De correspondentie tussen Winkler en Von Monakow. 1. Persoonlijke aangelegenheden en visies
Open

Geschiedenis
23-12-2001
P.J. Koehler en C. Jagella

Cornelis Winkler (1855-1941) en Constantin von Monakow (1853-1930) worden in Nederland, respectievelijk Zwitserland, beschouwd als pioniers in de neurologie. Winkler was vanaf 1893 de eerste hoogleraar Psychiatrie en Neurologie in Utrecht, Von Monakow vanaf 1894 de eerste hoogleraar Neurologie in Zürich. Zij ontmoetten elkaar voor het eerst in Amsterdam in 1907. Sindsdien volgden nog vele ontmoetingen en hebben zij met elkaar gecorrespondeerd. De brieven (1908-1927) van Winkler aan Von Monakow worden in Zürich (Medizinhistorisches Institut) bewaard en vormen de voornaamste bron voor twee artikelen. In dit eerste artikel worden persoonlijke aangelegenheden en visies besproken: de vriendschappelijke relatie, de ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog, de persoonlijke strijd met betrekking tot de emancipatie van de neurologie in het begin van de 19e eeuw, Von Monakows manuscript van Vita Mea en tenslotte Von Monakows opvolging.

Zie ook het artikel op bl. 2474.

Cornelis Winkler (1855-1941) kan beschouwd worden als één van de belangrijkste Nederlandse zenuwartsen van het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Gelet op zijn speciale belangstelling voor de neuroanatomie en neurologie, kan hij daarnaast als één van de grondleggers van de Nederlandse neurologie worden gezien.1 Hij was een groot bewonderaar van Carl Wernicke (1848-1905) en Theodor Meynert (1833-1892), twee belangrijke aanhangers van de Duitse ‘hersenpsychiatrie’. Hij onderging mede daardoor een belangrijke invloed van de Duitstalige psychiatrie, waarin de neurologie als vanzelfsprekend was opgenomen.

Reeds in 1886 had Winkler, die een jaar tevoren benoemd was tot lector in de psychiatrie aan de universiteit van Utrecht, het plan opgevat om een andere door hem bewonderde zenuwarts, Constantin von Monakow (1853-1930), in Zürich te bezoeken. Hij werd echter naar Indië geroepen om daar tezamen met de patholoog-anatoom Cornelis Pekelharing (1848-1922) en de militair-arts Christiaan Eijkman (1858-1930) onderzoek te verrichten naar de oorzaak van beriberi. Het zou tot 1907 duren alvorens er een nieuwe kans kwam op een ontmoeting met Von Monakow: in dat jaar organiseerde Winkler met Gerard Antonius Maria van Wayenburg (1863-1926) en Johannes Karel August Wertheim Salomonson (1864-1922) in Amsterdam het internationale congres voor de neurologie, psychiatrie en het krankzinnigenwezen, en ontmoette daar enkele vooraanstaande neurowetenschappers, onder wie Von Monakow.

Tussen 1908 en 1927 hebben Winkler en Von Monakow met elkaar gecorrespondeerd. Enkele tientallen brieven van Winkler aan Von Monakow zijn bewaard gebleven in het Medizinhistorisches Institut van de universiteit van Zürich. Ondanks een lange zoektocht in Nederland is het niet gelukt de brieven van Von Monakow aan Winkler te vinden. Alleen in Winklers Herinneringen zijn brieffragmenten van Von Monakow terug te vinden.2 In het navolgende zal een aantal aspecten uit het werk en leven van Winkler en Von Monakow, zoals deze zich in de correspondentie uit de jaren 1908-1927 presenteren, worden besproken. In een tweede artikel zullen voornamelijk de aspecten die betrekking hebben op hun werk aan de orde komen.3

