De behandeling van migraine in Nederland in het begin van de 20e eeuw
Open

Geschiedenis
09-09-1998
P.J. Koehler en G.W. Bruyn

- De behandeling van migraine in Nederland onderging in het begin van de 20e eeuw belangrijke veranderingen. Een aantal factoren speelde hierbij een rol, zoals de ontwikkeling van analgetica (acetylsalicylzuur, fenacetine en fampridine) aan het einde van de 19e eeuw. De introductie in 1912 van fenobarbital voor de behandeling van epilepsie leidde, wegens de veronderstelde overeenkomsten tussen migraine en epilepsie, tot het gebruik ervan voor de profylaxe van migraine (in Nederland vanaf 1921).

- Alhoewel ergotamine reeds aan het einde van de 19e eeuw enkele malen werd gemeld als middel voor de behandeling van hoofdpijn, en het in de jaren twintig opnieuw hiervoor werd aanbevolen, verscheen het in Nederland pas vanaf het einde van de jaren dertig in de literatuur. Uit buitenlands onderzoek bleek dat dit middel een vaatvernauwend effect had bij migraine, waardoor de vermoedelijk vasculaire genese ervan opnieuw werd bevestigd. Dit is opvallend aangezien jarenlang gedacht was dat juist vaatverwijdende middelen dienden te worden voorgeschreven.

- De niet-medicamenteuze behandeling bleef voor een groot deel zoals voorheen, namelijk het voorschrijven van leefregels. De relatie tussen migraine en anafylaxie, gebaseerd op onderzoek uit de Franse school, werd ook in Nederland gelegd en gaf aanleiding tot het voorschrijven van bepaalde diëten voor immunisering voor de betreffende eiwitten.

‘Un ami migraineux n’est pas un

bienfait du ciel'

‘Een vriend met migraine is geen

geschenk uit de hemel’1

In 1994 beschreven wij in dit tijdschrift de medische geschiedenis van hoofdpijn en migraine in Nederland, waarbij de periode van de 16e tot en met de 19e eeuw centraal stond.2 Er bleken in die periode in ons land geen opzienbarende theorieën over hoofdpijn te zijn gepubliceerd; veelal ging het om weerspiegelingen van contemporaine medische leersystemen.

Stond in de voorgaande periode vooral symptomatische hoofdpijn in de belangstelling, in de 19e eeuw begonnen pathogenetische ideeën over migraine meer vorm te krijgen. Daarvoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. In de eerste plaats ontstonden de zogenaamde neurale theorieën vanuit de belangstelling voor het fenomeen van de migraine-aura, die zeer nauwkeurig werden beschreven door astronomen en fysici die zelf dergelijke klachten hadden en beroepshalve een bijzondere belangstelling hiervoor hadden.3 De neurale theorieën vonden voorts hun oorsprong in de gelijkenis van migraine met epilepsie.45 In de tweede plaats ontstond het vasculaire verklaringsmodel door de toegenomen kennis over de vasomotoriek, alhoewel ook voordien wel in die richting werd gedacht.6 Er waren ook nog andere theorieën, die in het boek van de Pool Edward Flatau zijn samengevat.7 Dit werk en de boeken van Liveing en Thomas waren belangrijke literatuurbronnen voor Nederlandse zenuwartsen in het begin van deze eeuw.5 8

In dit artikel gaan wij in op de behandeling van migraine en hoofdpijn, zoals deze in het begin van de 20e eeuw door zenuwartsen in de Nederlandse literatuur werd beschreven.

