Consensus preventie van herpes neonatorum
Open

Onderzoek
11-11-1987
W.I. van der Meijden en A.M. Dumas

Op 16 januari 1987 vond in Rotterdam een consensusbijeenkomst plaats over de preventie van herpes neonatorum. De belangrijkste conclusie was, dat het routinematig screenen op herpes simplexvirus (HSV) van risico-zwangeren, vanaf de 32e-36e zwangerschapsweek, niet zinvol is. In plaats daarvan dienen bij de vrouw durante partu kweken afgenomen te worden van de cervix uteri en van de plaats waar het recidief meestal optreedt, en dienen bij het kind post partum kweken te worden afgenomen van de orofarynx.

Er werd consensus bereikt over de stelling dat risico-zwangeren zonder manifeste herpeslaesies langs vaginale weg kunnen bevallen, maar er werd geen consensus bereikt over het beleid bij patiënten met een recidief. De belangrijkste overwegingen om in beide situaties een vaginale baring te accepteren, zijn:

– Slechts 1-2 van de zwangeren van wie bekend is dat zij recidiverende herpes genitalis hebben doorgemaakt scheidt ten tijde van de baring het virus symptoomloos uit.

– Slechts bij 2-4 van de pasgeborenen die durante partu aan het virus worden blootgesteld ontstaat herpes neonatorum.

– Er is antivirale therapie beschikbaar (aciclovir).

– De kweekuitslag kan nog binnen de incubatieperiode (minimaal 4 dagen) bekend zijn.

Men was het erover eens dat bij een uitgebreide en dus mogelijk primaire herpes genitalis in de laatste twee weken van de zwangerschap sectio caesarea is geïndiceerd. Er werd geen consensus bereikt over het voorstel van de voorbereidingsgroep om, indien de uitslag van de HSV-kweek van moeder en (of) kind positief is, het kind profylactisch aciclovir toe te dienen.