eerste decennia van de carrière van winkler

Om de relatie tussen Winkler en de Duitstalige psychiatrie (en neurologie) beter te kunnen begrijpen is het zinvol een korte biografische schets van de eerste decennia van de carrière van Winkler te presenteren. Nadat Winkler van 1879-1880 in het Zuidwal Ziekenhuis te Den Haag als chirurgisch assistent werkzaam was geweest, vestigde hij zich in Utrecht in de hoop daar meer wetenschappelijk werk te kunnen verrichten. Een aanbod van de fysioloog Franciscus Cornelis Donders (1818-1889) om lector in de psychiatrie te worden, sloeg hij af vanwege gebrek aan ervaring op dit gebied. De corticale prikkelingsexperimenten van Eduard Hitzig (1838-1907) en Gustav Fritsch (1838-1927) uit 1870 intrigeerden hem.4 In overleg met Pekelharing besloot hij de experimenten betreffende schorsprikkelbaarheid te herhalen en de gevolgen van partiële verwijdering van de hersenschors na te gaan. In de zomer van 1882 maakte hij een studiereis naar Wenen. Hij ontmoette er onder meer Julius Wagner von Jauregg (1857-1940), met wie hij bevriend raakte. Hij vertelde hem dat hij neurologisch werk wilde verrichten en daarom een lectoraat in de psychiatrie had afgeslagen, ‘omdat deze wetenschap mij nog te veel op philosophie en psychologie steunde’ (bl. 44).2 Wagner von Jauregg meende dat de psychiatrie van een fysiologisch en neurologisch standpunt uit kon worden onderwezen en raadde Winkler aan de psychiatrie en neurologie in één hand te krijgen en zo mogelijk beide te doceren. Nadat Winkler teruggekeerd was in Nederland, moest Pekelharing hier niet veel van weten, echter, een gesprek met Donders, aan wie hij Wagner von Jaureggs mening uiteenzette, had het gewenste effect. Op 4 mei 1885 werd Winkler lector in de psychiatrie, een functie die hij vijf jaar tevoren had afgeslagen. Vervolgens maakte hij een studiereis naar Baden, Heidelberg, Wenen en München; in de laatste stad had hij een belangrijke ontmoeting met de door hem zeer gerespecteerde Bernhard von Gudden (1824-1886), die hem uitvoerig adviseerde hoe hij zijn toekomstige functie als lector diende op te vatten en in te richten, vooral wat betreft de experimentele anatomie (bl. 49).2 Het wekt na dit alles geen verbazing dat de titel van zijn openingsrede als lector op 5 oktober 1885 luidde: ‘De psycho-pathologie als hersenpathologie te midden der klinische wetenschappen’.

In verband met het uitblijven van een klinische afdeling voor de psychiatrie en neurologie in Utrecht nam Winkler, die in 1893 hoogleraar Psychiatrie en Neurologie was geworden, in 1896 ontslag; korte tijd later werd hij benoemd tot hoogleraar Neurologie en Psychiatrie in Amsterdam. In deze hoedanigheid leerde hij Von Monakow in 1907 kennen.

persoonlijke aangelegenheden en gezondheid

Terwijl Winkler Von Monakow in de eerste brief uit 1908 nog aansprak met ‘Lieber College Von Monakow’, schreef hij in de tweede brief ‘Lieber Freund Monakow’ en in de daarna volgende correspondentie ‘Lieber Freund’. Over de eerste ontmoeting in 1907 tijdens het congres in Amsterdam schreef Winkler: ‘Tijdens het congres spraken Monakow en ik elkaar meerdere malen, en wij maakten van onzen vrijen tijd gebruik samen praeparaten te bekijken en over hersenanatomische onderwerpen van gedachten te wisselen. Uit deze ontmoeting is een groote vriendschap gegroeid, die tot aan Monakow's dood heeft voortbestaan’ (bl. 114).5

In de correspondentie treffen wij informatie aan over de beide families en wordt geïnformeerd naar de gezondheidstoestand van familieleden. Tevens kwamen de studieresultaten van de kinderen regelmatig ter sprake. Winkler heeft Von Monakow enkele malen in Zürich bezocht. In een brief van 13 februari 1914 bedankte hij Von Monakow voor de aangename tijd die hij in Zürich had doorgebracht, vooral tijdens de wandelingen. Later schreef Winkler over deze wandelingen en over het karakter van Von Monakow: ‘Eén van zijn meest kenmerkende karaktertrekken was wel zijn zin voor orde en regelmaat. Daardoor kwam hij wel eens in conflict met zijn omgeving, want een eenmaal voorgenomen dagverdeeling of levenswijze te veranderen viel hem uiterst moeilijk . . . Zijn wil was steeds wet, zelfs op onze gezamenlijke wandelingen door de bergen moesten wij dat meermalen ondervinden’ (figuur 1) (bl. 125).5