migraine en voeding

De reeds in de 19e eeuw geopperde pathogenetische modellen werden ook in Nederland overgenomen. Een interessant artikel is dat van de maag-darmarts H.A. Lubbers, die migraine vergeleek met astma, urticaria en epilepsie.9 Hij beschouwde migraine, in navolging van Fernand Widal (1862-1929; uitvinder van onder meer een diagnostische test voor tyfus), als een anafylactisch verschijnsel, optredend na het gebruik van bepaalde eiwitten. Hij constateerde veranderingen in het bloedbeeld na het nuttigen van eiwitrijke producten, zoals bonen. Het spreekwoordelijke ‘in de bonen zijn’, afkomstig van een oud volksgeloof, waarbij sommige mensen bedwelmd zouden kunnen raken als zij in het voorjaar in bloeiende bonenvelden lopen, heeft hiermee te maken, aldus Lubbers. De 17e-eeuwse Dordrechtse geneesheer Van Beverwijck (1594-1647) vermeldde dit reeds. (‘De Boonen bloeyen, ofte Hy is in de Boonen. Want in ’t voor-jaer, als de Boonen beginnen te bloeyen . . . soo raken de Sinnen op den loop.')10 Het is ook al te vinden in het Kruijdboeck van Dodonaeus (1554). De behandeling van dergelijke migrainepatiënten zou volgens Lubbers moeten bestaan uit een dieet of het tevoren toedienen van ‘pepton’, een mengsel van eiwitten, waarbij er één bij zou zitten dat tot immunisering leidt. Hij raadde echter aan niet bij iedere migrainepatiënt pepton voor te schrijven, maar eerst verder te onderzoeken of er een specifieke gevoeligheid voor een bepaald eiwit bestond, om te voorkomen dat ‘ook het pepton door den spot van liedjeszangers wordt getroffen’. Lubbers' onderzoeksbevindingen werden in 1924 bevestigd door Boom.11 Storm van Leeuwen beschouwde migraine eveneens als een allergische aandoening en adviseerde een tuberculinekuur.12

migraine, vasculaire pathogenese en constitutie

Een goed overzicht van de ideeën die in Nederland ten aanzien van de pathogenese en de therapie van migraine leefden, geeft de dissertatie van Van der Does de Willebois, die in 1932 op dit onderwerp promoveerde bij L.Bouman, hoogleraar Psychiatrie en Neurologie in Utrecht.1 Hij gaf hierin onder meer een opsomming van de in die tijd vigerende etiologische theorieën (tabel 1). Hij hechtte veel waarde aan constitutionele factoren en kende een belangrijke rol toe aan vaatwandveranderingen, die op hun beurt weer afhankelijk zouden zijn van centrale stoornissen in de stofwisselingsregulatie. Hij sprak van ‘een minderwaardigen aanleg van het meso-diencephalon’. Hij maakte onderscheid tussen genuïne en symptomatische migraine (zoals bij lues cerebri, tabes, multiple sclerose).1

Bouman13 refereerde aan de vasculaire hypothese in het werk van Du Bois Reymond (die migraine benoemde als ‘hemicrania sympathicotonica’) en Möllendorff (die sprak van ‘hemicrania sympathicolytica’).6 Hij wees ook op de vaak erfelijke ‘vegetatieve aanleg’ van migrainepatiënten en op de ‘neuropathische trekken’. Er zou sprake zijn van een constitutioneel minderwaardige aanleg. Deze veronderstelling was sinds het einde van de 19e eeuw bij zenuwziekten, bijvoorbeeld bij hysterie,14 zeer actueel en leidde tot een hereditair determinisme. Bouman verwees onder meer naar de publicatie van Cornelia de Lange, die in 1927 bij een patiënt met oftalmoplegische migraine een hypoplasie in het gebied van de oculomotoriuskernen had gevonden.15

