Chronische hoest bij volwassenen

Klinische praktijk
Leonie Amber Kooistra
Jan Willem K. van den Berg
K.W. (Niels) Patberg
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2021;165:D6100
Abstract

Rectificatie

In figuur 1 staat een fout. In de onderste drie vakken met ‘afferente zenuw’ had ‘efferente zenuw’ moeten staan.

De gecorrigeerde versie van figuur 1 staat hieronder.

Figuur 1
Schematische weergave van de hoestreflex
Figuur 1 | Schematische weergave van de hoestreflex
(Bewerking van een elders gepubliceerde figuur)11

Samenvatting

  • Hoesten is een fysiologisch beschermingsmechanisme, maar overmatig hoesten heeft een grote impact op de kwaliteit van leven.
  • Hoest wordt als chronisch beschouwd bij een minimale duur van 8 weken. De prevalentie hiervan in de Nederlandse populatie is 10,9%.
  • Het overkoepelende concept van chronische hoest is hypersensitiviteit van de hoestreflex. Hierbij is er een hoestreflex op aspecifieke prikkels in een lage dosis.
  • Er worden verschillende fenotypes van chronische hoest onderscheiden. Behandeling van de onderliggende oorzaak is belangrijk. Als geen fenotype gevonden wordt, is er sprake van onverklaarde chronische hoest (OCH). Chronisch refractaire hoest (CRH) is hoest die persisteert ondanks behandeling voor het betreffende fenotype.
  • Opiaten en andere neuromodulatoren zijn de belangrijkste medicamenteuze behandelmogelijkheden bij CRH en OCH, maar de bijwerkingen en de grote interindividuele variabiliteit in farmacokinetiek leiden niet vaak tot een acceptabele situatie.
  • Nieuwe middelen zijn in ontwikkeling, de P2X3-antagonisten, die perifeer aangrijpen op de hoestreflex. Verondersteld wordt dat ze hierdoor minder centrale bijwerkingen veroorzaken.
Auteursinformatie

Isala Zwolle, afd. Longgeneeskunde, Zwolle: drs. L.A. Kooistra, aios longgeneeskunde; dr. J.W.K. van den Berg en dr. K.W. Patberg, longartsen.

Contact L.A. Kooistra (l.a.kooistra@isala.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: er zijn mogelijke belangen gemeld bij dit artikel. ICMJE-formulieren met de belangenverklaring van de auteurs zijn online beschikbaar bij dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
Leonie Amber Kooistra ICMJE-formulier
Jan Willem K. van den Berg ICMJE-formulier
K.W. (Niels) Patberg ICMJE-formulier
Dit artikel is gepubliceerd in het dossier
Huisartsgeneeskunde

Gerelateerde artikelen

Reacties

Reinier
Hulst

Hoewel de auteurs geen concrete getallen vermelden over mogelijke oorzaken van de chronische hoest, kan uit figuur 2 worden afgeleid dat er vaak geen welomschreven ziektebeeld wordt gevonden. Dan verbaast het mij dat een psychogene basis niet wordt overwogen. Er kan sprake zijn van een duidelijke psychiatrische aandoening, maar ik vermoed dat zaken als stress, overspannenheid of zich ongelukkig voelen en zo voort een belangrijke rol kunnen spelen. Therapeutisch zou dan een vorm CGT (cognitieve gedragstherapie) soelaas zouden bieden.

Ik ben benieuwd naar de visie van de auteurs.

Reinier Hulst, verzekeringsarts

Leonie
Kooistra

Geachte collega Hulst,

Volgens de meest recente literatuur is de term ‘psychogene hoest’ achterhaald en heet dit tegenwoordig ‘somatische hoest’. In de eerder genoemde Europese richtlijn wordt deze oorzaak voornamelijk bij kinderen beschreven. De criteria voor somatische hoest zijn niet eenduidig en het wetenschappelijk bewijs bij volwassenen is zwak. De aanwezigheid van een depressie of angstklachten mag niet gebruikt mag worden om de diagnose te stellen. Daarnaast is psychische comorbiditeit bij veel patiënten met chronische hoest aanwezig, veelal ook als een gevolg van de chronische hoestklachten. Zoals in ons artikel wordt beschreven kan een logopedist een positieve invloed hebben op het hoestgedrag. Cognitieve gedragstherapie is bij chronische hoestklachten niet onderzocht. Wel heeft deze behandeling effect bij patiënten met chronische pijnklachten. Gezien er op pathofysiologisch niveau overeenkomsten bestaan tussen chronische hoest en chronische pijn zou CGT inderdaad soelaas kunnen bieden, maar dit blijft vooralsnog speculeren.

Met vriendelijke groet,

namens de auteurs,

Leonie Kooistra, AIOS longgeneeskunde, Isala kliniek Zwolle

Joeri
Buwalda

Dank voor dit mooie overzichtsartikel. Gezien de prevalentie, ook op de KNO-poli, mooi om enige structuur aan te brengen. Een kleine kanttekening bij jullie passage over rinoscopie (onder KNO-artsen wordt gesproken en geschreven over rhinoscopie, maar dit terzijde): 'rinoscopie kan zinvol zijn om poliepen aan te tonen of met mucus gevulde sinussen te nettoyeren bij patiënten met chronische rhinosinusitis'. Het eerste deel van de zin klopt, hoewel 'nasendoscopie' (het kijken in de neus met een optiek) in dit opzicht betrouwbaarder is om poliepen aan te tonen. Het 'nettoyeren van de sinussen' is echter geen procedure die door middel van rhinoscopie kan worden bewerkstelligd. Als jullie doelen op de ingreep die 'Endoscopische Sinuschirurgie' wordt genoemd, is dit een ingreep die in de regel onder algehele narcose op het operatiekamercomplex wordt uitgevoerd. 

Joeri Buwalda, kno-arts, Deventer Ziekenhuis