Winkler beklaagde zich soms over Von Monakows handschrift, dat voor hem moeilijk leesbaar was. ‘In tegenstelling met deze eigenschap Von Monakows karaktertrekken als orde, regelmaat et cetera stond min of meer zijn bijna onleesbaar handschrift’ (bl. 126).5 In de brief van 13 februari 1914 schreef Winkler dat hij die middag was begonnen met de lezing van Von Monakows levenswerk en dat hij ervan genoten had. Hij prees Von Monakows zelfkritiek en sprak zijn bewondering over het boek uit, waarbij hij hem vergeleek met belangrijke artsen als Von Gudden, Meynert en Trousseau. Winkler doelde op het boek Die Lokalisation im Grosshirn und der Abbau der Funktion durch kortikale Herde, waarschijnlijk Von Monakows belangrijkste boek, waarin hij in 1033 bladzijden, gebaseerd op wetenschappelijke gegevens, zijn opvattingen geeft over de lokalisatieleer en de diaschisis (een verklaringsmodel voor het verschil tussen acute verschijnselen en restverschijnselen bij laesies van het centrale zenuwstelsel) en deze verbindt met de evolutiegedachte.6

In een andere brief bedankte Winkler Von Monakow, zijn vrouw en kinderen voor het gastvrije onthaal dat hij bij hen ondervond. Uit de brief blijkt bovendien nog eens dat de verblijven in Zürich niet alleen voor het plezier waren, immers, zij brachten veel tijd door in het laboratorium en voerden gesprekken over neuroanatomische onderwerpen (brief van 13 januari 1927). Dikwijls schreef Winkler over zijn eigen of Von Monakows gezondheidstoestand. Hij informeerde naar het verloop van zijn pneumonie en verzekerde Von Monakow van het feit dat deze nog geen symptomen van ‘seniliteit’ vertoonde, gelet op diens grote arbeidslust (brief van 28 augustus 1918). Zelf bleef Winkler schijnbaar nog lang in goede conditie. Hij voelde zich fris en hield nog regelmatig lezingen, zoals over de paralysis agitans voor zijn vroegere leerling Bernard Brouwer (1881-1949), die in 1923 de eerste hoogleraar Neurologie in Amsterdam was geworden (brief van 22 mei 1927). Enkele maanden later sprak Winkler zijn spijt uit dat hij niet naar Zürich kon komen, ondanks het feit dat men voor ƒ 60,- in 3,5 uur van Rotterdam naar Bazel kon vliegen. Hij was inmiddels 72 jaar oud (brief van 13 juli 1927).

de eerste wereldoorlog

Zowel Winkler als Von Monakow heeft onder de Eerste Wereldoorlog geleden, ook al waren zij er niet rechtstreeks bij betrokken. Zij schreven elkaar over verschillende aspecten van de oorlog en Winkler opperde de gedachte dat wetenschappers, van wie men geen chauvinisme zou mogen verwachten, wellicht een daad zouden moeten stellen vanwege de bedreiging door oorlog van de cultuur (brief van 15 november 1914). Winkler beschreef en becommentarieerde de internationale situatie, de houding van Nederland ten opzichte van Frankrijk en Engeland en ‘de fouten van de Belgische regering’ die passage van Duitse troepen naar Frankrijk weigerde. Interessant daarbij is de opmerking in een bijzin: ‘. . . men beschouwt mij hier als zeer pro-Duits, ofschoon ik in feite niets anders ben dan pro-Holland; echter de rol van de Engelsen bewonder ik niet erg . . .’ (brief van 15 november 1914). In de brief van 22 december 1917 uitte Winkler zich duidelijker als ‘Anti-Engländer’. Enerzijds zal zijn mening ingegeven zijn door de houding die Engeland tijdens het conflict innam, anderzijds was Winkler door zijn wetenschappelijke contacten sterk op Duitsland en Oostenrijk gericht.3