behandeling

Bij Aretaeus (1e eeuw na Christus) zijn reeds niet-medicamenteuze behandelingsmethoden voor migraine te vinden, zoals dieet en water drinken. In de eeuwen daarna komen wij diverse maatregelen tegen zoals gymnastische oefeningen, onthouding van geestelijke arbeid, cauterisatie, bloedzuigers ter plaatse van de A. temporalis, faradisatie en galvanisatie van de truncus sympatheticus, hypnose en massage. Van Dissel beschreef in 1899 de massagetherapie als symptomatische behandeling bij cephalea en migraine.16 Van der Does de Willebois noemde bij de niet-medicamenteuze behandeling verandering van leefwijze, dieetmaatregelen - zonder te preciseren welke - en het besteden van aandacht aan klimaatinvloeden.1 Hij wees bovendien op het belang van psychotherapie, omdat ‘de vegetatieve labiliteit van de migraineconstitutie in vele gevallen door psychische invloeden pleegt apert te worden’. Bouman noemde bij de profylaxe naast dieet, waarbij bepaalde voedingsmiddelen vermeden dienden te worden, een regelmatig ‘hygiënisch’ leven, het vermijden van hete ruimten en ‘localen met bedorven lucht’.14

In tabel 2 staan middelen die voor de behandeling van migraine werden gebruikt in Nederland aan het begin van de 20e eeuw. Van belang voor de medicamenteuze behandeling van migraine was de introductie van fenobarbital voor de behandeling van epilepsie in 1912.17 In 1921 prees de Haagse zenuwarts Van Schelven het middel aan voor de profylactische behandeling van migraine.18 De oorsprong van deze behandeling ligt in de overeenkomsten tussen epilepsie en migraine. Reeds in de jaren vijftig van de 19e eeuw waren Britse artsen, onder anderen Sir Charles Locock en Wilkins, begonnen broompreparaten toe te passen bij epilepsie en later ook bij migraine.19 Van Schelven schreef dat hij, vanwege de overeenkomsten met epilepsie, waarover in de literatuur reeds lang discussie gaande was, zelf op het idee was gekomen om het middel toe te passen en illustreerde de werking met enkele casussen. De behandeling van migraine met anti-epileptica, zoals nu weer met valproïnezuur,2021 is dus al bijna 140 jaar oud. De Haagse zenuwarts Bolten beschouwde migraine als een syndroom met dezelfde oorzaken en pathogenese als epilepsie en behandelde sommigen van zijn patiënten met een rectaal toegediend thyreoïdextract.22

Van Braam Houckgeest schreef over de ‘status hemicrania’ (‘status migrainosus’),23 die hij behandelde met de gangbare middelen zoals acetylsalicylzuur, fampridine, coffeïne, broom, fenobarbital en morfine, waarna geleidelijk verbetering ontstond. Nadat hij in Lewandowsky's bekende handboek een hoofdstuk over migraine had gelezen van de hand van Flatau,24 opperde hij ‘hemicrania continua’ als alternatieve diagnose. In het hoofdstuk over migraine in één der eerste leerboeken over neurologie adviseerde Bouman absolute rust in het donker met een koude compres op het hoofd. Als aanvalsbehandeling raadde hij antineuralgica aan ‘in niet te kleine doses (antipyrine, aspirine, trigemine combinatie van butylchloralhydraat en pyramidon, phenacitine, migrainine combinatie van antipyrine, coffeïne en citroenzuur, aminopyrine fampridine)’. Hij waarschuwde tegen morfine-injecties. Hij zag ‘in sommige gevallen succes door groote hoeveelheden lauwwarm water met bicarbonas natricus te laten drinken’.14 Voor de profylaxe zou natriumbromide gedurende 6 tot 8 weken nuttig kunnen zijn. In navolging van Oppenheim kon acidum arsenicum worden toegepast. Tenslotte meldde hij het gebruik van fenobarbital.12

Gans, lector in de neurologie in Leiden, baseerde het hoofdstuk over migraine in zijn Leerboek voor neurologie25 grotendeels op het 2 jaar tevoren verschenen proefschrift van Van der Does de Willebois.1 Als aanvalsbehandeling adviseerde hij antineuralgica in hoge dosering, eventueel gecombineerd met coffeïne, en als vaatverwijdende middelen beval hij acetylcholine en ‘moloïd’ (nitriet) aan. ‘Een kuur met dit laatste middel zou de aanvallen voor goed kunnen doen verdwijnen.’ Tenslotte merkte hij op dat een injectie met ‘impletol’, een mengsel van procaïne, thiamine en epinefrine, ‘den aanval binnen enkele minuten kon onderdrukken . . .’. Voor de profylaxe adviseerde hij behalve een leefregel en dieet, de arsenicumkuur, die ‘van groot nut kan zijn’, en fenobarbital in een dosering van 3 maal daags 50 mg, eventueel in combinatie met calciumpreparaten.

