Calcium entry blockers en angiotensin converting enzyme-remmers bij de behandeling wegens hoge bloeddruk

Klinische praktijk
M. Koster
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1509-13

De behandeling van hypertensie neemt een steeds grotere plaats in bij het medisch handelen. In dit overzicht zal in hoofdzaak de medicamenteuze therapie van essentiële hypertensie aan de orde komen en wordt niet ingegaan op indicaties; er wordt van uitgegaan dat deze op goede gronden gesteld zijn.

Het aantal medicamenten tegen hypertensie dat ons ter beschikking staat, neemt voortdurend toe. Dit is ook niet verwonderlijk, daar er nog steeds geen enkel medicament is dat verhoogde bloeddruk geneest of in alle gevallen tot een normale tensie voert. Dat is ook niet verbazingwekkend, want het ingewikkelde mechanisme dat de bloeddruk binnen normale grenzen moet houden, heeft zovele verschillende aangrijpingspunten op o.a. neurogeen, mineraal en hormonaal gebied, dat één oorzaak en één therapie niet goed voorstelbaar is.

Principes van de gangbare behandeling

Verhoogde perifere weerstand

De belangrijkste hemodynamische verandering die bij langer bestaande hoge bloeddruk optreedt, is de verhoogde totale perifere vaatweerstand. De…

Auteursinformatie

Boerhaave Kliniek, Teniersstraat 1, 1071 DX Amsterdam.

Prof.dr.M.Koster, internist.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Haarlem, september 1986,

Professor Koster geeft naar onze mening een correct overzicht van de huidige kennis van de voor- en nadelen van de nieuwe klassen van antihypertensiva (1986;1509-13). Over één opmerking in het artikel verschillen wij echter met hem van mening. Op bl. 1512 wordt o.a. vermeld: ‘.... andere juist iets meer (albuminurie, hoofdpijn en vermoeidheid)’, met als referentie Edwards et al. (Lancet 1985; i: 30-4), zonder echter melding te maken van het commentaar van Currie en Cooper (Lancet 1985; i: 580-1). De bron van het artikel van Edwards is een publikatie van Stumpe et al. (Therapie Woche 1984; 34: 3290-8). Er is fundamentele kritiek te leveren op de wijze waarop Stumpe et al. de gegevens van enalapril en captopril met elkaar vergeleken hebben. Indien de captopril-criteria gehanteerd worden voor de beoordeling van enalapril-gegevens, dan is in de klinische studies met enalapril tot nu toe geen enkel geval van proteïnurie gemeld, zelfs niet bij patiënten met nierinsufficiëntie of collageenziekten. Nefrotisch syndroom en membraneuze giomerulopathie zijn tot nu toe ook nooit in samenhang met enalapril gerapporteerd.

R.J. Bergmans
C.N. Verboom