Tussen november 1914 en mei 1917 is een aantal brieven niet aangekomen. Winkler klaagde over het feit dat zijn assistenten in militaire dienst zijn: ‘Zij komen 's morgens rond 11 uur terug van de inspectie, vertrekken rond twee uur weer voor controle en ik verricht al het werk.’ Door de oorlog loopt het project voor de hersenatlas vast. Ook aan andere middelen ontbreekt het Winkler. Men stookt hout en brandt kaarsen, het brood gaat op de bon, melk en boter zijn er nog wel. Hij becommentarieerde de Duitse duikbootacties en concludeerde dat zaken zoals cultuur (zoals hij in de genoemde brief uit 1914 nog optimistisch betoogde), volkenrecht, pacificatie en arbitrage geen rol meer spelen (7 mei 1917). Von Monakow en Winkler waren niet optimistisch over een spoedige beëindiging van de oorlog (3 september 1917). Toch probeerde Winkler Von Monakow moed in te spreken. Winkler verheugde zich kennelijk op zijn 25-jarige jubileum als hoogleraar (1918), ook al was hij eigenlijk tegen een viering hiervan (brief van 22 december 1917) (figuur 2).

Terwijl Winkler vooral de praktische bezwaren van de oorlog ondervond, heeft deze Von Monakow zeer aangegrepen. Zijn interesse voor de neuroanatomie verdween naar de achtergrond (bl. 261).7 Hij trok zich gedurende geruime tijd terug in de bergen en schreef het boek Gefühl, Gesittung und Gehirn. Voortaan zou zijn belangstelling vooral uitgaan naar de studie van de biologie van het menselijk gedrag. ‘De diaschisis die door de oorlog wordt veroorzaakt zal toch uiteindelijk ook overwonnen moeten worden’, zo stelde hij, gebruikmakend van zijn eigen fysiologische terminologie.3 8 Na deze periode bewogen zijn ideeën over de neurowetenschappen zich geleidelijk meer in holistische richting, in tegenstelling tot het meer mechanistische lokalisatieconcept zoals dat in de tweede helft van de 19e en het begin van de 20e eeuw heerste.9 10

winklers en von monakows strijd voor de emancipatie van de neurologie

Zowel in Nederland (analoog aan de situatie in de Duitstalige landen) als in Zwitserland is de leerstoel Neurologie niet zonder slag of stoot ontstaan. In 1894 werd de buitengewone leerstoel Neurologie in Zürich voor Von Monakow opgericht, zeer tegen de wil van onder meer de internist Hermann Ludwig Eichhorst (1849-1921). In Nederland was na langdurig aandringen een leerstoel Psychiatrie (Utrecht, 1893) opgericht voor Winkler, die de neurologie hierbij als inherente leeropdracht betrok. Terwijl hij in Utrecht moest strijden om een kliniek te krijgen, voelde hij zich in Amsterdam, waar hij een kliniek voor psychiatrie en een voor neurologie had, bedreigd door de interne geneeskunde (brief van 15 november 1914).

Na het overlijden van Karl Heilbronner (1869-1914; leerling van Carl Wernicke), die tot zijn overlijden de leerstoel Psychiatrie en Neurologie in Utrecht bekleedde, keerde Winkler in 1916 terug naar Utrecht, waar hij in een ‘der best ingerichte klinieken voor psychiatrie en neurologie van Europa’ zou gaan werken (bl. 140).5 Een onafhankelijke leerstoel Neurologie ontstond pas in 1923 (Amsterdam), een jaar na het overlijden van Wertheim Salomonson, die vanaf 1899 de buitengewone leerstoel Neurologie en Elektrotherapie (vanaf 1900 tevens Radiologie) had bekleed. Winkler ging in de correspondentie onder meer in op de strijd die destijds bij de faculteit in Zürich woedde met betrekking tot het instellen van de leerstoel Neurologie in 1894 en constateerde dat Von Monakow tegen de verdrukking in groot was geworden (brief van 19 juni 1927). Nadat hij zich in Utrecht tussen 1885 en 1896 had ingespannen om een psychiatrisch-neurologische kliniek te realiseren, had hij zich in Amsterdam moeten weren tegen de interne geneeskunde. Terug in Utrecht maakte Winkler zich wederom zorgen. In Den Haag (in aanwezigheid van de koningin-moeder) sprak Winkler over de betekenis van het klinische onderwijs. Hij maakte zich vooral zorgen over wat er na zijn pensionering in 1925 zou gebeuren (brief van 25 december 1923). Uiteindelijk werd Leendert Bouman (1869-1936), hoogleraar Theoretische Biologie, Neurologie en Psychiatrie aan de Vrije Universiteit, benoemd tot zijn opvolger. Winkler had echter de voorkeur aan Christiaan Theodoor van Valkenburg (1872-1962) gegeven, omdat diens opvattingen meer overeenkwamen met zijn eigen ideeën en hij leerling was geweest bij Von Monakow, terwijl Bouman ‘zoowel op psychiatrisch als op neurologisch gebied een geheel andere richting was toegedaan . . . Hersenanatomisch was hij niet geschoold . . .’ (bl. 156).5