Tegen het overmatig gebruik van hoofdpijnpoeders en -tabletten waarschuwde Schuurmans Stekhoven in een populair geneeskundige beschouwing over hoofdpijn. Hij schreef tien geboden voor ‘aspirinisten’, die hij ook ooit in de Nieuwe Rotterdamse Courant had gepubliceerd. Zo zou voor maag- en hartpatiënten acetylsalicylzuur nadelig zijn en waarschuwde hij voor de dure buitenlandse acetylsalicylzuurtabletten. ‘Zoodoende benadeelt men èn zich zelf èn de Nederlandsche pharmaceutische industrie èn den Nederlandschen apotheker (want bij den drogist behoort men geen geneesmiddelen te halen, zelfs geen aspirine).’26 In een verslag van de Amsterdamsche Neurologen Vereniging lezen wij nog over de profylactische behandeling van migraine met een zoutloos dieet en aanvalsbehandeling met ‘phenacetine’.27

Van der Does de Willebois wees bij de behandeling van migraine in de eerste plaats op fenobarbital, ‘het hersenstammiddel, dat bovendien vaatverwijdende werking heeft’,1 refererend aan het artikel van Van Schelven.19 Combinatie met papaverine gaf dikwijls een gunstiger resultaat. Om ‘den algemeenen toestand te verbeteren’ wanneer er sprake was van een asthenische constitutie, die een belangrijke rol zou spelen bij migraine, adviseerde hij de toevoeging van roborerende middelen, in het bijzonder arsenicum, onder verwijzing naar het Lehrbuch der Nervenkrankheiten van de Berlijnse neuroloog Hermann Oppenheim (1858-1919). Ook van een geringe dosering strychnine werd soms ‘merkwaardigerwijze . . . een verrassend gunstig resultaat’ gezien. In verband met de veronderstelde veranderingen van de vaatwand bij migraine werd het reeds eerder genoemde ‘moloïd’ geadviseerd: ‘een praeparaat van gecombineerde nitroverbindingen’. Van endocriene preparaten zag de auteur zelden een overtuigend resultaat.1 Van het pepton vermeldde hij dat dit soms resultaat gaf, maar ‘dat naast de allergische blijkbaar nog andere pathogenetische invloeden werkzaam zijn’.

Van Valkenburg tenslotte schreef in 1939 een overzichtsartikel over de behandeling van migraine. ‘Men is het er over eens, dat aan de migraine een vaatkramp binnen den schedel ten grondslag ligt. De pijn zou een rechtstreeksche vaatwandpijn zijn, . . .’ Om die reden adviseerde hij ‘krampverminderaars’. Hij was één der eersten in Nederland die melding maakten van het gunstige effect van gynergeen, een ergotaminepreparaat, bij de profylaxe, maar ook ter behandeling van een aanval. Een jaar eerder had de Groningse hoogleraar Psychiatrie en Neurologie Van der Scheer het effect van ergotaminetartraat bij migraine benadrukt. Hij stelde dat: ‘. . . in ongeveer 90 pCt. der gevallen de migraineaanval door gynergeen kan worden afgebroken en mijn eigen ervaringen in dezelfde richting gaan . . . Kan de aanval worden afgebroken door het inspuiten van 1/2 tot 1 cM3 gynergeen, dan pleit dit krachtig voor de diagnose’.28 Van Valkenburg meende dat fenobarbital, gecombineerd met coffeïne en eventueel met papaverine, toch nog het beste resultaat gaf, en de broomtherapie vrijwel had verdrongen. Verhoging van de weerstand door middel van strychnine en arsenicum werd ook in 1939 nog aanbevolen. Opmerkelijk in dit artikel is dat de in verband met de hormonale invloeden ‘hier en daar toegepaste Röntgenbestraling der hypophyse’ meestal niet werkte.29

