevens niet voor de justitiële autoriteiten van belang zijn, ook al zijn ze anoniem? Met enig denk- en speurwerk lijkt de anonimiteit toch wel te breken. In de Terp-zaak heeft de justitie dat inderdaad overwogen. Maar het is zover niet gekomen. De regering heeft zich op het standpunt gesteld dat het CBS-materiaal niet binnen bereik van de justitie mag komen. Terecht: het zou strijdig zijn met letter en geest van het recht op het medische geheim. De lijkschouwer behoeft dus niet bang te zijn dat zijn waarheidsliefde zou kunnen gaan ten koste van de door het medisch geheim beschermde belangen van de nabestaanden – en van hem zelf.

Literatuur
  1. Langemeijer GE, Enschedé ChJ, Veen ThW van, MulderA. Alle lijken openen op zoek naar sporen van misdrijf is onuitvoerbaar enonwenselijk. NRCHandelsblad, 22 april 1986,opiniepagina.

Auteursinformatie

Prof.mr.Ch.J.Enschedé, oud-lid van de Hoge Raad der Nederlanden, Landréstraat 1009, 2551 BP 's-Gravenhage.

Gerelateerde artikelen

Reacties

W.R.
Mr.

Utrecht, september 1986,

In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1986; 1411-2, 1430-1, ) speelt zich een discussie af tussen Enschedé en Leenen over de vraag of bij euthanasie een verklaring van natuurlijk overlijden mag worden afgegeven. Leenen, en met hem het Hoofdbestuur van de KNMG, de Staatscommissie Euthanasie, de regering, de Tweede Kamer en de Raad van State, is van mening dat er bij euthanasie geen sprake is van een natuurlijke dood en er derhalve geen verklaring van natuurlijk overlijden kan worden afgegeven. Enschedé, en met hem Langemeijer, Mulder en Van Veen, is van mening dat er bij euthanasie sprake is van een natuurlijke dood en dat de behandelende arts derhalve een verklaring van natuurlijk overlijden kan afgeven. Het is de vraag of het zinvol is een dergelijke toch zeer specialistisch-juridische discussie in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde te voeren. Dit zo zijnde, kan aan één aspect niet voorbijgegaan worden.

Mijn bezwaren tegen de artikelen van Enschedé richten zich hier niet in de eerste plaats tegen de door hem verdedigde interpretatie – welke zeker interessante aspecten bevat die nadere bestudering waard zijn –, maar tegen het – gezien de autoriteit van Enschedé als jurist – bepaald niet denkbeeldige risico dat artsen (mede ten gevolge van de wijze van rubricering van zijn eerste artikel door de redactie) er vanuit menen te mogen gaan dat Enschedés mening de algemeen geldende is. Zolang de huidige jurisprudentie zich niet wijzigt, kan men artsen niet adviseren een verklaring van natuurlijk overlijden in te vullen zonder risico van vervolging en bestraffing wegens valsheid in geschrifte. Het afgeven van een valse verklaring van overlijden kan bestraft worden met maximaal drie jaar gevangenisstraf.

Geheel afgezien van het feit dat de regelgeving rond euthanasie een maatschappelijke en niet alleen (maar wel mede) een juridische of medische discussie is, kleeft er aan de opvatting van Enschedé ten minste één probleem. Ook hij is van mening dat de rechter euthanasie moet kunnen toetsen. Als de arts een verklaring van natuurlijk overlijden afgeeft, is deze toetsing achteraf niet gewaarborgd. Over de vraag hoe dat wel moet, is Enschedé niet duidelijk.

Gezien het standpunt van het Openbaar Ministerie en de relevante jurisprudentie kan een arts die bij euthanasie een verklaring van natuurlijk overlijden afgeeft er op dit moment op rekenen alleen daarom al bij ontdekking strafrechtelijk en eventueel ook tuchtrechtelijk vervolgd te zullen worden. Behalve de door Leenen genoemde rechtbank te Rotterdam (Medisch Contact 1986; 864 e.v.) hebben ook de rechtbank te Den Haag (Medisch Contact 1986; 925) en het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam (Medisch Contact 1986; 951 e.v.) uitgesproken dat het afgeven van een verklaring van natuurlijk overlijden bij euthanasie onjuist is.

Mr. W.R. Vroom-Kastelein
H.J.
C

's-Gravenhage, september 1986,

Volgens de wet moet de arts in de verklaring van overlijden verklaren ‘ervan overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden’. Dat kàn en màg hij uiteraard alleen, als hij ook inderdaad in gemoede, subjectief, naar weten en geweten van een natuurlijke doodsoorzaak overtuigd is. Géén vrijbriefje dus.