Over de opvolging van Von Monakow twee jaar later zijn in Winklers Herinneringen enkele fragmenten terug te vinden van de brieven van Von Monakow. Het ‘Dekanat’ van de medische faculteit te Zürich had Winkler verzocht om in verband met het aftreden van Von Monakow over een aantal geleerden die voor de opvolging in aanmerking kwamen, zijn mening te geven. Van Valkenburg stond als tweede op de voordracht en Von Monakow en Winkler probeerden hem als opvolger benoemd te krijgen. In 1927 schreef Von Monakow aan Winkler dat Van Valkenburg een goede kans maakte. Von Monakow maakte zich zorgen over het voortbestaan van Belmont, de villa waar hij in 1913 na een lange strijd zijn herseninstituut had kunnen vestigen. Op 19 juni 1927 verzocht hij Winkler zo spoedig mogelijk naar Zürich te komen teneinde persoonlijke, wetenschappelijke en organisatorische zaken te bespreken. Het ging, aldus Von Monakow, wederom om de oude strijd voor de zelfstandigheid van de neurologie. Hij hoopte dat Winkler door zijn komst zou kunnen bijdragen aan het behoud ervan in Zürich (bl. 161-2).5

In september 1928 schreef Von Monakow dat zijn leerling Mieczyslaw Minkowski (1884-1972) zijn opvolger was geworden, waarmee het voortbestaan van zijn herseninstituut verzekerd was. Terwijl er zowel in Utrecht als in Zürich sprake van was geweest, heeft Van Valkenburg uiteindelijk nimmer een leerstoel bekleed.

von monakows manuscript van vita mea

In de laatste jaren voor zijn dood heeft Von Monakow een autobiografie geschreven, die pas in 1970 door de medisch historicus Erwin Ackerknecht en Alfred Gubser werd geredigeerd.7 In het boek vindt men Von Monakows levensloop en zijn visie op de gebeurtenissen. Met betrekking tot zijn relatie met Nederland is de periode 1905-1910 interessant. In die tijd trok Von Monakow evenals in voorgaande jaren een groot aantal buitenlandse leerlingen aan, maar, zo schreef hij, de kwaliteit was in die periode aanzienlijk beter, waarbij hij Nederlandse assistenten noemde, zoals Van Valkenburg, Brouwer, Kuiper en De Vries, en de Japanner Fuse (bl. 235).7 In 1927 werkte Von Monakow nog aan het manuscript van zijn autobiografie en vroeg hij Winkler om zijn mening. In de brief van 4 juni 1927 schreef Winkler dat hij het manuscript ontvangen had en dat het hem bijzonder interesseerde. Hij zou het van kritische kanttekeningen voorzien en raadde Von Monakow aan bepaalde passages te schrappen, bijvoorbeeld de vermelding dat bepaalde collega's ‘neurotisch’ waren of ‘lijders aan tabes en nefritis’. Dat zou voor de nabestaanden niet aangenaam zijn. Naar aanleiding van een opmerking door Von Monakow over een hem bekende vorst, schreef Winkler dat hij vier- of vijfmaal aan de koningin was voorgesteld, waarbij zij hem telkens had gevraagd hoe lang de zomervakanties duurden. Hij vertelde dat zij populair was en dat het niet eenvoudig voor haar was tegen iedereen iets verstandigs te moeten zeggen (brief van 19 juni 1927).