Het is opvallend dat wij de behandeling met ergotamine in de Nederlandse medische literatuur van deze periode pas zo laat (1938) tegenkomen.28 Het werd vanaf de 16e eeuw, en mogelijk al eerder, toegepast in de obstetrie. Aan het einde van de 19e eeuw werd het soms voor hoofdpijn aanbevolen.30 Na een tweetal meldingen van het gebruik ervan in de jaren negentig van de vorige eeuw, werd het pas weer in 1925 beschreven, nadat in 1918 de pure kristallijne ergot-alkaloïde (ergotamine) geïsoleerd was door Stoll. Maier berichtte in 1926 over de gunstige resultaten bij diverse ‘sympathicotonische’ aandoeningen, waaronder migraine.31 Uiteindelijk toonden Harold Wolff en John Graham in 1938 het vasoconstrictieve effect van ergotamine aan, waarmee tevens de tot dan toe hypothetische vasculaire pathogenese van migraine was bewezen.3233

conclusie

Lubbers' artikel over migraine en anafylaxie, een pathogenetisch model dat afkomstig was van de Franse school, gaf een extra impuls aan de theorie dat migraine te maken heeft met voedingsmiddelen en droeg daarmee bij tot de reeds lang bestaande traditie van zoeken naar provocerende factoren in het dieet. Het 19e-eeuwse concept van de constitutionele minderwaardigheid van bepaalde hersenkernen speelde een belangrijke rol in het pathogenetisch denken. De behandeling van migraine maakte in het begin van deze eeuw een belangrijke verandering door met de komst van nieuwe middelen voor zowel de aanvalsbehandeling als de profylaxe. Kort tevoren geïntroduceerde ‘antineuralgica’ zoals acetylsalicylzuur (1899), fenacetine (1887) en fampridine (1896) werden dikwijls voorgeschreven. Omdat een vasculaire pathogenese werd vermoed, werden vaatverwijders zoals acetylcholine en ‘moloïd’ geadviseerd. Opvallend is dat Wolff en Graham in 1938 juist het gunstige effect van vasoconstrictie door ergotamine bij migraine aantoonden. Pas in 1938 treffen wij in Nederland vermelding van de toepassing van ergotamine aan. De overeenkomsten tussen migraine en epilepsie leidden tot het gebruik van fenobarbital voor de profylactische behandeling van migraine, nadat reeds sinds de vorige eeuw broom hiervoor gebruikt werd. Opvallend is het gebruik van zogenaamde roborerende middelen zoals arsenicum en strychnine.

Wij concluderen dat de belangstelling voor migraine, afgemeten aan het aantal wetenschappelijke artikelen, in deze periode niet bijzonder groot was. Pas vanaf de jaren zestig zou het onderzoek naar migraine in Nederland goed op gang komen.

Wij danken J.Branje, apotheker, voor zijn hulp bij het totstandkomen van dit artikel.

Literatuur

  1. Does de Willebois JJM van der. Over migraine, in hetbijzonder over hemicrania psychica proefschrift. Utrecht: Kemink,1932.

  2. Koehler PJ, Bruyn GW. Medische inzichten omtrent hoofdpijnen migraine in Nederland; 16e-19e eeuw.Ned Tijdschr Geneeskd 1994;138:2597-602.

