Wetenschappelijk onderzoek versus klinische realiteit

Bloeddruk meten

Abstracte illustratie van een bloeddrukmeter.
Rianne de Heus
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2022;166:D5624

Waarom dit onderzoek?

Dankzij het positieve resultaat van de SPRINT-studie (SPRINT staat voor ‘Systolic blood pressure intervention trial’) bij patiënten bij wie de systolische bloeddruk tot < 120 mmHg werd verlaagd, zijn de streefwaardes voor bloeddrukbehandeling en de definitie van hypertensie in richtlijnen aangescherpt. In de SPRINT-studie werd de bloeddruk…

Auteursinformatie

Contact R. de Heus (rianne.deheus@radboudumc.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Rianne de Heus ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

Rene Jan Albert
Goris

Dank aan Collega De Heus voor een interessante bijdrage. Ik mis daarin een "cave" voor foute metingen met automatische bloeddrukmeters (ABM). Ik deed lang aan duursport, heb een trage pols (56 pm) en een hoge polsdruk. Met de RIva Rocci methode meet mijn huisarts nooit hoger dan 120 a 125 mm Hg systolisch . Bij cardiologen en in ziekenhuizen wordt gemeten met ABM's, en die geven bij mij aan 150 a 160 mm Hg. ABM's werken met algoritmes, vaak verschillend per merk. Die algoritmes houden kennelijk geen rekening met een trage pols en hoge polsdruk. Een systemische fout, waardoor mij herhaaldelijk onterecht bétablockers werden voorgeschreven.

Cave dus voor het meten van bloeddruk met ABM's bij (ex) duursporters met een trage pols en hoge polsdruk.

Em. Prof. Dr. R.J.A. Goris
Literatuur

P.H. Lewis et al. Oscillometric  measurement of blood pressure: a simplified explanation. A technical note on behalf of the British and Irish Hypertension Society. Journal Human Hypertension. 2019;33:349-351.

 

Henk
Koopman

De meeste standaardcommissies hebben inderdaad de streefbloeddrukwaarde hoger ingesteld dan de "strenge" systolische 120 mmHg norm, om de kans op eventuele overbehandeling te voorkomen. Niet uitgesloten is dat daarmee de kans op onderbehandeling (gezien de zeer gunstige SPRINT resultaten) toeneemt. Oplossing is natuurlijk zorgvuldiger bloeddruk meten, alvorens te besluiten tot instellen of aanpassen van de behandeling.  De manier van bloeddruk meten in de SPRINT studie verschilt nauwelijks van de richtlijnen voor bloeddrukmeting in de meeste standaarden. Ook automatische bloeddrukmeting (alleen in de spreekkamer, ambulant gedurende kortere of langere periode, geprotocolleerde thuismetingen, etc) is al lang gemeengoed. Iets verder gaan dan alleen maar maar bloeddruk meten op het spreekuur kost wel meer tijd en het is de vraag, of dit veel prioriteit heeft bij lagere bloeddrukwaarden. Het helpt dan niet om ook nog eens te wijzen op de kans van overbehandeling, terwijl de kans op onderbehandeling ook niet is uitgesloten. De nadruk in deze discussie zou mi. gelegd moeten worden op het belang van een meer strikte toepassing van de richtlijnen voor bloeddrukmeting. 

Henk Koopman, huisarts n.p.