In de correspondentie schreef Winkler dat zij beiden tot dezelfde eindconclusie in hun leven kwamen, namelijk dat mensen overal hetzelfde zijn. Winkler stelde dat de discussies in de Nederlandse studentenverenigingen hetzelfde zijn als in de faculteit, de senaat, de academie en de staatscommissies. ‘Dezelfde denkfouten, dezelfde intriges, dezelfde egocentrische bezwaren tegen de voorstanders van een idee komt men overal tegen. Maar laat ik niet te pessimistisch zijn’ (brief van 19 juni 1927). Wellicht roerde Winkler hier een belangrijk verschil tussen hen beiden aan. Winkler besloot zijn opmerkingen over het manuscript van het boek met de opmerking dat hij nu pas goed begreep hoe zwaar Von Monakows leven geweest moest zijn (brief van 19 juni 1927). Hij zal hiermee onder meer de moeilijke beginperiode op het oog gehad hebben: een emigratie (in Rusland geboren had Von Monakow reeds op jonge leeftijd zijn moeder verloren; in 1863 had hij zijn vaderland verlaten), de breuk met zijn vader (omdat hij tegen diens wil geneeskunde studeerde) en taalmoeilijkheden. Een vergelijking dringt zich na het lezen van deze brief op. Terwijl Von Monakow zijn autobiografische werk Vita mea aan het eind van de jaren twintig schreef, deed Winkler dit tussen zijn 70e en 80e jaar (1925-1935). Werd hij geïnspireerd door het manuscript van Von Monakow?

In november 1929 vond de laatste ontmoeting plaats. Kort daarna stierf Von Monakows vrouw en in 1930 hijzelf. ‘Ik miste in hem een trouw vriend en de dikwijls vruchtbare gedachtenwisseling met hem heeft zeker stimuleerend op mijn arbeid gewerkt’ (bl. 163).5 Winkler bleef nog enkele jaren actief in de neuroanatomie. Zijn opvolger Bouman stelde hem een werkkamer in de kliniek ter beschikking.

Het wetenschappelijk onderzoek heeft Winkler en Von Monakow, twee verschillende persoonlijkheden, bij elkaar gebracht en geleidelijk ontstond een bijzondere vriendschap. Zoals uit de correspondentie blijkt, hadden zij een groot respect voor elkaar (figuur 3). Ondanks het feit dat Nederland en Zwitserland niet direct bij de Eerste Wereldoorlog betrokken waren, was deze voor beiden van grote invloed. Zoals uit het werk af te leiden, gold dit meer voor Von Monakow dan voor Winkler. Beide zenuwartsen moesten strijden voor de emancipatie van de neurologie, waardoor de band tussen beiden vermoedelijk alleen maar sterker is geworden.

Literatuur

  1. Koehler PJ, Bruyn GW, Moffie D. A century of Dutchneurology. Clin Neurol Neurosurg 1998;100:241-53.

  2. Winkler C von. Herinneringen van Cornelis Winkler1855-1941. Utrecht: Bohn Scheltema & Holkema; 1982.

  3. Koehler PJ, Jagella C. De correspondentie tussen Winkleren Von Monakow. 2. Ontwikkelingen in de psychiatrie en neurologie(1900-1930). Ned Tijdschr Geneeskd2001;145:2474-8.

  4. Gijn J van, Koehler PJ. Eenheid of mozaïek? Deontwikkeling van het denken over plaatsgebondenheid van lichaamsfuncties inde hersenen. Ned Tijdschr Geneeskd1996;140:2564-9.

  5. Winkler C. Herinneringen van Cornelis Winkler 1855-1941.Utrecht: Bohn Scheltema & Holkema; 1947.

  6. Monakow C von. Die Lokalisation im Grosshirn und der Abbauder Funktion durch kortikale Herde. Wiesbaden: Bergmann; 1914.

  7. Monakow C von. Vita mea. Mein Leben. Herausgegeben vonA.W. Gubser und E.H.Ackerknecht. Bern: Huber; 1970.

  8. Jagella C, Isler H, Hess K. 100 Jahre Neurologie an derUniversität Zürich 1894 bis 1994. Constantin Von Monakow (1853 bis1930) Hirnforscher, Neurologe, Psychiater, Denker. Schweiz Arch NeurolPsychiatr 1994;145(Suppl 1):42.

  9. Harrington A. Reenchanted science. Holism in Germanspeaking countries. New Jersey: Princeton University Press; 1996.

  10. Ash M. Gestalt Psychology in German culture 1890-1967.Holism and the quest for objectivity. New York: Cambridge University Press;1996.