  3. Airy H. On a distinct form of transient hemiopsia. Phil TrRoy Soc 1870;160:247-64.

  4. Gowers WR. The border-land of epilepsy. Londen: Churchill,1907.

  5. Liveing E. On megrim, sick headache, and some allieddisorders. Londen: Churchill, 1873.

  6. Koehler PJ. Brown-Séquard's comment on DuBois-Reymond's ‘hemikrania sympathicotonica’. Cephalalgia1995;15:370-2.

  7. Flatau E. Die Migräne. Berlijn: Springer,1912.

  8. Thomas L. La Migraine. Parijs: Delahaye & Lecrosnier,1887.

  9. Lubbers HA. Migraine en anaphylaxie.Ned Tijdschr Geneeskd1921;65(IIA):1073-80.

  10. Beverwijck J van. Schat der ongesontheyt. 2e deel. In:Wercken der Geneeskonste. Amsterdam: Schipper, 1672:25.

  11. Boom BK. Over migraine.Ned TijdschrGeneeskd 1924;68(IIA): 431.

  12. Bouman L. Migraine. In: Bouman L, Brouwer B, redacteuren.Leerboek der zenuwziekten. II. Haarlem: Bohn, 1930:655-65.

  13. Bouman L. Ophthalmoplegische migraine.Ned Tijdschr Geneeskd1934;78:2182-7.

  14. Koehler PJ. Freud, Charcot en de neurologische visie opde hysterie. Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:2177-83.

  15. Lange C de. Zur Kenntnis der RezidivirendenOphthalmoplegie. Dtsch Zeitschr Nervenheilkd 1927;96:225-45.

  16. Dissel GH van. Massagetherapie bij cephalalgia enmigraine. Ned Tijdschr Geneeskd 1899;43:900-2.

  17. Hauptmann A. Luminal bei Epilepsie. Münch MedWochenschr 1912;59:1907-9.

  18. Schelven Th van. Luminal bij migraine.Ned Tijdschr Geneeskd1921;65(IIB):1673-5.

  19. Temkin O. The falling sickness. 2nd ed. Baltimore: JohnsHopkins University Press, 1971:298-9.

  20. Mathew NT, Saper JR, Silberstein SD, Rankin L, MarkleyHG, Solomon S, et al. Migraine prophylaxis with divalproex. Arch Neurol1995;52:281-6.

  21. Jensen R, Brinck T, Olesen J. Sodium valproate has aprophylactic effect in migraine without aura: a triple-blind,placebo-controlled crossover study. Neurology 1994;44:647-51.

  22. Bolten GC. Het klinische ziektebeeld der genuineepilepsie (psychische epilepsie, poriomanie, migraine).Ned TijdschrGeneeskd 1916;60(2):200.

  23. Braam Houckgeest AQ van. Een geval van statushemicranicus. Ned Tijdschr Geneeskd1923;67(IB):2021-3.

  24. Lewandowsky M. Handbuch der Neurologie. Berlijn:Springer, 1910-4.

  25. Gans A. Leerboek der neurologie. Leiden: Stenfert,1934:555-7.

  26. Schuurmans Stekhoven W. Hoofdpijn. Populair geneeskundigebeschouwingen over wezen, oorzaken, bijzondere vormen en behandeling.Amsterdam: Meulenhoff, 1927:97-106.

  27. Grewel F. Migraine ophthalmoplégique (N.abducens). Ned Tijdschr Geneeskd1934;78:4243-6.

  28. Scheer WM van der. Over migraine.Ned Tijdschr Geneeskd1938;82:5843-50.

  29. Valkenburg CT van. De behandeling der migraine.Ned Tijdschr Geneeskd1939;83:4412-6.

  30. Eulenburg A. Subcutane Injectionen von Ergotinin (Tanret)= Ergotininum citricum solutum (Gehe). Dtsch Med Wochenschr1883;9:637-9.

  31. Maier HW. L'ergotamine, inhibiteur du sympathiqueétudié en clinique, comme moyen d’exploration et commeagent thérapeutique. Rev Neurol (Paris) 1926;T.1:1104-8.

  32. Graham JR, Wolff HG. Mechanism of migraine headache andaction of ergotamine tartrate. Proc Ass Res Nerv Ment Dis 1938;18:638-69.

  33. Friedman AP. Ergotism. In: Vinken PJ, Bruyn GW, editors.Handbook of clinical neurology. Vol 36. Amsterdam: North-Holland Publishing,1979:547-59.