Volgens Mr.Vroom is er bij euthanasie geen sprake van een natuurlijke dood. Maar daarom gaat het niet. De vraag is of een arts die zijn patiënt op diens verzoek, met diens instemming, in diens belang heeft doen of laten sterven (men zegt dan: die op zijn patiënt euthanasie heeft toegepast), desondanks naar weten en geweten kan verklaren van een natuurlijke doodsoorzaak overtuigd te zijn. Zulke gevallen zijn er, daarover is iedereen het eens. Zo geven artsen – en dat wordt algemeen als vanzelfsprekend aanvaard – overlijdensverklaringen af, ook al hebben zij het leven van de patiënt desbewust verkort door een medisch geïndiceerde behandeling met pijnstillers. Dit is het onomstreden grensgeval van tal van andere gevallen waarin sinds jaar en dag de arts, al dan niet na overleg met de patiënt, met naaststaanden, desbewust zijn patiënt doet of laat sterven omdat hij dat in overeenstemming met een heersende dan wel als respectabel opgeld doende opvatting van de medisch-professionele standaard medisch geïndiceerd oordeelt.

Ik meen dus niet – gelijk Mr.Vroom beweert – ‘dat er bij euthanasie sprake is van een natuurlijke dood’; ik zeg slechts (net als Langemeijer, Mulder, Van Veen en vele bonafide artsen) dat de arts ook in geval van euthanasie van een natuurlijke doodsoorzaak overtuigd kan zijn. Want voor de arts is medisch handelen dat desbewust de dood heeft verhaast bij het afwegen of hij de verklaring naar weten en geweten mag afgeven, geen relevante doodsoorzaak.

Mr.Vroom betoogt dat artsen strafrechtelijk risico lopen, als ze na euthanasie de overlijdensverklaring afgeven. Zij beroept zich daarbij op ‘de huidige jurisprudentie’. Maar die jurisprudentie is er niet. Leenen wist slechts één rechtbankvonnis te noemen (1986; bl. 1577, rechter kolom, 3e alinea). Maar die zaak is nog niet uitgeprocedeerd; dat is geen jurisprudentie. Mr.Vroom noemt twee andere zaken, maar – daargelaten dat er één nog in beroep loopt – daarin zijn schuldigverklaringen wegens moord uitgesproken! Het verbaast me dat zij die erbij haalt; want vanzelfsprekend faalt in die zaken het beroep op de subjectieve overtuiging, omdat die strijdt met de openbare orde of de goede zeden. Er is immers in zo'n geval geen sprake van medisch handelen.

Mr.Vroom vraagt hoe de rechterlijke toetsing-achteraf van de thanasiehandelingen der medici kan worden gewaarborgd. Een probleem ten aanzien van de overlijdensverklaring is hier niet. Die verklaring strekt daartoe niet; zij is daartoe niet ontworpen noch bedoeld. Politie en justitie krijgen regelmatig zaken voor strafrechtelijk beraad aangereikt door verontrust verplegend en ander personeel, naaststaanden en anderen. Het strafrecht functioneert hier dus net als op andere gebieden van het rechtsleven: naar aanleiding van aangiften. Er is geen reden speciaal hier daar iets aan toe te voegen.

Ten slotte: Mr.Vroom betreurt het dat deze ‘toch zeer specialistisch-juridische discussie’ gevoerd wordt in dit geneeskundig tijdschrift. Ik betreur dat met haar. Op m'n uitvoerige artikel over de overlijdensverklaring in het Nederlands Juristen Blad van 22 juni 1985 bleef tegen m'n hoop en verwachting iedere reactie in dat blad uit. Slechts reageerden twee gezondheidsdeskundigen in de krant met een ongemotiveerd ‘nietes’; de een constateerde in de Volkskrant van 18 januari 1986 dat het buiten kijf staat dat je actieve euthanasie niet onder de noemer natuurlijke dood kunt brengen, en de ander zei in een andere krant dat dat zonneklaar is. Iets anders hebben wij ook nooit beweerd; wij betogen slechts dat medische euthanasie rechtens als doodsoorzaak niet relevant is. Daarop hebben Langemeijer, Mulder, Van Veen en ik de rechtspositie van de overlijdensverklaring nog eens korter in NRC/Handelsblad van 22 april 1986 onder de aandacht gebracht. Niemand reageerde.

Du choc des opinions jaillit la vérité: na dit doodzwijgen was ik wel gedwongen gastvrijheid te vragen aan dit tijdschrift. Ik ben daarom ook Mr.Vroom dankbaar voor haar reactie. Ten overvloede: ik besprak en bespreek slechts het geldende recht. Dat moet men kennen om te weten of het veranderd moet worden. Aan die kennis ontbreekt bij juristen en medici veel.

CH.J. Enschedé
F.L.
Meijler

Utrecht, augustus 1986,

Met belangstelling heb ik de artikelen van Enschedé en Leenen (1986; 1411-2 en 1430-1) gelezen. Ik wil mij in de juridische aspecten van de discussie tussen beide juristen niet mengen. Ik wil slechts (!) reageren op één zin in het artikel van Leenen. Hij schrijft: ‘Consequentie van een en ander is dat de stelling van Enschedé dat bij euthanasie een verklaring van natuurlijke dood mag worden ingevuld, niet opgaat.’ Mijn reactie hierop is, dat voor die gevallen waarin dit inderdaad niet opgaat, euthanasie strafbaar dient te blijven. Als zonder een thanatische handeling de natuurlijke dood niet binnen uren of dagen zou optreden, dan valt die handeling buiten het normale medische handelen; immers de patiënt wordt zonder concrete medische noodzaak gedood. Uit het feit tenslotte dat discussie over euthanasie een maatschappelijke discussie is geworden, kan niet worden geconcludeerd dat een oordeel over de geoorloofdheid van euthanasie geen zuiver medische zaak is. Een oordeel waarvoor kennis van de praktische geneeskunde noodzakelijk is. De arts blijft te allen tijde verantwoordelijk voor zijn medisch handelen. Euthanasie mag dus volgens Leenen een maatschappelijk probleem zijn, de toepassing ervan blijft een medische handeling waartoe de indicatie op grond van aantoonbare ziektekundige symptomen dient te worden gesteld. Andere criteria zijn voor en door niemand hard te maken, vandaar dat de argumenten van Enschedé zo moeilijk weerlegbaar blijken. Het deelnemen aan een discussie over euthanasie, resp. het bedenken van juridische gedragsregels is niet hetzelfde als verantwoordelijkheid dragen voor actieve levensbeëindiging. Dit was, is en blijft een medische zaak.

F.L. Meijler
H.T.P.
Cremers

Rotterdam, augustus 1986,

Professor Enschedé heeft de kwaliteit om zowel in het gesproken als in het geschreven woord heldere uiteenzettingen te geven (1986;1411-2). En als je dan ook nog mee kunt gaan met de betreffende filosofie is het helemaal goed. Ik had dan ook weer een 10+ willen geven, tot ik ontdekte dat het menselijke beperkt zijn ook voor hem geldt. Als de sneltrein van het denken op het goede spoor zit, is door laten lopen het beste, maar met het risico dat een zijspoortje onvoldoende aandacht krijgt. Het zijspoor van de begrippen ‘natuurlijk’ en ‘niet-natuurlijk’ had helemaal vermeden kunnen worden door de beschouwing van het doen van de lijkschouw door de (behandelend) arts zo te redigeren: ‘Lijkschouwing dient alleen het ontdekken (i.p.v. redden) van sporen van delicten. En, gelet op het doel van de ganse regeling, kan van justitiële interesse (i.p.v. niet-natuurlijke oorzaak) slechts sprake zijn in geval van een strafbare, criminele, misdadige oorzaak.’ Justitie schift namelijk alle niet-natuurlijke oorzaken naar wel of geen interesse.

H.T.P. Cremers
H.J.
C

's-Gravenhage, augustus 1986,

Alles kan altijd beter onder woorden worden gebracht. Toch: in dit geval blijf ik bij m'n tekst op bl. 1412, linker kolom, 2e alinea. Niet ‘ontdekken’ maar ‘redden’ is het juiste woord. Met een bloot-uitwendige, oppervlakkige, lijkschouwing ‘ontdek’ je soms wel sporen, maar soms krijg je niet meer dan een aarzeling of dat wel goed zit; ook dan moet er serieus naar sporen gezocht kunnen worden door lijkopening. Voorts: waar het om gaat is, dat ‘niet-natuurlijke doodsoorzaak’ een onvolkomen, onscherpe aanduiding is van strafbare, criminele, misdadige oorzaak.

Wat de filosofie betreft: daar kom ik niet aan toe. Ik bied slechts een theoretische belichting op basis van de geldende wetsteksten vanuit teleologisch perspectief.

CH.J. Enschedé